Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
30-05-2018
Elizabeth Alexander, Oscar van den Boogaard, Countee Cullen, Emmanuel Hiel, Martin Jankowski, Alfred Austin, Eddy Bruma, Henri François Rikken, Jan Geerts
I've been eating like a sultan since I was two days old.
I had a mother and three sisters who worshipped me.
When I was two years old they used to plop me in a bed with a jillion
satin pillows and spray me with exotic perfumes
and lilac water, and then they would shoot me the grapes.
Narrative: Ali a poem in twelve rounds
1. My head so big they had to pry me out. I'm sorry Bird (is what I call my mother). Cassius Marcellus Clay, Muhammad Ali; you can say my name in any language, any continent: Ali.
2. Two photographs of Emmett Till, born my year, on my birthday. One, he's smiling, happy, and the other one is after. His mother did the bold thing, kept the casket open, made the thousands look upon his bulging eyes, his twisted neck, her lynched black boy. I couldn't sleep for thinking, Emmett Till.
One day I went Down to the train tracks, found some iron shoe-shine rests and planted them between the ties and waited for a train to come, and watched the train derail, and ran, and after that I slept at night.
“Laten we beginnen bij de bron die om onverklaarbare redenen precies hier ontsprong – en niet ergens anders – midden tussen met eiken en beuken begroeide heuveltjes in het noorden van Nederlands- Limburg, in het moerassig gebied tussen de Maas en een hogergelegen rivierterras. De bron lag zo volmaakt ingebed tussen drie steenblokken dat haar ligging noodzakelijk leek. De blokken die sterfelijke handen niet zouden kunnen verplaatsen, werden in de volksmond, dat wil zeggen door de dorpelingen die op het landgoed geen zaken hadden, cycloopstenen genoemd. In een ver verleden zou een eenogige reus ze vanuit de Alpen woedend weggeslingerd hebben. Andere waren bij de monding van de Geul in de buurt van Aken terechtgekomen, maar deze drie waren door een overschot aan toorn nog eens honderd kilometer verder geland in deze perfecte compositie rond het opborrelende water. Het verontrustende aan het verhaal van eenoog is dat razernij de laatste hand heeft gelegd aan het paradijs, want zo zou je deze plek kunnen noemen. Herten, everzwijnen, eekhoorns, vogels en konijnen deelden de bron gebroederlijk met de bewoners van kasteel Metternich, die al honderden jaren hun flessen met het bronwater lieten vullen en er heilzame werking aan toekenden. Het was alsof zij behoorden tot dezelfde goddelijke natuur. Omdat Metternich in het grensgebied tussen Nederland en Duitsland lag, beschikte het over een Limburgse en een Pruisische poort. In hun hart waren de bewoners, die pas sinds de Franse tijd officieel aan Nederlandse zijde woonden, evenzeer met het Duitse achterland verbonden. Zo kon het gebeuren dat de Pruisische generaal Maximiliaan die vlak over de grens op een buitenplaats woonde, op een zomerse middag in 1884 toen hij op Metternich kwam jagen op goed geluk zijn dochter meenam om aan de enige zoon van de kasteelheer voor te stellen. Terwijl ze zich in het koetsje over de dijk onder de steilrand door het moeras lieten rijden, lag haar vaders hand in Hermines ranke nek. Ze liet haar hoofd nog even zorgeloos achterover rusten, maar bij de grenspaal trok haar vader zijn hand weg. Toen ze de Pruisische poort binnenreden en de hoektorens van Metternich in zicht kwamen, rechtte ze haar rug en bond haar haren samen. ‘Twee verwante zielen,’ merkte Arnold op toen zijn zoon Edmond en Hermine elkaar op het voorplein een hand gaven. Het klonk niet als een vaststelling maar als bevel. ‘Onze jongelui zijn veel te gevoelig voor de jacht,’ had Maximiliaan geconstateerd. De vaders sloegen elkaar op de schouder en liepen met hun geweren in de aanslag de slotbrug over.”
Oscar van den Boogaard (Harderwijk, 30 mei 1964)
De Afro-Amerikaanse dichter Countee Cullenwerd geboren als Countee LeRoy Porter op 30 mei 1903 in Louisville, Kentucy, of Baltimore. Zie ook alle tags voor Countee Cullenop dit blog.
She Of The Dancing Feet Sings
And what would I do in heaven pray, Me with my dancing feet? And limbs like apple boughs that sway When the gusty rain winds beat.
And how would I thrive in a perfect place Where dancing would be a sin, With not a man to love my face, Nor an arm to hold me in?
The seraphs and the cherubim Would be too proud to bend, To sing the faery tunes that brim My heart from end to end.
The wistful angels down in hell Will smile to see my face, And understand, because they fell From that all-perfect place.
Tableau
Locked arm in arm they cross the way The black boy and the white, The golden splendor of the day The sable pride of night.
From lowered blinds the dark folk stare And here the fair folk talk, Indignant that these two should dare In unison to walk.
Oblivious to look and word They pass, and see no wonder That lightning brilliant as a sword Should blaze the path of thunder.
Countee Cullen (30 mei 1903 – 9 januari 1946) Cover
“Ich gehe gern ins Kino. Aber nur alleine und in einen Film, der schon seit Wochen läuft, bevorzugt am Nachmittag. Dann habe ich oft Glück und bin die einzige Zuschauerin. Heute sehe ich mir einen Liebesfilm mit Julia Roberts und Jude Law an. Ich sitze in der letzten Reihe, ausgerüstet mit Popcorn und Cola, freue mich über die Ruhe. Die Werbung läuft, ich guck immer mal wieder zur Tür. Hoffentlich kommt keiner. Es ist ein kleines Kino, acht Reihen. Billig, die Stühle haben hinten nicht mal n durchgängigen Rücken. Da kommt einer rein, ein Junge, sicher zehn Jahre jünger als ich - zu alt, um meinen Mutterinstinkt zu wecken und zu jung, um begehrenswert zu sein. Er ist klein, ein Weißer, mehr erkenne ich bei dieser Dunkelheit nicht. Er geht in meine Richtung Es sind ungefähr 42 andere Plätze frei, aber er wählt den direkt vor mir. Ich bin entsetzt. Dass ich jetzt selber den Sitz wechsle, kommt nicht in Frage. Er ist nicht groß genug und hat nicht einmal knisternde Chips dabei, trotzdem bin ich wütend - so eine Provokation kann ich mir nicht gefallen lassen. Ich überlege schon, wie ich mich räche und kann mich nicht auf den Film konzentrieren. Julia Roberts und Jude Law sind nicht mehr wichtig, Mister Blond und Jung vor mir ist es. Ich starre auf seinen Rücken, dann sehe ich es und beiße mir auf die Lippen, um nicht laut loszulachen. Er ist wohl einer von diesen Ich komme aus Hellersdorf, höre den ganzen Tag Eminem und kann genauso schnell sprechen wie Thomas D-Jugendlichen. Einer von denen, die weite Hosen tragen, die erst an den Kniekehlen beginnen. Ich kann es sehen, weil die Sitze in diesem Kino im unteren Teil der Rückenlehne eine größere Aussparung besitzen. Sei- ne Poritze ist jedenfalls sehr interessant. Poritze ist eindeu- tig untertrieben. Ich kann seinen Hintern bis zum After se- hen - gut, den After sehe ich nicht, da sind ja seine Backen davor. Aber was für Backen! So was krieg ich bei Männern in meinem Alter kaum mehr zu sehen.“
Where have you been through the long sweet hours That follow the fragrant feet of June? By the dells and the dingles gathering flowers, Ere the dew of the dawn be sipped by noon.
And sooth each wilding that buds and blows You seem to have found and clustered here, Round the rustic sprays of the child-like rose That smiles in one's face till it stirs a tear.
The clambering vetch, and the meadow-sweet tall, That nodded good-day as you sauntered past, And the poppy flaunting atop of the wall, Which, proud as glory, will fade as fast.
The campion bladders the children burst, The bramble that clutches and won't take nay, And the pensive delicate foxgloves nursed In woods that curtain from glare of day.
The prosperous elder that always smells Of homely joys and the cares that bless, And the woodbine's waxen and honeyed cells, A hive of the sweetest idleness.
And this wayside nosegay is all for me, For me, the poet-the word sounds strong;- Well, for him at least, whatever he be, Who has loitered his morning away in song.
And though sweetest poems that ever were writ, With the posy that up to my gaze you lift, Seem void of music and poor of wit, Yet I guess your meaning, and take your gift.
For 'tis true among fields and woods I sing, Aloof from cities, and my poor strains Were born, like the simple flowers you bring, In English meadows and English lanes.
If e'er in my verse lurks tender thought, 'Tis borrowed from cushat or blackbird's throat; If sweetness any, 'tis culled or caught From boughs that blossom and clouds that float.
No rare exotics nor forced are these; They budded in darkness and throve in storm; They drank their colour from rain and breeze, And from sun and season they took their form.
They peeped through the drift of the winter snows; They waxed and waned with the waning moon; Their music they stole from the deep-hushed rose, And all the year round to them is June.
So let us exchange, nor ask who gains, What each has saved from the morning hours: Take, such as they are, my wilding strains, And I will accept your wilding flowers.
“Zou ze nog iets zachter hebben gesproken dan had geen van hen haar kunnen verstaan. Een ogenblik zelfs dachten de beide mannen, die vlak bij haar stonden, dat Oom Safrie haar niet hoorde. Hij zoog zo heftig aan zijn pijp, twee, drie keer, zo dat de pijpekop wel een smokopatoe [ijzeren pot, waarin een vuurtje wordt gestookt om door de rook de muggen te verdrijven] leek. Toen draaide hij zich om en begon met langzame stappen de dam af te lopen. De anderen volgden hem; zo bewogen ze zich als zwarte geesten onder de kokospalm voort. Elk van hen diep in gedachten. Oom Safrie, begon de vrouw weer. Toen, terwijl hij zich omdraaide en aan zijn pijp zoog, zodat de gloed zijn oude gezicht verlichtte, zei ze snel: Oom, weet je wel, dat Joewan naar de stad wil? Ik en Lodie zijn ten einde raad! Als door een dolkmes getroffen stond Oom Safrie stil. Zijn pijp viel op de dam, maar hij verzette geen voet om hem op te rapen. Als een stenen beeld stond hij daar en het was of iemand hem de keel dichtkneep, toen hij vroeg: Joewan, zeg je? Joewan? Ja, Oom Safrie, Joewan! Al dagen geleden wou ik het je zeggen, maar ik wist niet hoe. Joewan zegt, dat hij weg gaat. Hij is dit leven moe, Oom Safrie! Oom Safrie zuchtte. Hij had iets dergelijks al verwacht. Hij was er al lang bang voor geweest. Een jaar voor de droogte begon had er een soort spanning over Coronie gelegen. Op een dag was er een auto naar Coronie gekomen, die een stevig gebouwde stedeling naar de plantage had gebracht. Ze wisten niet wie het was, maar op een vroege morgen zat Oom Safrie op zijn eigen wagen en was onderweg naar Totness om aan het kanaal zijn watervaten te vullen, want net als alle andere Coronianen placht hij water uit het kanaal te halen om de kokoskoeken voor zijn varkens te kunnen weken en 's morgens voor hij ging planten zijn olie te koken. Die dag stonden de watervaten bij hem op de wagen en ze denderden en slingerden maar heen en weer. Nog maar net was hij de oude kokosvelden van Djanie voorbij of hij zag een grote troep mensen op de weg staan. Nou, nou, dacht hij, terwijl hij de os aan zijn staart rukte om hem wat harder aan het lopen te krijgen. Nou, nou! Wat zouden die mensen daar moeten? Hoe komt het dat die dwazen al zo vroeg buiten zijn en daar nu als vlooien op de weg staan? Die negers zijn me toch ook rare mensen, kijk ze nu eens! Gestaag trok hij de leidsels aan toen hij zijn streekgenoten naderde.”
‘Misgeene heeft de kamp tegen Falsi Lobi aanvaard’, ziedaar het grote nieuws, dat de bewoners van Paramaribo in januari 1800 in beweging bracht. Indien wij zeggen ‘de bewoners van Paramaribo’ dan is deze uitdrukking in zoverre juist, dat zij de slavenbevolking, immers verreweg het grootste gedeelte der stadsbewoners, betreft. ‘Mi sisa’, riepen de slavinnen elkaar uitgelaten van vreugde op straat toe, ‘heb je 't al gehoord, Misgeene heeft 't tegen Falsi Lobi opgenomen. Dat zal me eens wat worden! Mijn benen beginnen mij nu al te jeuken!’ Bij deze laatste woorden maakten zij dansende een paar passen, draaiden lustig enige keren in 't rond en vervolgden weer opgewekt hun weg, terwijl zij het blijde nieuws aan allen, die zij tegenkwamen, met luidruchtige blijdschap mededeelden. Het rumoerigst echter werd dit grote nieuws verbreid en besproken op de Oude Oranjetuin, waar niet alleen de slavenmarkt gehouden, maar ook allerlei levensmiddelen ten verkoop werden aangeboden. Dit fraaie plein, dat een regelmatig vierkant vormde, was met oranjebomen beplant en ter weerszijden met nette huizen bezet. Van de kant der Heerenstraat uit gezien had men, iets verder dan waar thans de Hervormde kerk staat, het stadhuis of zoals 't in de wandeling genoemd werd: het Hof. Het behoorde tot de oudste gebouwen der stad en mocht eveneens onder de aanzienlijkste en grootste van Paramaribo gerekend worden. Het was een groot langwerpig vierkant met twee verdiepingen, dat hoog van de grond geheel uit zware ‘klipstenen’ was opgetrokken, terwijl de ‘gevels van Mopstenen opgemetseld’ waren en het met singels gedekt was. Volgens Stedman bezat het bovendien een spitse toren met een uurwerk. In het bovengedeelte werden de godsdienstoefeningen der Hervormde kerk gehouden en het benedengedeelte diende tot vergaderzaal van het ‘Hof van Politie en Criminele Justitie’, meer algemeen echter het ‘Rode Hof’ genoemd naar de rode kostuums der rechters."
Henri François Rikken (30 mei 1863 - 17 mei 1908) Cover
me en vind me jaren later terug vouw me open als was mijn huid van papier en de stad van je nachten lees wat je kwijt raakte, wat achterbleef in de binnenzak van een oude jas terwijl onder een brug de regen wacht op de laatste bus en op de tijd die ons ontbrak en weer samenveegt als een hand de kruimels van de tafel maak me weer onmisbaar, geen leven zonder en de wetenschap dat alles blijft zoals het voorbijgaat, nauwelijks nog aanraakbaar en spaar met je vinger op mijn lippen de woorden die je wil horen, besta mij opnieuw op de stoep die ons tekent tussen stad en tijd loop me tegen het lijf om de hoek van het vergeten en spreek me tegen als ik het niet ben
Tags:Elizabeth Alexander, Oscar van den Boogaard, Countee Cullen, Emmanuel Hiel, Martin Jankowski, Alfred Austin, Eddy Bruma, Henri François Rikken, Jan Geerts, Romenu
The man is looking for trouble, thrills, sublime ecstasies, places devoid of folklore, deals, calculated approximations, objects of desire that hold your attention and help you keep your cool, the latest rage at your fingertips, binges, infatuations, sexual icons, irrefutable proofs, joyrides, advice within parentheses, green lights, comfy shoes, forms of expression that presume supremacy, free tickets to the game, ways of killing time that are reckless and frenzied, the upper hand before bellyaching, straight answers. The woman, however, is looking for love.
Vertaald door Lawrence Venuti
Ernest Farrés (Igualada, 21 juli 1967) Igualada, de geboorteplaats van Ernest Farrés tijdens een ballonfestival
“Even if I’m hated, and ostracized, and persecuted, and in the end destroyed, nothing can make me black. And so those who are cannot but remain suspicious of me. In their eyes my very efforts to identify myself with Gordon, with all the Gordons, would be obscene. Every gesture I make, every act I commit in my efforts to help them makes it more difficult for them to define their real needs and discover for themselves their integrity and affirm their own dignity. How else could we hope to arrive beyond predator and prey, helper and helped, white and black, and find redemption? On the other hand: what can I do but what I have done? I cannot choose not to intervene: that would be a denial and a mockery not only of everything I believe in, but of the hope that compassion may survive among men. By not acting as I did I would deny the very possibility of that gulf to be bridged. If I act, I cannot but lose. But if I do not act, it is a different kind of defeat, equally decisive and maybe worse. Because then I will not even have a conscience left. The end seems ineluctable: failure, defeat, loss. The only choice I have left is whether I am prepared to salvage a little honour, a little decency, a little humanity — or nothing. It seems as if a sacrifice is impossible to avoid, whatever way one looks at it. But at least one has the choice between a wholly futile sacrifice and one that might, in the long run, open up a possibility, however negligible or dubious, of something better, less sordid and more noble, for our children…”
André Brink (29 mei 1935 - 6 februari 2015) Begin jaren 1960
die liebe macht alles kaputt; sie macht den sex kaputt, sie zerstört den verstand und sie bleicht den teint. sie macht aus den augen ein möbel und aus dem bett ein anderes möbel – und zwar eins ums andere mal. die liebe macht das flirten kaputt, sie tötet die masern, sie tötet den schweifenden blick und erhöht die moral hin zu unbekannten neigungen.
die liebe macht alles kaputt; sie lässt die stimme rostig werden, zerstört pläne und panoramablicke, sie füllt den kaffee mit klumpen und die adern mit nervenfasern, die sich überschlagen. die liebe lässt das meer ruhig werden und die landschaften zahmer, sie lässt die plattfüße platt und macht platt die härteste rute.
die liebe macht alles kaputt: sie bedeckt dir die augen, und zwischen den vorhängen und fensterläden vergesse ich mich selbst, die flüsse sind immer noch flüsse und ich weiß nicht mehr was tun.
Uit: The Secret Garden (The Complete “Father Brown”)
“I mean,” said little Father Brown, from the corner of the room, “I mean that cigar Mr. Brayne is finishing. It seems nearly as long as a walking-stick.” Despite the irrelevance there was assent as well as irritation in Valentin’s face as he lifted his head. “Quite right,” he remarked sharply. “Ivan, go and see about Mr. Brayne again, and bring him here at once.” The instant the factotum had closed the door, Valentin addressed the girl with an entirely new earnestness. “Lady Margaret,” he said, “we all feel, I am sure, both gratitude and admiration for your act in rising above your lower dignity and explaining the Commandant’s conduct. But there is a hiatus still. Lord Galloway, I understand, met you passing from the study to the drawing-room, and it was only some minutes afterwards that he found the garden and the Commandant still walking there.” “You have to remember,” replied Margaret, with a faint irony in her voice, “that I had just refused him, so we should scarcely have come back arm in arm. He is a gentleman, anyhow; and he loitered behind—and so got charged with murder.” “In those few moments,” said Valentin gravely, “he might really—” The knock came again, and Ivan put in his scarred face. “Beg pardon, sir,” he said, “but Mr. Brayne has left the house.” “Left!” cried Valentin, and rose for the first time to his feet. “Gone. Scooted. Evaporated,” replied Ivan in humorous French. “His hat and coat are gone, too, and I’ll tell you something to cap it all. I ran outside the house to find any traces of him, and I found one, and a big trace, too.” “What do you mean?” asked Valentin. “I’ll show you,” said his servant, and reappeared with a flashing naked cavalry sabre, streaked with blood about the point and edge. Everyone in the room eyed it as if it were a thunderbolt; but the experienced Ivan went on quite quietly: “I found this,” he said, “flung among the bushes fifty yards up the road to Paris. In other words, I found it just where your respectable Mr. Brayne threw it when he ran away.” There was again a silence, but of a new sort. Valentin took the sabre, examined it, reflected with unaffected concentration of thought, and then turned a respectful face to O’Brien. “Commandant,” he said, “we trust you will always produce this weapon if it is wanted for police examination. Meanwhile,” he added, slapping the steel back in the ringing scabbard, “let me return you your sword.”
G. K. Chesterton (29 mei 1874 - 14 juli 1936) Mark Williams speelt Father Brown in de BBC-serie vanaf 2013
« Je suis allé à la porte. La neige tenait. La rue n'était pas déblayée et la voiture de Mme Vallier garée le long du trottoir, un peu plus bas, dans un renfoncement, était blanche. J'ai pensé un instant à la nettoyer, mais comme je ne savais pas quelle décision serait prise, je me suis dit que c'était inutile. Heureusement, elle était venue avec leur plus grosse auto qui était une quinze-chevaux Citroën. Si nous devions partir, sur la neige, la traction avant nous serait très précieuse. Et c'est une voiture que j'aime beaucoup conduire. [...] Ce matin-là encore Monsieur allait m'étonner. Alors que je m'attendais à l'entendre pester contre le mauvais sort qui semblait s'acharner sur nous depuis le début du voyage, lorsqu'il a vu tomber la neige il nous a déclaré: - Quelle chance que l'Hotchkiss soit cassée, nous serons plus en sécurité dans la traction avec une route pareille. Mais, au petit déjeuner, il y a eu un très vif accrochage entre les deux femmes et lui. En dépit de l'état des routes et de la piètre visibilité, il s'était mis en tête de pousser jusqu'à Aulnois. Ce qui représentait, en comptant le retour, pas loin de quatre cents kilomètres de plus. Ça me semblait à proprement parler de la folie pure. Fort heureusement, cette empoignade avait dû faire monter sa tension artérielle. Il est devenu rouge et son souffle, de nouveau court et saccadé, l'a obligé à se taire. - Veux-tu que j'appelle le médecin? a demandé Madame. Dans un grand effort qui faisait un peu mal à voir car la souffrance se lisait sur ses traits, il est parvenu à gronder: - Fous-moi la paix avec ce con! Il t'a fait acheter pour une fortune de drogues à foutre aux chiottes... Il doit toucher des ristournes du pharmacien, celui-là... Entre les toubibs qui ne font rien et ceux qui font trop... Les malades qui s'en tirent ont vraiment la peau dure... - Tais-toi, papa. Tu parles trop. Tu t'essouffles encore plus. Sa fille lui a pris la main qu'elle a caressée tendrement. Elle lui ressemble. Mince et les traits un peu durs comme lui. Le même grand front. Elle a ajouté d'une voix très douce: - Tu devrais aller te reposer un moment. Nous ferons les valises et, dès que des voitures auront circulé un peu, on essaiera de partir. S'il faut s'arrêter en route, ce ne sont pas les hôtels qui manquent, entre ici et Lyon. «
Bernard Clavel (29 mei 1923 – 5 oktober 2010) Cover
"The best thing for being sad," replied Merlin, beginning to puff and blow, "is to learn something. That's the only thing that never fails. You may grow old and trembling in your anatomies, you may lie awake at night listening to the disorder of your veins, you may miss your only love, you may see the world about you devastated by evil lunatics, or know your honour trampled in the sewers of baser minds. There is only one thing for it then — to learn. Learn why the world wags and what wags it. That is the only thing which the mind can never exhaust, never alienate, never be tortured by, never fear or distrust, and never dream of regretting. Learning is the only thing for you. Look what a lot of things there are to learn". (...)
“He caught a glimpse of that extraordinary faculty in man, that strange, altruistic, rare, and obstinate decency which will make writers or scientists maintain their truths at the risk of death. Eppur si muove, Galileo was to say; it moves all the same. They were to be in a position to burn him if he would go on with it, with his preposterous nonsense about the earth moving round the sun, but he was to continue with the sublime assertion because there was something which he valued more than himself. The Truth. To recognize and to acknowledge What Is. That was the thing which man could do, which his English could do, his beloved, his sleeping, his now defenceless English. They might be stupid, ferocious, unpolitical, almost hopeless. But here and there, oh so seldome, oh so rare, oh so glorious, there were those all the same who would face the rack, the executioner, and even utter extinction, in the cause of something greater than themselves. Truth, that strange thing, the jest of Pilate's. Many stupid young men had thought they were dying for it, and many would continue to die for it, perhaps for a thousand years. They did not have to be right about their truth, as Galileo was to be. It was enough that they, the few and martyred, should establish a greatness, a thing above the sum of all they ignorantly had.”
„Österreich nimmt den Untergang Österreichs nicht zur Kenntnis. Man hört hier auch schon das verhängnisvolle Wort vom "kleineren Übel", das in Deutschland geprägt worden ist, so lange, bis die Betonung von dem "kleiner" unerheblich immer mehr auf "Übel" gewechselt hatte, so lange, bis das Übel unversehens immer grösser und schliesslich das ganz grosse geworden war. Peter versucht vergeblich darzutun, dass man jedes Übel bekämpfen müsse, ob es nun kleiner oder grösser sei. Peter kann solche Gespräche nicht mehr hören. Es ist gespenstisch, höllisch, dass man hier das selbe erleben muss wie draussen, einen Staat auf dem selben Weg in den Untergang sehen und ein Volk die selben selbstbetrügerischen Phrasen dazu sagen hören muss, ohne dass man helfen kann, ja ohne dass der dokumentarische Hinweis dieser Gleichartigkeit auch nur zur Kenntnis genommen wird. Peter fühlt sich erschöpft und völlig leer. Alles, was er, seit er denken kann, erlebt hat, alle Enttäuschung, alle Fragwürdigkeit seiner Existenz und der letzten Tage zumal, alles steigt auf, wächst unerträglich in ihm an und höhlt ihn aus. Kein Erlebnis kann ihn aus dieser Hoffnungslosigkeit reissen, was immer geschieht, wird sie nur bestätigen, falls es unerfreulich, wird sie doppelt grausam machen, wenn es erfreulich ist.“
Hans Weigel (29 mei 1908 – 12 augustus 1991) Cover
You want me to be the dawn You want me made of seaspray Made of mother-of-pearl That I be a lily Chaste above all others Of tenuous perfume A blossom closed
That not even a moonbeam Might have touched me Nor a daisy Call herself my sister You want me like snow You want me white You want me to be the dawn
You who had all The cups before you Of fruit and honey Lips dyed purple You who in the banquet Covered in grapevines Let go of your flesh Celebrating Bacchus You who in the dark Gardens of Deceit Dressed in red Ran towards Destruction
You who maintain Your bones intact Only by some miracle Of which I know not You ask that I be white (May God forgive you) You ask that I be chaste (May God forgive you) You ask that I be the dawn!
Flee towards the forest Go to the mountains Clean your mouth Live in a hut Touch with your hands The damp earth Feed yourself With bitter roots Drink from the rocks Sleep on the frost Clean your clothes With saltpeter and water Talk with the birds And set sail at dawn And when your flesh Has returned to you And when you have put Into it the soul That through the bedrooms Became entangled Then, good man, Ask that I be white Ask that I be like snow Ask that I be chaste
Vertaald door Catherine Fountain
Alfonsina Storni (29 mei 1892 – 25 oktober 1938)
De Amerikaanse schrijver Max Brand(eig. Frederick Schiller Faust) werd geboren op 29 mei 1892 in Seattle. Zie ook alle tags voor Max Brandop dit blog.
Uit: The Garden of Eden
“By careful tailoring the broad shoulders of Ben Connor were made to appear fashionably slender, and he disguised the depth of his chest by a stoop whose model slouched along Broadway somewhere between sunset and dawn. He wore, moreover, the first or second pair of spats that had ever stepped off the train at Lukin Junction, a glowing Scotch tweed, and a Panama hat of the color and weave of fine old linen. There was a skeleton at this Feast of Fashion, however, for only tight gloves could make the stubby fingers and broad palms of Connor presentable. At ninety-five in the shade gloves were out of the question, so he held a pair of yellow chamois in one hand and in the other an amber-headed cane. This was the end of the little spur-line, and while the train backed off down the track, staggering across the switch, Ben Connor looked after it, leaning upon his cane just forcibly enough to feel the flection of the wood. This was one of his attitudes of elegance, and when the train was out of sight, and only the puffs of white vapor rolled around the shoulder of the hill, he turned to look the town over, having already given Lukin Junction ample time to look over Ben Connor. The little crowd was not through with its survey, but the eye of the imposing stranger abashed it. He had one of those long somber faces which Scotchmen call "dour." The complexion was sallow, heavy pouches of sleeplessness lay beneath his eyes, and there were ridges beside the corners of his mouth which came from an habitual compression of the lips. Looked at in profile he seemed to be smiling broadly so that the gravity of the full face was always surprising. It was this that made the townsfolk look down. After a moment, they glanced back at him hastily. Somewhere about the corners of his lips or his eyes there was a glint of interest, a touch of amusement--they could not tell which, but from that moment they were willing to forget the clothes and look at the man. While Ben Connor was still enjoying the situation, a rotund fellow bore down on him. "You're Mr. Connor, ain't you? You wired for a room in the hotel? Come on, then. My rig is over here. These your grips?" He picked up the suit case and the soft leather traveling bag, and led the way to a buckboard at which stood two downheaded ponies.”
Max Brand (29 mei 1892 – 12 mei 1944) Cover
De Amerikaanse dichter, schrijver en publicist Joel Bentonwerd geboren op 29 mei 1832 in het kleine stadje Amenia, in county New York. Zie ook alle tags voor Joel Benton op dit blog.
The Scarlet Tanager
A all of fire shoots through the tamarack In scarlet splendor, on voluptuous wings; Delirious joy the pyrotechnist brings, Who marks for us high summer’s almanac. How instantly the red-coat hurtles back! No fiercer flame has flashed beneath the sky. Note now the rapture in his cautious eye, The conflagration lit along his track. Winged soul of beauty, tropic in desire, Thy love seems alien in our northern zone; Thou giv’st to our green lands a burst of fire And callest back the fables we disown. The hot equator thou mightst well inspire, Or stand above some Eastern monarch’s throne.
Wenn ihn Tiere tätlich beißen, soll der Mensch sich wortreich rächen – wenn auf lieblich wüstenheißen grillgeschmückten Außenflächen Schnaken, Zecken, Wespen, Mücken zwicken, zwacken, saugen, summen, Zähne fletschen, Säbel zücken und die pflaumendicken dummen Hummeln brummeln, Spinnen rennen, Kneifer krabbeln, Läuse pissen, spucken, reizen, ätzen, brennen, und dann kommen die Hornissen, weil sie uns im feuchten Glanze unsres Schweißes gern besuchen, sie versenken ihre Lanze, aber niemand hört uns fluchen, denn von oben dröhnt das Fiepsen all der Meisen, Amseln, Spatzen, all dies gottverdammte Piepsen über sonnverbrannten Glatzen – soll der Mensch zwar regredieren, aber groß sei seine Wut: »Hitze Mist! Haut ab, ihr Tieren! Sommer Kacke! Winter gut!
Thomas Gsella (Essen,19 januari 1958) Essen, de geboortestad van Thomas Gsella
Twee keer zo oud als Alexander bijna bij zijn dood en vrijwel niets veroverd een paar trouwe lezers hoogstens maar die dan gedeeld met collega’s – bijna twee keer zo oud als Jezus en die stond weer op na zijn dood, ga eerst maar eens dood dus en zie dan of anderen zeggen: hij stichtte ooit zonder volgelingen en zonder iets van macht, alleen met gedichten, het geloof in zichzelf, de hoogmis een fietstocht, een blik op oneindig, een stop voor een appel, een vlotte terugweg, gevoel van wind om het hoofd vooral, niet gehinderd door andere wijzen van denken dan van een gelukkige jeugd, kom daar maar om, en ‘s avonds het rozig gevoel dat er niets anders hoeft dan een dag als een gat in het leven, geen heerser, geen god of diens zoon maar een leven met wind in het haar.
Tuin der wetenschap
Daar is de lucht geregeld, de zon geweerd bij dag. Het duister vijftien vloeren dik is jou een zorg. Pracht van
een hortus om de hoek - geen heemtuin - met paden van verpulverd hout en bordjes wie aanwezig is, wie uit.
Daar sproeien slangen hun verdoving over perk en pad. Tuin van papier; lees je erover, lijkt het heel wat.
Wat groeit omhoog in vreemde talen? kijk op de plattegrond: carrière onder airconditioning. Een boom
van kennis die je longen uit tot lucht vervloog. Op je bureau een bloed- spoor van verbeelding? Hou het maar droog.
“– Kom, mama, we beginnen, zegt Maarten. Ben je er klaar voor? vraagt hij. En dan nog eens: Klaar? Maar zijn moeder reageert niet. Of toch: ze knippert met haar ogen. – Oké, dan beginnen we, zegt Maarten. Moeder (57) en zoon (24) bevinden zich in het appartement op tweehoog van een gerestaureerd Antwerps pand waarvan de ramen aan de straatzijde uitzicht bieden op het viaduct waarlangs de spoortreinen zowel boven– als ondergronds het station van Antwerpen Centraal bereiken. Aan de achterkant kijk je uit op de gecementeerde zijgevel van een synagoge, op een stadstuintje waar een wilde kastanje in bloei staat en op de met een hek omheinde speelplaats van een grote Joodse school. De woonkamer van het appartement is licht en het is er ook aangenaam van temperatuur. Maarten staat met zijn ene schouder tegen de wand geleund. Zijn moeder zit aan tafel: onbeweeglijk, afwachtend en zwijgend. – Daar gaan we, zegt Maarten. En met zijn vinger wijst hij de eerste letter aan op het alfabetbord dat hij zes weken geleden tegen de kamerwand, vlak boven de verwarmingsradiator, heeft opgehangen – als ging het om een wandversiering, een schilderij, een kopergravure of een aquarel. – A! zegt Maarten. Daarbij kijkt hij zijn moeder recht in de ogen en wacht hij op haar reactie. Maar die volgt niet. Dan naar de tweede letter. Ook geen reactie. – C dan? Ook niet. – D? Ook al niet. – De E? – De F? – De G? – De H? – De I? Nu pas knippert zijn moeder weer met haar ogen, en vervolgens schrijft Maarten met geel krijt de letter I op het groene schrijfbordje dat vlak onder het alfabetbord is aangebracht. – Voilà.”
“Het was de eerste dag van een nieuwe carrière. Ik ging naar het centrum van de stad en zette mijn fiets vast aan de Haagse Kakmadam, die er volkomen stoïcijns onder bleef. Ze is dan ook een standbeeld, maar dat moet je weten. Op een hink-stap-sprong afstand van haar staat, naast de ingang van C&A, weer of geen weer, een man met één been accordeon te spelen. Om misverstanden te voorkomen: de man heeft slechts één been en zit in een invalidebolide, die naast de ingang van het warenhuis geparkeerd staat. Hij bespeelt zijn knoppen gewoon met zijn handen. Ik liep op hem af en groette joviaal: 'Ha, collega.' Waarschijnlijk dacht de man nu dat ik ook muzikaal was; wist hij veel. Mijn stijl van lopen verdient dan geen schoonheidsprijs, maar voor de oppervlakkige beschouwer oog ik redelijk compleet. Ik luisterde even naar zijn spel en moest concluderen dat het echt iets voor de liefhebber was. Zoals brood met zand op het strand. Ik pakte de hoed, die hij uitnodigend voor zich had staan, en telde de inhoud. 'Het gaat lekker vandaag,' complimenteerde ik hem, niet zonder bewondering. 'Er zit zelfs papiergeld bij.' Ik verklapte hem het totale bedrag, telde de helft voor hem uit en gooide deze terug in de hoed. De rest stak ik in mijn zak. 'Ga zo door,' en ik gaf hem een bemoedigende knipoog en een dreun op zijn schouder. Hij miste enkele noten. 'Wij zien elkaar morgen wel weer.' Ik haastte me naar de Haagse markt. Daar staat een eenbenige op krukken ansichtkaarten te verkopen.”
Adriaan Bontebal (28 mei 1952 – 11 februari 2012) Cover
„Er wurde tot in einem Waldstück am Fuß des Hohen Ha-egen gefunden. Das war am fünfundzwanzigsten März. Bedenkliche Zeitungsnachrichten steigerten die Erregung. Niemand konnte nämlich sagen, wie cr ums Leben gekom-men war. Es hieß, sein Kopf sei gar nicht gefunden worden. In der folgenden Nacht brannte der Ziegenstall des Lehrers Meseke nieder. Und am siebenundzwanzigsten März hielt die Bevölkerung eine Versammlung ab. An Grönwohl, der sich in Hannover aufhielt, wurde ein Ultimatum geschickt. Die Bevölkerung verlangte die Herstellung alter Rechte. Mit ergebenem Gruß. An dic Spitze der Fordernden hatten sich Kawe und Bergweitemeier gestellt. Die Versammlung nahm einen stürmischen Verlauf. Alle waren sehr aufgebracht. Sie nannten Grönwohl einen Ausbeuter, den Förster und den Lehrer seine 1 lelfershelfer und Lakaien. Die Ansprachen von Bornemann, Elend und einem Tischler namens Bertram, der aus Göttingen heraufgekommen war, fanden starke Beach-tung. Ende März ließ Grönwohl durch den Lehrer die ein-schlägigen Gesetze verlesen. Es ist nicht bekannt geworden, wie viele Zuhörer Meseke fand, doch am ersten April war das ganze Dorf in Aufruhr. Mit Hacken, Äxten und Spaten zog man auf den Kirchhof. Grönwohl jedoch hatte, um die Be-völkerung und besonders seine Landarbeiter zu beruhigen, einen Ochsen schlachten und mit einem Zentner Kartoffeln verteilen lassen. Allerdings schien das keinen besonderen Eindruck gemacht zu haben. Man nahm hin, was gegeben wurde, aber Liebe entstand nicht. Infolge dessen beklagte Grönwohl beim Pfarrer seinen schlechten Ruf unter den Aufständischen. Er glaubte, mehr verdient zu haben. Der Pfarrer wies auf den abgebrannten Ziegenstall hin und nickte. Am zweiten April wurde der Tote endlich begraben, ohne daß sein Kopf gefunden worden wäre. Allgemein hielt man Grönwohl für schuldig. Anderntags marschierte die Garde der einfachen Leute, der wüste Haufe. Auf Zureden der An-führer hatte man die Fahne auf dem Schloß gelassen, worüber die Schloßbewohner sehr erbittert waren. Grönwohl reiste ab. Keinesfalls wollte er die Fahne eigenhändig übergeben, was die Garde einerseits als Beleidigung empfand und andererseits als Stolz auslegte. Als ein Kind im Basaltbruch den Kopf fand, wußte es nicht gleich, daß es der Kopf war.“
„Afghanistan, nördliche Provinzen Unterwegs in einem Toyota Land Cruiser, sieben Uhr morgens, Sack uberm Kopf, unter der Kinnlade zugebunden. Der offene Mund saugt Stoff an, da durch die Nase nicht genug Luft in die Lungen strömen will, doch tatsächlich ist es ein mentales Problem. Das Gewebe ist durchlässig, der Rest Gewohnungssache. Kann man sich daran gewöhnen? Seiner Sicht beraubt uber Bergstrasen voller Schlaglöcher zu kacheln, wahrend einem die Rückbank ins Kreuz drischt? Hängt von den Umständen ab. Selbst in weniger zivilisierten Gegenden gibt es nicht viele Gründe, jemandem eine muffige schwarze Kapuze über den Kopf zu stuüpen. Entweder wird man gleich darauf erschossen oder aufgehängt, womit sich die Frage nach der Gewöhnung erübrigt hat. Oder man wird verschleppt, hört den gelassenen Schritt des Folterers nahen, seine freundliche Stimme, bevor er einem die Hölle bereitet, solcherlei Unannehmlichkeiten. Dritte Moglichkeit, man trägt das Ding freiwillig, weil der Fahrer nicht will, dass man sich später an die Route erinnert. Hagen weis, dass Björklund neben ihm weniger gut mit der Situation zurechtkommt. Sein Asthma macht ihm zu schaffen. Ihn selbst stört eigentlich nur, dass sich irgendwann mal jemand in seinen Sack erbrochen haben muss. Der Stoff ist sauber, also gewaschen, aber manche Gerüche setzen sich für alle Zeiten fest. Weniger die Moleküle selbst konservieren die Vergangenheit, als vielmehr die Umstände ihres Hineingelangens, etwa so, wie sich die Gedanken Verstorbener in einem Geisterhaus einnisten. Hagen mag sich nicht vorstellen, welches Schicksal der arme Teufel durchleiden musste, der die Kapuze vollgekotzt hat. Möchte glauben, dass er oder sie das Ding ebenso aus freien Stücken getragen hat wie sie beide in diesem Moment, und weis es doch besser. War es Marianne Degas, Max Keller oder Walid Bakhtari? Welchem der drei sind unter dem Stoff, der ihn vorubergehend erblinden lasst, Nerven und Magenwande entgleist?“
“Katie Finglas was coming to the end of a tiring day in the salon. Anything bad that could happen had happened. A woman had not told them about an allergy and had come out with lumps and a rash on her forehead. A bride’s mother had thrown a tantrum and said that she looked like a laughingstock. A man who had wanted streaks of blond in his hair became apoplectic when, halfway through the process, he had inquired what they would cost. Katie’s husband, Garry, had placed both his hands innocently on the shoulders of a sixty-year-old female client, who had then told him that she was going to sue him for sexual harassment and assault. Katie looked now at the man standing opposite her, a big priest with sandy hair mixed with gray. “You’re Katie Finglas and I gather you run this establishment,” the priest said, looking around the innocent salon nervously as if it were a high-class brothel. “That’s right, Father,” Katie said with a sigh. What could be happening now? “It’s just that I was talking to some of the girls who work here, down at the center on the quays, you know, and they were telling me . . .” Katie felt very tired. She employed a couple of high school dropouts: she paid them properly, trained them. What could they have been complaining about to a priest? “Yes, Father, what exactly is the problem?” she asked. “Well, it is a bit of a problem. I thought I should come to you directly, as it were.” He seemed a little awkward. “Very right, Father,” Katie said. “So tell me what it is.” “It’s this woman, Stella Dixon. She’s in hospital, you see . . .” “Hospital?” Katie’s head reeled. What could this involve? Someone who had inhaled the peroxide? “I’m sorry to hear that.” She tried for a level voice. »
“The Secret Service holds much that is kept secret even from very senior officers in the organization. Only M. and his Chief of Staff know absolutely everything there is to know. The latter is responsible for keeping the Top Secret record known as The War Book' so that, in the event of the death of both of them, the whole story, apart from what is available to individual Sections and Stations, would be available to their successors. One thing that James Bond, for instance, didn't know was the machinery at Headquarters for dealing with the public, whether friendly or otherwise — drunks, lunatics, bona fide applications to join the Service, and enemy agents with plans for penetration or even assassination. On that cold, clear morning in November he was to see the careful cog-wheels in motion. The girl at the switchboard at the Ministry of Defence flicked the switch to 'Hold' and said to her neighbour, 'It's another nut who says he's James Bond. Even knows his code number. Says he wants to speak to M. personally.' The senior girl shrugged. The switchboard had had quite a few such calls since, a year before, James Bond's death on a mission to Japan had been announced in the Press. There had even been one pestiferous woman who, at every full moon, passed on messages from Bond from Uranus where it seemed he had got stuck while awaiting entry into heaven. She said, 'Put him through to Liaison, Pat.' The Liaison Section was the first cog in the machine, the first sieve. The operator got back on the line: 'Just a moment, sir. I'll put you on to an officer who may be able to help you.' James Bond, sitting on the edge of his bed, said, 'Thank you.' He had expected some delay before he could establish his identity. He had been warned to expect it by the charming 'Colonel Boris' who had been in charge of him for the past few months after he had finished his treat-ment in the luxurious Institute on the Nevsky Prospekt in Leningrad. A man's voice came on the line. 'Captain Walker speaking. Can I help you?' James Bond spoke slowly and clearly. 'This is Commander James Bond speaking. Number 007. Would you put me through to M., or his secretary, Miss Moneypenny. I want to make an appointment.' Captain Walker pressed two buttons on the side of his telephone. One of them switched on a tape recorder for the use of his department, the other alerted one of the duty officers in the Action Room of the Special Branch at Scotland Yard that he should listen to the conversation, trace the call, and at once put a tail on the caller."
Ian Fleming (28 mei 1908 – 12 augustus 1964) Cover DVD
“Men moet zich denken, dat hij zoo den slaap betrad: Hij stond voor de deur van een somber huis. Dat is direct al een ding om een kind schrik aan te jagen. Hij was daar echter al over heen. Toen hij voor de eerste maal voor die deur stond had hij geaarzeld nu niet meer, hij had het zich al zoo vaak gedroomd. Hij duwde tegen de deur, die langzaam dan open week en trad binnen in een hoog vertrek, waar langs de wanden het keukengerei van zijn harde moeder hing. Daar was ook de houten lepel bij, waarmee ze hem eens een bloedende wond aan het hoofd geslagen had. Dat keukengerei en die lepel hingen daar in een honderd-jarige rust. Hij kon wel angstig zijn, maar dan niet voor de rustende requisieten van die vrouw, meer voor de duisternis. Daar kwam hij echter spoedig uit door een tweede deur, die vanzelf open ging. Zoo wordt de slaap een sprookje, nietwaar? Als hij dan die tweede deur achter zich had, zag hij op naar een nachtelijken hemel met drie, vier heldere sterren. Daaronder lag een smalle straat; weerzijds stonden zwarte huizen zonder vensters. Boven het laatste huis welft roerloos, bijna gelijkend op een Moskeedak, de kroon van een zware palm. Een ijzerzware kroon van een palm. Als hij aan ijzer denkt, wordt hij plotseling erg vermoeid. Hij haast zich voort: de laatste phase van dezen wonderlijken ingang tot den slaap, waarvan niemand ooit den zin zal leeren verstaan. De smalle straat loopt met trappen omhoog, daalt dan plotseling af, met breede trappen eerst, die al smaller worden. De dalingshoek wordt grooter, de straat glijdt omneer in een steeds steiler wordende diepte, een koker, een put. Hij bevindt zich daarin en voelt zich niet duizelig - hij weet immers: zoo is de ingang tot den slaap, elke nacht - en hij daalt steeds dieper. Heel ver beneden ziet hij opeens zijn hoofd, een schaduw, weerspiegelen in water. Hij denkt, dat het water is, doch hij heeft zich daarvan nooit kunnen overtuigen, omdat hij dàn, plotseling, is waar hij moet zijn: in de vergetelheid, in de rust, in den slaap......”
Sjoerd Leiker (28 mei 1914 - 15 december 1988) Carillon in het centrum van Drachten
De Amerikaanse schrijfster Meg Wolitzerwerd geboren op 28 mei 1959 in Brooklyn, New York, als dochter van Hilma Wolitzer (geboren Liebman), ook een schrijfster, en Morton Wolitzer, een psycholoog. Ze werd Joods opgevoed en studeerde creatief schrijven aan het Smith College en studeerde in 1981 af aan de Brown University. Ze schreef haar eerste roman, “Sleepwalking”, toen zij nog een undergraduate was; het werd gepubliceerd in 1982. Zij publiceerde vervolgens “Hidden Pictures” (1986), “This Is Your Life” (1988), “Surrender, Dorothy” (1998), “The Wife” (2003), “The Position” (2005), “The Ten-Year Nap” (2008), “The Uncoupling” (2011 ) en “The Interestings” (2013). Haar korte verhaal "Tea at the House" werd opgenomen in de Best American Short Stories-Collection van 1998. Haar roman voor jongere lezers, “The Fingertips of Duncan Dorfman”, verscheen in 2011. Ze was ook co-auteur, met Jesse Green, van een boek met cryptische kruiswoordpuzzels: “Nutcrackers: Devilishly Addictive Mind Twisters for the Insatiably Verbivorous” (1991), en schreef over de relatieve moeilijkheid waarmee vrouwelijke schrijvers geconfronteerd worden bij het verkrijgen van lovende kritieken. Wolitzer doceerde creatief schrijven aan de Writers 'Workshop van de University of Iowa, Skidmore College, en was recentelijk een gastschrijfster aan de Princeton University. In het afgelopen decennium heeft ze ook lesgegeven in het MFA-programma van Stony Brook Southampton in het Creative Writing-programma en de Southampton Writers Conference en de Florence Writers Workshop. Drie films zijn gebaseerd op haar werk; “This Is My Life”, geregisseerd door Nora Ephron, de in 2006 gemaakte televisievideo, “Surrender, Dorothy” en het drama “The Wife” uit 2017, met in de hoofdrol Glenn Close.
Uit: The Wife
“The moment I decided to leave him, the moment I thought, enough, we were thirty-five thousand feet above the ocean, hurtling forward but giving the illusion of stillness and tranquility. Just like our marriage, I could have said, but why ruin everything right now? Here we were in first-class splendor, tentatively separated from anxiety; there was no turbulence and the sky was bright, and somewhere among us, possibly, sat an air marshal in dull traveler’s disguise, perhaps picking at a little dish of oily nuts or captivated by the zombie prose of the in-flight magazine. Drinks had already been served before takeoff, and we were both frankly bombed, our mouths half open, our heads tipped back. Women in uniform carried baskets up and down the aisles like a sexualized fleet of Red Riding Hoods. “Will you have some cookies, Mr. Castleman?” a brunette asked him, leaning over with a pair of tongs, and as her breasts slid forward and then withdrew, I could see the ancient mechanism of arousal start to whir like a knife sharpener inside him, a sight I’ve witnessed thousands of times over all these decades. “Mrs. Castleman?” the woman asked me then, in afterthought, but I declined. I didn’t want her cookies, or anything else. We were on our way to the end of the marriage, heading toward the moment when I would finally get to yank the two-pronged plug from its holes, to turn away from the husband I’d lived with year after year. We were on our way to Helsinki, Finland, a place no one ever thinks about unless they’re listening to Sibelius, or lying on the hot, wet slats of a sauna, or eating a bowl of reindeer. Cookies had been distributed, drinks decanted, and all around me, video screens had been arched and tilted. No one on this plane was fixated on death right now, the way we’d all been earlier, when, wrapped in the trauma of the roar and the fuel-stink and the distant, braying chorus of Furies trapped inside the engines, an entire planeload of minds—Economy, Business Class, and The Chosen Few—came together as one and urged this plane into the air like an audience willing a psychic’s spoon to bend. Of course, that spoon bent every single time, its tip drooping down like some top-heavy tulip. And though airplanes didn’t lift every single time, tonight this one did. Mothers handed out activity books and little plastic bags of Cheerios with dusty sediment at the bottom; businessmen opened laptops and waited for the stuttering screens to settle. If he was on board, the phantom air marshal ate and stretched and adjusted his gun beneath a staticky little square of Dynel blanket, and our plane rose in the sky until it hung suspended at the desired altitude, and finally I decided for certain that I would leave my husband. Definitely. For sure. One hundred percent. Our three children were gone, gone, gone, and there would be no changing my mind, no chickening out.”
De Mexicaanse dichteres en journaliste Dolores Doranteswerd in 1973 geboren in Veracruz aan de Golf van Mexico, maar groeide op in Ciudad Juárez, vlak naast El Paso, net over de grens in de VS. Het sociaaleconomisch geweld en het politiek gemotiveerde dagelijks geweld in de omgeving waarin zij hier opgroeide hebben haar als dichteres, journaliste en maatschappelijk-cultureel werkster gevormd. Dorantes beschuldigde de Mexicaanse regering openlijk van het falen om het geweld te stoppen. En samen met haar mede-activisten werd ze geïntimideerd en bedreigd vanwege dit krachtige standpunt en haar vanwege haar journalistieke werk. Toen de bedreigingen bijzonder gewelddadig werden, werd ze gedwongen naar El Paso te vluchten zonder iemand van haar plannen op de hoogte te stellen. In de VS vroeg ze politiek asiel aan, dat ze uiteindelijk in 2013 ontving, en op dat moment woonde ze in Los Angeles. Dorantes studeerde Spaanse literatuur aan de Autonome Universiteit van Ciudad Juárez. Zij publiceerde negen poëzie- en prozabundels, waaronder: “Poemas para niños” (Gedichten voor kinderen, 1999), “Para Bernardo: un eco” (Voor Bernardo: een echo, 1997), “sexoPUROsexoVELOZ (2004), “Estillo” (Stijl, 2011) en een bundel met proza “Lola (cartas cortas) (Lola (korte letters, 2002). “Poemas para niños” werd in het Engels vertaald. In 2000 ontving zij de David Alfaro Siqueiros-prijs in Chihuahua. In 2002 ontving hij de Pacmyc-prijs. Zij was een fellow van het Veracruz Institute of Culture (2001).
Branches
Branches crossing the air. Branches cutting the air. Cutting across the interminable skin of sky. Lashing the sky. Of us all you have is shreds of sky, fervor. We are shreds. Live parts of a tree. Goldwork applied painfully onto the air, the skin of air is what you have. The blue flesh of sky. Skin that you cannot trample. We want you to want to hug us. We like that you try to hold onto the sky. We like that your hands knock against the branches. We like that you direct the branches in the air. We all want you to cut us. A gust of birds. We want you to cover our mouths. The strands of your veins calmly against the skin of sky. Hold us from within the pulse, fervor.”
Above our knives
Above our knives. May they come. May other masks recognized worldwide come to give you some prize. May they come disguised as volcano or jungle. As purified water. As telephone or thirst. May they come simulating possession of fuel and breathing. May minds unite with the disguise of presidency. Questions for girls. That life sustained in the codes. May he disguised as art come to kiss our petals. Our masks will lick their masks and we’ll keep everything for ourselves. May that one come too, she disguised as light, and also that other, she disguised as rain.”