Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
29-10-2017
Am zweiundzwanzigsten Sonntage nach Pfingsten (Annette von Droste-Hülshoff)
Christus en de hoveling uit Kaferneüm door Bartholomeus Breenbergh, circa 1630 (detail)
Am zweiundzwanzigsten Sonntage nach Pfingsten Evang.: Vom kranken Sohn des Königleins
Der Sonnenstrahl, ein goldner Spieß, Prallt von des Sees kristallnen Flächen Und schwirrend um den Marmorflies Palastes Mauern will durchstechen. Auf seidnen Polstern windet sich, Die magern Ärmchen ringt das Kind, Und eine Träne bitterlich Noch möchte aus dem Auge lind, Dem halberstarrten, brechen.
Schon hat der Tod die Hand gelegt Auf seine Beute ohn' Erbarmen; Doch ob er Eis zum Herzen trägt, Noch schmilzt im Blutstrom es, dem warmen. O Jugend, Jugend, wie so fest Hast du verstrickt das Leben dir, Wie sich das Schlinggewächse preßt Mit Wurzeln dort und Fasern hier Als mit Polypenarmen!
O Anblick, stärker als ein Weib, Das Wachen, Angst und Kummer nagen! Betäubt und schwer, gleich totem Leib, Hat man die Fürstin fortgetragen. Noch weilt der Vater; wenn ein Sklav' Des Bornes frische Labung reicht, Mit zitternd kalter Hand den Schlaf Des Kindes netzt er sacht gebeugt Und flüstert leise Fragen.
Wer regt sich an des Fürsten Ohr? Menipp, der Jüngling aus Euböa. "Herr", keucht er, "hebt den Blick empor! Herr, der Prophete aus Judäa, Von dem das ganze Land erfüllt, Er kömmt, er naht Capharnaum, Und wie aus hundert Adern quillt Entgegen ihm und nach und um Ein Glutstrom Galiläa."
"Sind denn die alten Götter tot, So müssen wir die neuen wahren. Es sei, es sei, und meine Not Mag sich dem Volke offenbaren!" Die Rosse stampfen. Einmal schaut Der Vater auf sein sterbend Kind, Und nun voran! - "Was rauscht so laut? Was streicht am Berge wie ein Wind?" "Herr, des Propheten Scharen!"
O, wie die Angst den Stolz zerbricht! Demütig, zitternd, als zur Frohne, Er weiß es nicht, zu wem er spricht, Doch wie der Sklave vor dem Throne, Gebrochen steht der reiche Mann. Die bleiche Lippe zuckt vor Schmerz, Und heißer, als das Wort es kann, Viel heißer fleht das bange Herz: "Hilf, Rabbi, meinem Sohne!"
Ein Murmeln durch die Masse geht, Erwartend sich die Wangen färben. "Wenn ihr nicht Wunderzeichen seht, Dann muß der Zweifel euch verderben!" So spricht der Heiland abgewandt. Unwillig rauscht es in dem Kreis; Doch angstvoll hebt sich eine Hand, Und wie ein Seufzer quillt es leis: "Rabbi, mein Sohn will sterben!"
Du hast geglaubt, und wärst du arm Wie Irus, was dich immer quäle, Du wahrhaft Reicher, liebewarm Hast einen Schatz, den Keiner zähle! O der in dir, als Alles brach, Es machen konnte froh und still, Hat er gehört mich, als ich sprach: Herr, meine Seele sterben will; O Herr, hilf meiner Seele!
Annette von Droste-Hülshoff (10 januari 1797 – 24 mei 1848) Het graf van de dichteres met ernaast een klein borstbeeld in Meersburg
„Die Suche nach der verlorenen Zeit ist nicht gerade für den Plot berühmt. Niemand greift zu Proust, wenn er wissen will, ob Comte Rodolphe die Marquise de la Motte kriegt oder nicht. Es ist nicht die Neugier danach, wie es weitergeht, die einen durch die Seiten zieht. Man will bei Proust erfahren, wie der Comte duftet und welche eingebildete körpereigene Ausdünstung er mit seinem Vetiver-Parfum zu überdecken sucht, man will erfahren, wie die Marquise ihm ihre rechte Hand hinzuhalten pflegt und warum sie parallel dazu mit ihrem linken Daumen und Zeigefinger am eigenen Ohrläppchen zupft. Man will spüren, wie zart ihre Haut ist. Man will das alles Satz für Satz, Wort für Wort schmecken, riechen, empfinden. Die Sprache ist der Inhalt. Wenn da steht Stuhl, dann will der Leser sich auf ihn setzen können. Es geht um jedes noch so kleine Detail, um jeden Augenaufschlag, alles mikroskopisch genau. Ich stelle mir das Original sinnlich betörend, fast hypnotisch vor, von laborhafter Präzision, die keinen noch so kleinen Flüchtigkeitsfehler duldet. Durch solche uns/und-Verwechslungen beginne ich jedoch im Unterbewusstsein an der Sauberkeit des ganzen Experiments zu zweifeln. Ich frage mich, ob die Übersetzung, die ich lese (Eva Rechel-Mertens), vielleicht nicht allzu sorgfältig gemacht wurde? Ich frage mich beispielsweise, ob sie vielleicht eine Spur zu akademisch ist, da ich von ihr vor allem zerebral gefordert und nicht unbedingt sinnlich entführt werde. Ein Beispiel: »... in der alten Herberge zum >Oiseau Flesche<, aus dessen Kellerfenstern ein Küchengeruch aufsteigt, der noch manchmal genauso intermittierend und warm in meiner Erinnerung wiederkehrt ...« Erstens wusste ich nicht, was intermittierend heißt. Musste nachschlagen. Nun kann man sagen, Proust habe eben nicht für Dummerchen, sondern für gebildete Leute geschrieben. Das akzeptiere ich. Doch vermute ich, dass er eher von so etwas wie beispielsweise »warmen Schwaden« geschrieben hat, die »aus der Erinnerung heranwehen.".
Ein paar einprägsame Fotos werden immer geschossen aus solchem Anlaß etwa an einer Straße wo dann zwei Männer liegen wovon der eine noch lebt während das Foto geschossen wird.
Ende der Partie
Wir legen die Schmerzen ab (den Schmerz) die Bitterkeiten (die Bitterkeit) die Träume (den Traum) und die Worte (das Wort) jene Karte die endlich zeitlupenhaft den ganzen Stapel ins Rutschen bringt
Hitlerjunge, Frühjahr '45
Am Wenzelsplatz im Kino-Uterus (das .Braunhemd unterm Lodenmantel gut verborgen) nährt er sich vom Überfluß der Bilder wie von einem süßen Blut
So russengelb wälzt sich die Moldau, föhnig erglänzt der Himmel wie von Wunderwaffen Hilfts Heilig Vaterland / Der Preußenkönig zu singen wenn sie an den Straßen gaffen?
Es gibt schon welche die vor einem spucken und Mutter muß das Führerbild verstecken Beim Boxen hin ich wieder der Verlierer
Doch nach dem Dienst seh ich die Fähnleinführer in Hauseingängen oder dunklen Ecken Hey-ba-ba-reeba! konvulsivisch zucken
II a street where no dog barks is a dead street the dogs with lolling tongues pant and grab the pants of a passing poet the poet takes off his pants and his shirt and naked as the day he was born escapes into the world the dogs bark and run from one street to another a poet who forgets all his words doesn't have any weight he turns into a straw in the wind. The wind howls in the howling of the wolves The wolves escape in the snow which is burying the streets.
Vertaald door Lyn Coffin
Mohsen Emadi (Sari, 29 oktober 1976)
De Engelse schrijver Lee Child (pseudoniem van Jim Grant) werd geboren op 29 oktober 1954 in Coventry. Zie ook alle tags voor Lee Childop dit blog.
Uit: Make Me
“Only one thing went wrong, and it happened right then. The evening train came through five hours late. The next morning they heard on the AM station that a broken locomotive had caused a jam a hundred miles south. But they didn't know that at the time. All they heard was the mournful whistle at the distant crossing, and then all they could do was turn and stare, at the long lit cars rumbling past in the middle distance, one after the other, like a vision in a dream, seemingly forever. But eventually the train was gone, and the rails sang for a minute more, and then the tail light was swallowed by the midnight darkness, and they turned back to their task. Twenty miles north the train slowed, and slowed, and then eased to a hissing stop, and the doors sucked open, and Jack Reacher stepped down to a concrete ramp in front of a grain elevator as big as an apartment house. To his left were four more elevators, all of them bigger than the first, and to his right was an enormous metal shed the size of an airplane hangar. There were vapor lights on poles, set at regular intervals, and they cut cones of yellow in the darkness. There was mist in the nighttime air, like a note on a calendar. The end of summer was coming. Fall was on its way. Reacher stood still and behind him the train moved away without him, straining, grinding, settling to a slow rat-a-tat rhythm, and then accelerating, its building slipstream pulling at his clothes. He was the only passenger who had gotten out. Which was not surprising. The place was no kind of a commuter hub. It was all agricultural. What token passenger facilities it had were wedged between the last elevator and the huge shed, and were limited to a compact building, which seemed to have both a ticket window and benches for waiting. It was built in a traditional railroad style, and it looked like a child's toy, temporarily set down between two shiny oil drums.But on a sign board running its whole length was written the reason Reacher was there: Mother's Rest. Which he had seen on a map, and which he thought was a great name for a railroad stop. He figured the line must cross an ancient wagon train trail, right there, where something had happened long ago. Maybe a young pregnant woman went into labor. The jostling could not have helped. Maybe the wagon train stopped for a couple of weeks. Or a month.”
Lee Child (Coventry, 29 oktober 1954)
De Amerikaanse schrijver, journalist en filmproducent Dominick Dunnewerd geboren 29 oktober 1925 in Hartford, Connecticut. Zie ook alle tags voor Dominick Dunne op dit blog.
Uit:Too Much Money
“I tried to distract myself from my troubles by focusing on party planning. When my birthday party guest list grew to over three hundred, and I was only at the P's, I realized I would have to rethink things. I know entirely too many people. Although I have several very serious enemies in important positions, I hope not to appear immodest when I say that I am a popular fellow, who gets asked to the best parties in New York, Los Angeles, London, and Paris, and goes to most of them. I decided to limit my party to eighty-five people, which is the age that I will soon be. It was so difficult to hone my friends to eighty-five. It doesn't even scratch the surface. Eighty-five, in fact, really means forty-something, with wives, husbands, lovers, and partners making up the other forty or so. There would be hurt feelings, to be sure. That's why I don't like to give parties. I go about a great deal in social life, but I never reciprocate. The spacious terrace of my penthouse in the Turtle Bay section of New York City, where I have lived for twenty-five years, has a view of the East River, and could easily hold a hundred people or more without much of a squeeze, but I have never once entertained there. I felt, however, as if I deserved a party. But it was not to be, as you will find. Things happen. Everything changes. I've noticed that concurrent with the growth of my public popularity, there is a small but powerful group of people who are beginning, or have already begun, to despise me. Elias Renthal, still in federal prison in Las Vegas as this story begins, is one of my despisers. Countess Stamirsky, Zita Stamirsky to her very few friends, is another who despises me after I refused to not write about her son's suicide from a heroin overdose while he was wearing women's clothes at the family castle in Antwerp. And, of course, there is Perla Zacharias, allegedly the third richest woman in the world, who had me followed by investigators trained by the Mossad in Israel who collected information that she later threatened to use against me. That's the kind of person Perla Zacharias is. I have written about all these powerful people in Park Avenue, or in a novel, and earned their eternal enmity. Their time would come, I always thought. Elias Renthal knew what he was screaming about when he said, "They're going to get you," his face all red and ugly, as he pointed his finger in my face, only moments before he collapsed on the floor of the men's room of the Butterfield Club.“
Dominick Dunne (29 oktober 1925 - 26 augustus 2009)
Uit: Alles is ijdelheid (Vertaald door Frans de Haan en Marianne Kaas)
“1 november 1919, 'Over drie weken heb je Picasso leren kennen,’ zei Yvan tegen me toen we op de ochtend van de eerste november 1919 in Parijs aankwamen. Korte tijd later ontmoette ik Picasso inderdaad bij de kunsthandelaar Henry Kahnweüer. Is dat nu Picasso?' vroeg ik. Veel indruk maakte hij niet op me. Ik had gedacht een reus te zien, maar ik kwam tegenover een kleine, zwijgzame man, gekleed in een verschoten gabardine te staan. Alleen aan de magnetische blik in zijn ogen kon je zien dat je met een genie te doen had. Mijn eerste dag in Parijs gaf me in kort bestek een totaalbeeld van het bestaan. Ik zag eerst in de tuin van het Luxembourg een voedster een kind de borst geven, toen een bruiloftsstoet die het stadhuis uitkwam, daarna een dronkemansruzie en ten slotte een kist op een lijkwagen die getrokken werd door vier paarden opgetuigd met dekens met zilveren sterren erop. Tot aan het vallen van de nacht liepen we rond op zoek naar een goedkoop hotel. Ten slotte kwamen we terecht in een gribus in de rue Pigalle, wat je noemt een hol van snollen en souteneurs. De eerste nacht al werden we ruw uit onze slaap gewekt door een afschuwelijk gekrijs. 'Help! Help! Ze vermoorden me!' Gewapend met een stoel rende Yvan de gang op. Hij hoefde zijn heldhaftigheid niet te bewijzen: een pooier gaf een tippelaarster een aframmeling, dat was alles...”
Op najaarsdagen zonder zon mag meneer Cogito graag de vuile buitenwijken bezoeken. Een zuiverder bron van melancholie - zegt hij - bestaat er niet.
Huizen in de buitenwijk met kringen onder de ramen huizen die zacht hoesten huiveringen van pleisterwerk huizen met dun haar een zieke huid
alleen de schoorstenen dromen hun schrale klacht bereikt de zoom van het bos de oever van een groot water
ik zou namen voor jullie willen verzinnen jullie vullen met de geur van Indië het vuur van de Bosporus het rumoer van watervallen
huizen in de buitenwijk met ingevallen slapen huizen kauwend op een korstje brood koud als de droom van een verlamde met trappen die een palm van stof zijn huizen voortdurend te koop herbergen van ongeluk huizen die nooit in het theater waren
ratten van de huizen van de buitenwijk breng ze naar de kust van de oceaan laat ze plaats nemen in het hete zand laat ze de tropennacht bekijken laat een golf ze met een stormachtig applaus belonen zoals alleen verspilde levens toekomt
Vertaald door Gerard Rasch
Zbigniew Herbert (29 oktober 1924 – 28 juli 1998) In 1955
Uit: Global Suprasociety and Russia (Vertaald door Helen Shelestiuk)
“The word 'tragedy' itself is polysemantic, its meaning is rather fuzzy for a scientific concept. But this holds true for most other terms of sciences, studying social objects. So I think its use is quite justifiable. If we wish to understand the essence of what happened to Russia and the Russian people at the end of the 20th century and what we can expect to come in the 21st century, we should study this concept carefully. In everyday speech we commonly use the word 'tragedy' to denote events, which cause loss of lives of individuals or death of groups of people. Not every death may be called 'tragedy'. For example, this word will be used inaccurately to denote death of soldiers in a war. To call death a tragedy, one has to refer to his/ her own or other people's experience of this death as a tragedy. And this experience has to be so strong, that all other experiences fade in its face. In antiquity the meaning of tragedy had a narrower meaning - it included the semantics of predetermined death of certain people. Their death was predetermined by some supreme powers - gods or Fate. Gods victimized an individual, motivating it by a certain 'guilt' of the selected victim and sentencing him or her to death. The tragedy in this sense was predictable - it was predicted by oracles, prophets and gods. Sometimes victims themselves were conscious of their fate and acted as doomed to death. I will use the word 'tragedy' as a sociological concept, which is closer in its meaning to the antique understanding, rather than to its intuitive everyday usage. Tragedy in the sociological sense, or social tragedy, includes the following main components: 1) a Victimized, 2) a Judge, 3) an Executioner. All these components are people as social creatures or unities of people viewed as a whole: they are social subjects. Two of these components (or even all the three of them) may coincide in one subject - the Victimized may convict and even punish himself. Two or even three roles may be performed by the same subject, though, of course, these are logically singular cases.”
Aleksandr Zinovjev (29 oktober 1922 - 10 mei 2006) Als student in 1945
Believe me, dear, unyielding though I be, Ambitions flourish only in the sun-- In noisy daylight every race is run, With lusty pride for all the world to see.
When darkness sinks the earth in mystery, When eye or ear or sight or sound is none, But death, a tide that waits to bear us on, And life, a loosening anchor in the sea,
When time and space are huge about the soul, And ties of custom lost beyond recall, And courage as a garment in the flame,
Then all my spirit breaks without control, Then the heart opens then the hot tears fall To prove me wholly woman that I am.
Dora Read Goodale (29 oktober 1866 – 12 december 1953)
“Sommerabend. – über die Buchenwipfel droben auf den Dünenhöhen fährt ein Rauschen. In langer Kette wälzt sich das bewegliche Gold der Sonne durch die aufgescheuchten Zweige. Und zwischen den grauen Stämmen steht blaß und aufrecht das Schweigen und starrt mit seinen unbeweglichen Zügen auf die tanzende See. Das Meer aber spricht. Seine Augen sind bald tiefblau, bald purpurn, und wild blitzen sie, wenn das Element herüberruft zu den Kreidefelsen, die sich dicht unter die Wälder schmiegen wie ein weißes Knie unter ein grünes Gewand. Was das Meer ruft, das versteht niemand. Denn nur selten horcht ein menschliches Ohr in den Wind, obwohl es manchmal von dort klingt, als donnere von draußen eine Forderung herüber oder ein vergessener Schrei aus fernen Zeiten. Doch zu deuten vermag man die Sprache des Wassers nicht. Und dann liegt der ungeheure Spiegel wieder still. Das Abbild des einzelnen strahlt er niemals wider, so tief man sich auch beugt, aber die Bewegungen des Himmels malt er ab, der goldne und der silberne Wagen rollen über seine Scheibe, die Zeiten huschen über ihn hinweg, und ein Kranz von Völkern faßt ihn ein. Und in der Rüste des Tages, gerade als der purpurne Ball sich im Wasser kühlt, da steigt eine andächtige Stunde herauf. Da stockt der Tanz der Zeiten über dem Meer, der Zug der Völker wallt deutlicher, und die Vergangenheit schickt vom Rande des Horizontes ihr Schattenschiff an die Gestade der Lebendigen. Ich stehe am Ufer und sehe die Scharen aus dem Fahrzeug an mir vorüberquillen. Sie tragen meine Züge, sie reden meine Sprache, es sind Menschen, die nicht tot sind, denn der Mensch stirbt nicht auf Erden, weil sein Geschick dauert. Unvermutet bin ich selbst in den Segler der Schatten gestiegen, und ich fühle, wie ich zurückgleite in den Nebel der Jahrhunderte. Oder vorwärts?“
Georg Engel (29 oktober 1866 – 19 oktober 1931) Cover
"CASSANDRE. – Je pense qu’elle se met un peu de rouge. La paix reparaît, outrageusement fardée. LA PAIX. – Et comme cela? HÉLÈNE. – Je la vois de moins en moins. LA PAIX. – Et comme cela? CASSANDRE. – Hélène ne te voit pas davantage. LA PAIX. – Tu me vois, toi, puisque tu me parles! CASSANDRE. – C’est ma spécialité de parler à l’invisible. LA PAIX. – Que se passe-t-il donc? pourquoi les hommes dans la ville et sur la plage poussent-ils ces cris? CASSANDRE. – Il paraît que leurs dieux entrent dans le jeu et aussi leur honneur. LA PAIX. – Leurs dieux! Leur honneur! CASSANDRE. – Oui… Tu es malade! Le rideau tombe. ACTE DEUXIÈME Square clos de palais. À chaque angle, échappée sur la mer. Au centre un monument, les portes de la guerre. Elles sont grandes ouvertes. SCÈNE PREMIÈRE HÉLÈNE, LE JEUNE TROÏLUS HÉLÈNE. – Hé, là-bas! Oui, c’est toi que j’appelle!… Approche! TROÏLUS. – Non. HÉLÈNE. – Comment t’appelles-tu? TROÏLUS. – Troïlus. HÉLÈNE. – Viens ici! TROÏLUS. – Non. HÉLÈNE. – Viens ici, Troïlus!… (Troïlus approche.) Ah! te voilà! Tu obéis quand on t’appelle par ton nom: tu es encore très lévrier. C’est d’ailleurs gentil. Tu sais que tu m’obliges pour la première fois à crier, en parlant à un homme? Ils sont toujours tellement collés à moi que je n’ai qu’à bouger les lèvres. J’ai crié à des mouettes, à des biches, à l’écho, jamais à un homme. Tu me paieras cela… Qu’as-tu? Tu trembles?"
Jean Giraudoux(29 oktober 1882 - 31 januari 1944) The Reconciliation of Helen and Paris after his Defeat by Menelaus door Richard Westall, ca.1805
Nouveau cultivateur, armé d'un aiguillon, L'Amour guide le soc et trace le sillon ; Il presse sous le joug les taureaux qu'il enchaîne. Son bras porte le grain qu'il sème dans la plaine. Levant le front, il crie au monarque des dieux : " Toi, mûris mes moissons, de peur que loin des cieux Au joug d'Europe encor ma vengeance puissante Ne te fasse courber ta tête mugissante.
J'étais un faible enfant qu'elle était grande et belle
J'étais un faible enfant qu'elle était grande et belle ; Elle me souriait et m'appelait près d'elle. Debout sur ses genoux, mon innocente main Parcourait ses cheveux, son visage, son sein, Et sa main quelquefois, aimable et caressante, Feignait de châtier mon enfance imprudente. C'est devant ses amants, auprès d'elle confus, Que la fière beauté me caressait le plus. Que de fois (mais, hélas ! que sent-on à cet âge ?) Les baisers de sa bouche ont pressé mon visage ! Et les bergers disaient, me voyant triomphant : " Ô que de biens perdus ! ô trop heureux enfant ! "
André Chénier (29 oktober 1762 – 25 juli 1794) Portret door Louis Léopold Boilly, 1790
`1978, 79, 8o,' mompelde hij, '81, 82,, 84.' Hij zette een stap terug en keek naar de metershoge wand, systematisch samengepakte kennis in vuistdikke groene, rode en blauwe banden. Vreemd, dacht hij, en hij legde een vinger op zijn kin. De jaargang 1983 was verdwenen zonder dat de band een gat op de plank had achtergelaten, als een tevreden echtpaar schurkten de banden 1982, en 1984 tegen elkaar aan. Ook elders zag hij de ontbrekende jaargang niet. Hij ging naar de uitgiftebalie, waar het meisje in alle rust wat tabak in een vloeitje rolde. Enigszins ineengebogen bleef hij voor haar staan en bekeek haar handen. Hij rook de tabak, een geur die hij onaangenaam vond. `Wat is er?' vroeg ze. 'Heb je nog nooit iemand een sjekkie zien draaien?' De leeszaal aan de Papengracht, keurig verscholen achter het statige Museum van Oudheden, was op het tweetal na verlaten. De meeste lampen waren al uitgedaan, de lamellen dichtgedraaid. `Zou u mij misschien even kunnen assisteren? Het gaat om de journal of Etruscan Studies. Ik kan volume 37 uit 1983 nergens vinden.' `Zeg maar jij. Ik ben gewoon een student met een baantje.' Ze stopte haar vloei en tabak terug in het pakje en liep met hem mee. Tousvoyeren is een mooie academische traditie. Het is niet aan mij daarvan af te wijken. Kijk, hier zou het moeten staan, tussen de volumes 36 en 38.' Hij wees naar een plank op ooghoogte. `Misschien heeft iemand het geleend. Dat kan ik wel even opzoeken.' `Geleend? Tijdschriften worden nooit uitgeleend.' `Tja.' Met twee handen voelde ze aan haar paarse hoofddoek en verstelde deze aan de achterkant. 'Mevrouw Devilee gedoogt weleens wat. Een enkele hoogleraar mag soms iets meenemen. Jagtman doet het regelmatig, en ook Singaar van Archeologie. Er is verder toch geen hond die deze tijdschriften leest, zeker die oude jaargangen niet. In mijn taakomschrijving staat dat ik eens in de paar weken een rondje langs de diverse vakgroepen moet lopen om alle meegenomen werken weer op te halen.' `Als Jagtman het heeft meegenomen had ik dat zeker geweten, zijn werkkamer is naast de mijne.'
De Nederlandse dichter en schilder Michel van Stratum werd geboren in Goirle op 29 oktober 1970. Van Stratum studeerde enkele jaren culturele antropologie aan de Universiteit van Nijmegen. Hij begon al op jonge leeftijd met het schrijven van gedichten. Daarnaast schildert en tekent hij. Hij debuteerde in 2005 met de bundel “De viering van de tovenaar”. In 2014 verscheen de bundel “Glimwormen”.
De wandeling
Gisteren liep ik de hele tijd Enkel wat te struinen Over de paden der vergankelijkheid Ik zou me weerloos hebben verstapt Als ik de drassige plaveisels
Niet grondig aan mijn laars had gelapt...
Eenvoud in duizendvoud
Ik maak een vreugdedans Om een wilde steen En raak in trance Van graspollen en van geen
Het zijn de eenvoudigste rituelen Die ik uitbundig bezing Stoeptegels grijze en gele Die ik moeiteloos beding
Ik huiver van een woord Hoor geluiden nog nooit gehoord Kies muziek zonder stem-rem Ontdoe het bestaan van een klem
De dorst van mijnhoofd Gelegen op een kussen Wordt niet gelest
"The benefits of the plan are twofold" — she was speaking by the book now with a vengeance — "financial and psychological. You, Mr. Barlow, are now approaching your optimum earning phase. You are no doubt making provision of many kinds for your future — investments, insurance policies and so forth. You plan to spend your declining days in security but have you considered what burdens you may not be piling up for those you leave behind? Last month, Mr. Barlow, a husband and wife were here consulting us about Before Need Provision. They were prominent citizens in the prime of life with two daughters just budding into womanhood. They heard all particulars, they were impressed and said they would return in a few days to complete arrangements. Only next day those two passed on, Mr. Barlow, in an automobile accident, and instead of them there came two distraught orphans to ask what arrangements their parents had made. We were obliged to inform them that no arrangements had been made. In the hour of their greatest need those children were left comfortless. How different it would have been had we been able to say to them: 'Welcome to all the Happiness of Whispering Glades.' " "Yes, but you know I haven't any children. Besides I am a foreigner. I have no intention of dying here." "Mr. Barlow, you are afraid of death." "No, I assure you." "It is a natural instinct, Mr. Barlow, to shrink from the unknown. But if you discuss it openly and frankly you remove morbid reflexions. That is one of the things the psycho-analysts have taught us. Bring your dark fears into the light of the common day of the common man, Mr. Barlow. Realize that death is not a private tragedy of your own but the general lot of man. As Hamlet so beautifully writes: 'Know that death is common; all that live must die.' Perhaps you think it morbid and even dangerous to give thought to this subject, Mr. Barlow, the contrary has been proved by scientific investigation. Many people let their vital energy lag prematurely and their earning capacity diminish simply through fear of death. By removing that fear they actually increase their expectation of life. Choose now, at leisure and in health, the form of final preparation you require, pay for it while you are best able to do so, shed all anxiety. Pass the buck, Mr. Barlow; Whispering Glades can take it."
Evelyn Waugh (28 oktober 1903 – 10 april 1966) Scene uit de gelijknamige film uit 1965 met Robert Morse als Dennis Barlow (links)
„Komischerweise ist mir die Frage, wo Deutsch-land am schönsten ist, in diesem Dreivierteljahr kaum gestellt worden. Aber oft bin ich gefragt worden, wo Deutschland denn am schlimms-ten sei. So merkwürdig gehen wir Deutsche mit unserem Land um. Eigentlich haben wir es gar nicht verdient. Also: Am schlimmsten war es nirgends. Außerdem setzt sich diese Beurteilung immer aus mehreren Komponenten zusammen. Das schlimmste Hotelzimmer sah ich in Hildes-heim, aber da war die Lesung sehr schön. Die merkwürdigste Lesung fand im Kursaal in Wyk auf Föhr statt, aber die Insel ist großartig. Das beste Hotel hatte ich in Regensburg, die schöns-ten Frauen sah ich in Dresden. Die brutalsten Städte sind Pforzheim und Dortmund, die hei-meligsten Bamberg und Lübeck. Das Publikum in Oldenburg ist so einmalig gutgelaunt wie sonst nur in Velhnar, das in Andernach klimpert bei Lesungen gern mit Eiswürfeln, und in Ham-burg hat man es schwer. Eckernförde glänzt toll in der Sonne, die Erlanger lachen gerne, in Pas-sau gibt es Studenten und in Jork Äpfel. In Bielefeld haben sie hinterm Bahnhof Junkies, und in Hagen frittiert man die Hot Dogs. In Hannover war ich albern, in Braunschweig er-kältet, in Erkrath verkatert und in Ennepetal gerührt. In Celle ging ich zum Arzt, in Freiburg ins Krankenhaus und fast überall in Kirchen, weil es sie überall gibt und man sie leicht findet. Die Kirchen sind im Norden heller als im Süden. Dafür sind die Städte im Süden reicher als im Norden. In Bremen gibt es Weltklasse-Currywurst, in Erfurt ein Oktoberfest, in Rottenburg einen Bischof, in Leipzig eine Messe, in Lübeck ein Marzipanmuseum und in Karlsruhe einen Zoo. Thüringen ist wunderschön, der Kraichgau herrlich, Brake klein, Duisburg staubig und Koblenz frostig.“
“Dikke koe, zegt de witte mens, gij vervloekte vermaledijde dikke koe, geef mij nu ogenblikkelijk eerst een tas koffie en ga daarna bij Charlotte en Gaston een broodje met kaas en een broodje met hesp halen en laat het op de rekening zetten en vlug een beetje voor ik uw smoel ineen timmer en breng ineens een pakje witte Belga en een fles Cola en een blik spaghetti mee zodat ik straks iets te vreten heb, als we Big Jim aan 't spelen zijn. JM en de dunne man hebben vorig week Big Jim uitgevonden, ze hadden niks anders meer om handen dan Big Jim uit te vinden, ze hadden alle boeken al gelezen en alle platen al gedraaid, Bob Dylan voorop, Hemingway op kop, de dunne man was op de valreep geflest en jm had alle hoop op wat voor beterschap dan ook al lang opgegeven, ze waren een paar dagen en een paar nachten opgebleven en al die tijd hadden ze tequila sunrise gezopen en ze hadden Big Jim uitgevonden, en sindsdien speelt iedereen aan het nummer zevenentwintig in de Lemméstraat Big Jim. Een beetje voorbij het huis van Elsschot. De witte mens en jm en Robert en Mon de baron en de zwarte heks en de dikke koe en Ludo Cleerbout en zelfs ouderling Hoskins en ouderling Lindow. Alleen Camilla de gorilla en het jong Veerle spelen niet mee en Mie Bees weet van toeten noch blazen. Camilla de gorilla en het jong Veerle slapen de slaap der onschuldigen en Mie Bees gaat langzaam maar steeds sneller dood in de voorkamer. Ze ontbindt tot overschot. Tot er niets van Mie Bees meer overblijft dan snorharen en een hooghartig naar boven gekrulde onderlip. Het gaat 'em om klaveren heer. Big Jim is klaveren heer. Wie op 't einde al z'n kaarten kwijt is en met klaveren heer blijft zitten is gewonnen. Het duurt wel een uur of zes maar 't is verschrikkelijk spannend en de hele Kring speelt nu ganse nachten Big Jim tot Camilla de gorilla en de dikke koe er dood bij neer vallen en onverrichter zake de boel op slot doen en dwars doorheen het blauwe uur naar huis gaan. Big Jim of geen Big Jim, klaveren heer of geen klaveren heer, ze doen de boel dicht. De witte mens zegt dikke koe tegen Greta, tegen Renée zegt hij zwarte heks, tegen jm grote lul, tegen Camilla de gorilla moe en Mon de baron tegen z'n vader, Carlos tegen Robert en paljas tegen Ludo Cleerbout.”
JMH Berckmans (28 oktober 1953 - 31 augustus 2008)
Here's the canzone, a form that's almost too Taxing to write, because it takes, you sec, Five stanzas of twelve lines, descending to A last tornada of five more that, to The unobservant eye, might seem no more Difficult than a sestina—maybe two Sestinas. Wrong. As we sink deep into Its stanza, there along the bottom lie The last of the five end-words which ally Their teams of meaning to give motion to This painful form (repeating words hurts so). Hereafter we must reap what now we sow.
—These words, I mean. The five words that get so Familiar, as we go, though one or two More repetitions still are easy—so It seems—that, if what one says is so, Then saying yet once more that what we see Is what we know, for instance, or that so Many moments in life are just so-so And to keep living them again is more Than we can take, is certainly no more To be deplored than never saying so. (Such truisms! But where else does truth lie? It's not the once-told tales that still apply.)
Well, here we go again. A word like "lie" Repeated at a stanza's end can so Becalm a text as almost to say "Lie Down for a moment, five-stressed line, just lie Down and relax—don't feel you're coming to The same bad end again, the usual lie Against the truth of rhyme, the pail of lye.
John Hollander (28 oktober 1929 – 17 augustus 2013)
„Wenn ich mich jetzt, wieder von einem Dachboden, an diese entruckten Winter erinnere, gehe ich auf Reisen wie damals, als ich dick eingemummt zwischen Koffern und Kartons mit Weihnachtsutensilien hockte. Zwischen mir und dem Jungen liegt mehr als die 89er Revolution und eine tiefe Flutmasse Zeit; es liegt der Abstand zweier Planeten zwischen uns, von denen der eine, das Dresden als DDR-Provinzhauptstadt, mit dem Schelfeis der Vergangenheit bedeckt ist, und der andere, das Dresden der Gegenwart, mit digitalen Benutzeroberflachen. Und es ist ein Spinnenfaden nur, von Sudsonne beglanzt, scharfrichterlich wie die Klinge eines langsam gehobenen Schwerts, der den einen Flugkorper mit dem anderen verbindet, meine Tintenmanufaktur voller Papier und Mappen mit den rotlichen Pfetten, dem Geruch nach Holz, der Spinnwebharfe in der Ecke des Dachbodenfensters Oskar-Pletsch-Strase 11, reisbrettgenau wie die Schraffur einer vorbildlich prazisen Grafikerin; Linien, myzelzart, zugleich kraftvoll – eine nach Lebendigem fischende Radierung. Wenn ich mich vor dem Fenster bucke, greift eine Baumkrone in die Wolken, die ihre Graugansbauche masten und gravitatisch, eine Kauffahrtei der Daunen, voruberziehen; eins kommt zum andern, so das ich, ein Rasiermesser aus dem Friseursalon Harand, mit Herkunftsschildchen bei Ausverkauf versehen, in der Hand, als Seiltanzer den Gang uber den Spinnwebfaden antreten kann. Der Weise Hirsch – … Friseursalon Harand: Rote Brennesseln veratzten unsere Gesichter, wenn wir, eine Horde Jungen vor der Jugendweihe oder Konfirmation, den Anweisungen des Demonstrators am eingeseiften Luftballon nicht genau Folge leisteten und die Rasiermesser falsch fuhrten; rot, das war zum Erstaunen, rote Schneewittchenflecken in Harands weisen Tuchern. Der Salon befand sich in der runden Ecke Lahmannring / Collenbuschstrase und hatte getrennte Eingange fur Damen und Herren; am Dameneingang begann die Sphare der Kaltwelle und Wasserstoffblondierungen, der Modezeitschriften und Trocknerhauben, unter denen die mit intrigengelben Lockenwicklern fixierten Frisuren gemachlich schwatzender, in der ≫FF Dabei≪ und ≫Neuen Berliner Illustrierten≪ blatternder Rentnerinnen dorrten.“
Was kann schöner sein, was kann edler sein, als von Hirten abzustammen! Da zu aller Zeit arme Hirtenleut selbst zu Königswürden kamen: Moses war ein Hirt mit Freuden, Joseph mußt in Sichem weiden; selbst der Abraham und der David kam von der Hürd und grünen Weiden.
Ja, der Herr der Welt kam vom Himmelszelt, um bei Hirten einzukehren; Laßt uns jeder Zeit arme Hirtenleut halten drum in großen Ehren. Die auf Gold und Seid' sich legen, sollten billig dies erwägen, daß der Hirten Tracht Christus nicht veracht und in Krippen dargelegen.
Johannes Daniel Falk (28 oktober 1768 – 14 februari 1826) Cover biografie
Alles betastet die Hand des Kleinen; glaubig und furchtlos Streckt er den tappenden Arm dahin und dorthin hinaus. Wasser und Flamme, Sprödes und Weiches möchte der zarte Finger versuchen, so wie, Leben, dein Muthwill’ ihn treibt.
An den Gestalten des Seyns übt seine lüsternen Kräfte So der Knab’ und in ihm reifet der Glaub’ an die Welt. Seliges Kind! Noch erzieht die Natur dich spielend, und spielend Folgst du, gegängelt von ihr, ihrem gefälligen Zug.
Sicher vertraust du dich ihr, o lern’ ihr dann auch vertrauen, Wann ihr lehrendes Wort einst an dein Inneres spricht. Daß den Menschen in dir nicht künftig die Menschen verderben, Leite die Treue dich stets mit der verborgenen Hand.
Karl Philipp Conz (28 oktober 1762 – 20 juni 1827) Lorch
Onafhankelijk van geboortedata
De Nederlandse schrijver, essayist, journalist en columnist Arjen van Veelenwerd geboren in Rotterdam in 1980. Van Veelen groeide op in een gereformeerd gezin. Hij studeerde klassieke talen in Leiden en doceerde Latijn op middelbare scholen. Van Veelen begon zijn journalistieke carrière bij het Leids universitair weekblad Mare, en schreef daarna voor diverse andere bladen, zoals Awater en Onze Taal (2004-2011). Hij verwierf bekendheid als columnist van NRC Next. Van zijn hand verschenen twee essaybundels: “Over rusteloosheid” (2010) en “En hier een plaatje van een kat & andere ongerijmdheden van het moderne leven” (2013). Zijn “Over rusteloosheid” stond op de longlist van AKO Literatuurprijs van 2010 en in 2015 won hij de Jan Hanlo Essayprijs voor “En hier een plaatje van een kat & andere ongerijmdheden van het moderne leven”. Hij verhuisde in 2014 naar St. Louis, Missouri en was van daaruit ruim een jaar 'Correspondent Klein Amerika' voor De Correspondent. Voor verschillende media, zoals het radioprogramma Met het Oog op Morgen en Nieuwsuur, deed hij verslag van de rellen in Ferguson, Missouri. In 2016 keerde hij terug naar Nederland.
Uit: En hier een plaatje van een kat & andere ongerijmdheden van het moderne leven
“Er staan olijfboompjes om me heen, een stuk of acht, terwijl ik wacht op het perron van station Amsterdam Amstel. Ze staan gepoot in plantenbakken ter hoogte van de rookpalen, als kompanen voor de wachtende forens. Ze zijn zo’n twee meter hoog, met stammen als spillebeentjes, heel anders dan de woeste knokige olijfbomen op de schilderijen van Vincent van Gogh. In ons klimaat zijn het exoten, anomalieën, als goudvisjes die zijn uitgezet in een boerensloot. Vlak na de eeuwwisseling kwamen ze opgerukt uit het zuiden. Er verschenen olijfjes op vensterbanken en in voortuintjes van eengezinswoningen. Er kwamen olijfjes op caféterrassen. Soms arriveerden ze zelfs als complete bossen. Zoals op het Mr. Visserplein in Amsterdam, waar de gemeente vijfentwintig Spaanse olijfbomen plantte. De oudste telden al 350 jaarringen. Elke winter, als het vriest, krijgen ze een ‘boomjas’ tegen de kou. Wat kwamen ze hier doen? Is dit nu globalisering? Of is het een voorbode van een klimaatverandering? Staan er in Italië op de perrons soms ook Hollandse knotwilgjes op de perrons, voor de sier? De olijfboom was ooit een heilige boom. Het was de eerste wilde boom die de mens wist te temmen, duizenden jaren geleden. De Griekse dichter Homerus bezong hem. De Bijbel en de Koran noemen hem een godsgeschenk. ‘Symbool voor vrede, trouw en liefde’ – die tekst komt dan weer van de webshop van Dille & Kamille, ‘winkels met een ziel’, waar je de boompjes ook kunt kopen. Maar de olijfboompjes op het station vertellen een ander verhaal. Een reiziger vertoeft gemiddeld zeven minuten op een station, blijkt uit wetenschappelijk onderzoek. Maar het interessante is: hij schat die wachttijd gemiddeld dubbel zo hoog in. Als een kwartiertje dus. Net als gevoelstemperatuur bestaat er ook gevoelstijd. In het jargon van de Spoorwegen heet dat: wachttijdbeleving. En die wachttijdbeleving kun je manipuleren. In zijn onderzoek “Waiting experiences at train stations” (2011) beschrijft Mark van Hagen, senior projectleider strategisch onderzoek van de NS, hoe je de gevoelstijd kunt inkorten door de juiste maatregelen te treffen. Reizigers blijken bijvoorbeeld rustig te worden van een stationshal met overwegend koele kleuren, zoals blauw en groen. Ook ‘belevingsmaatregelen’ als muziek of videoschermen met entertainment zijn van invloed. Aan het begin van dit millennium begonnen de treinstations in Nederland een voor een van karakter te veranderen. Dat waren de jaren van de Grote Verbouwing. De stations werden niet alleen uit noodzaak verbouwd, maar ook omdat treinstations ‘belevenisplatforms’ moesten worden. De gedachte was om de reiziger te verleiden langer op het station te vertoeven, terwijl hij die wachttijd toch als korter ervoer.”
Tags:Evelyn Waugh, Jan Weiler, JMH Berckmans, John Hollander, Al Galidi, Uwe Tellkamp, Johannes Daniel Falk, Karl Philipp Conz, Arjen van Veelen, Romenu
De Hongaarse dichter en schrijverIstván Keménywerd geboren op 28 oktober 1961 in Boedapest, Hongarije. Kemény begon rechten te studeren aan de Loránd-Eötvös-universiteit in Boedapest, maar stapte over naar Hongaarse literatuur en geschiedenis, waarin hij in 1993 afstudeerde. Zijn eerste dichtbundel werd in 1984 uitgegeven onder de titel "Csigalépcsõ az elfelejtett tanszékekhez" ("Wenteltrap naar de vergeten faculteit"). Kemény schrijft ook korte stukken proza waarin hij morele kwesties in een sobere stijl behandelt: menselijke onverschilligheid, milieuvervuiling, Gods gedachten over de wereld. Jarenlang was zijn appartement een ontmoetingsplaats voor jonge schrijvers, zodat hij ook een beslissende bijdrage kon leveren aan het bekend maken van hedendaagse Hongaarse poëzie in het buitenland. Ook heeft hij een experimentele roman gepubliceerd “De kunst van de vijand”, een luchtig verslag van hoe een groep mensen die door Boedapest tourt, betrokken raakt bij allerlei alledaagse, maar toch bizarre situaties. Sinds enkele jaren maakt hij interviews met oudere familieleden en heeft hij hun herinneringen vastgelegd op meer dan honderd banden. Deze herinneringen beslaan anderhalve eeuw van de Europees-Hongaarse geschiedenis, en hij plant een grote familieroman op basis van dit materiaal. Kemény won twee literaire prijzen terwijl hij nog in de twintig was en kreeg in 1997 de belangrijkste Hongaarse onderscheiding voor Poëzie, de József-Attila-Prijs.Kemény schreef ook het scenario voor de Hongaarse film “György Cséplö” van Pál Schiffer uit 1978.
The bee-keeper
I have been a bee-keeper for six thousand years And for the past hundred years an electrician. Once I retire I shall keep bees again. Something should hum for me, oh hum for me, Hum and hum and hum Just for me.
Vertaald door George Gömöri
Traurig
Man müsste dem Verstand verloren gehen. Wie der Selbstmörder, wenn er rückwärts lebt. Dem i sein Tüpfelchen wegnehmen, aber wiedergeben, bliebe seine Stelle leer.
Besser ist es, wenn alles so bleibt wie ich es vorfand, es war gar nicht mal so schlecht. Das aufgewühlte Bett entmachten, auf dem Boden schlafen. Dann wird das Gestern wieder heil.
Es war ein Geschenk. Ich höre den Aufprall noch bevor es fällt, schon viel eher. Ein Engel schwebt vorbei, Ordnung stellt sich ein. Der Gegenstand entfällt dem sich lösenden Papier.
Dann ganz einfach von neuem beginnen Wie der Selbstmörder, wenn er rückwärts lebt Das Ganze hier vergessen Kleine Zettel schreiben: Milch, Brot Milch, Brot
Aufbruch aus dem Koordinatensystem
Wie die Seele aus dem Körper, flog eines Tages Punkt Null aus mir heraus, glitt schwebend dahin, verließ mich um die Welt zu sehen Die Welt, die eine Mitte will König oder Garnichts, oder König und schleppte das System mit sich: alle drei Achsen um sie woanders wieder aufzurichten Und dort zu werden, wovon eins genügt; der Ursprungspunkt ist mir entschwebt doch blieb in meiner Nähe, dort schwebt er jetzt. In mir war er das Unfassbare, das ich jetzt fassen muss, wie soll ich sonst bestehen. Jener Punkt ist nicht identisch mit der Seele die Seele ist hier drin geblieben wie am Kabinenfenster eines Fliegers, den Blick gesenkt spürt sie den Nullpunkt, und fragt sich noch: wozu?
Verdwijn niet zomaar in de zoete nacht, Licht op en vlam wanneer je ouder wordt; Vecht, vecht, omdat het licht niet sterven mag.
De wijze, voor wie straks het duister wacht, Omdat geen licht meer bliksemt uit zijn woord, Verdwijnt niet zomaar in de zoete nacht.
De goede man, die aanspoelt en die dacht: Hier in de baai dansen mijn deugden voort, Vecht, vecht, omdat het licht niet sterven mag.
De wilde, die met zang de zon aanbad, En te laat zag, dat dat zijn baan verstoort, Verdwijnt niet zomaar in de zoete nacht.
De dappere, haast dood, die blind nog zag Met ogen stralend als een meteoor, Vecht, vecht, omdat het licht niet sterven mag.
En u, mijn vader, door mij zo geacht, Vloek, zegen mij met tranen, maar vecht door. Verdwijn niet zomaar in de zoete nacht. Vecht, vecht, omdat het licht niet sterven mag.
Vertaald door Arie van der Krogt
Geh nicht gelassen in die gute Nacht
Geh nicht gelassen in die gute Nacht, Brenn, Alter, rase, wenn die Dämmerung lauert; Im Sterbelicht sei doppelt zornentfacht.
Weil keinen Funken je ihr Wort erbracht, Weise – gewiss, dass Dunkel rechtens dauert-, Geh nicht gelassen in die gute Nacht.
Wer seines schwachen Tuns rühmt künftige Pracht Im Sinken, hätt nur grünes Blühn gedauert, Im Sterbelicht bist doppelt zornentfacht.
Wer jagt und preist der fliehenden Sonne Macht Und lernt zu spät, dass er nur sie betrauert, Geh nicht gelassen in die gute Nacht.
Wer todesnah erkennt im blinden Schacht, Das Auge blind noch blitzt und froh erschauert, Im Sterbelicht ist doppelt zornentfacht.
Und du mein Vater dort auf der Todeswacht, Fluch segne mich, von Tränenwut vermauert. Geh nicht gelassen in die gute Nacht. Im Sterbelicht ist doppelt zornentfacht.
Vertaald door Curt Meyer-Clasons
N’entre pas apaisé dans cette bonne nuit
N’entre pas apaisé dans cette bonne nuit, Les vieux devraient tonner, gronder quand le jour tombe ; Rage, mais rage encor lorsque meurt la lumière.
Si le sage à la fin sait que l’ombre est la norme, Comme aucun de ses mots n’a fourché en foudre il N’entre pas apaisé dans cette bonne nuit.
Le bon, près de la vague ultime, qui déplore Que sa vie frêle eût pu danser en verte baie, Il rage, il rage encor lorsque meurt la lumière.
Le fou qui prit, chanta, le soleil en plein vol, Et conscient, trop tard, d’avoir bridé sa course, N’entre pas apaisé dans cette bonne nuit.
Le juste, agonisant, qui voit d’un œil aveugle Qu’un œil aveugle peut briller, gai, météore, Il crie, il crie encor lorsque meurt la lumière.
Et toi, mon père, là, sur ces tristes hauteurs, Maudis-moi, bénis-moi de pleurs durs, je le veux ! N’entre pas apaisé dans cette bonne nuit. Mais rage, rage encor lorsque meurt la lumière.
Vertaald door Lionel-Édouard Martin
Dylan Thomas (27 oktober 1914 – 9 november 1953) Standbeeld in Swansea Marine (detail)
“If all the Saturdays of 1982 can be thought of as one day, I met Tracey at ten a.m. on that Saturday, walking through the sandy gravel of a churchyard, each holding our mother’s hand. There were many other girls present but for obvious reasons we noticed each other, the similarities and the differences, as girls will. Our shade of brown was exactly the same—as if one piece of tan material had been cut to make us both—and our freckles gathered in the same areas, we were of the same height. But my face was ponderous and melancholy, with a long, serious nose, and my eyes turned down, as did my mouth. Tracey’s face was perky and round, she looked like a darker Shirley Temple, except her nose was as problematic as mine, I could see that much at once, a ridiculous nose—it went straight up in the air like a little piglet. Cute, but also obscene: her nostrils were on permanent display. On noses you could call it a draw. On hair she won comprehensively. She had spiral curls, they reached to her backside and were gathered into two long plaits, glossy with some kind of oil, tied at their ends with satin yellow bows. Satin yellow bows were a phenomenon unknown to my mother. She pulled my great frizz back in a single cloud, tied with a black band. My mother was a feminist. She wore her hair in a half-inch Afro, her skull was perfectly shaped, she never wore make‑up and dressed us both as plainly as possible. Hair is not essential when you look like Nefertiti. She’d no need of make‑up or products or jewelry or expensive clothes, and in this way her financial circumstances, her politics and her aesthetic were all perfectly—conveniently—matched. Accessories only cramped her style, including, or so I felt at the time, the horse-faced seven-year-old by her side. Looking across at Tracey I diagnosed the opposite problem: her mother was white, obese, afflicted with acne. She wore her thin blond hair pulled back very tightly in what I knew my mother would call a “Kilburn facelift.” But Tracey’s personal glamour was the solution: she was her own mother’s most striking accessory. The family look, though not to my mother’s taste, I found captivating: logos, tin bangles and hoops, diamanté everything, expensive trainers of the kind my mother refused to recognize as a reality in the world—“Those aren’t shoes.” Despite appearances, though, there was not much to choose between our two families. We were both from the estates, neither of us received benefits. (A matter of pride for my mother, an outrage to Tracey’s: she had tried many times—and failed—to “get on the disability.”) In my mother’s view it was exactly these superficial similarities that lent so much weight to questions of taste. She dressed for a future not yet with us but which she expected to arrive. »
Uit: Women At Point Zero (Vertaald door Sherif Hetata)
“My father used to occupy the oven room in winter, and leave me the coldest room in the house. My uncle had the bed to himself, while I slept on the wooden couch. Later on, when I married, my husband ate twice as much food as I did, yet his eyes never lifted themselves from my plate. I stood for a moment near the bed and murmured: 'But I cannot sleep on the bed.' I heard him say, 'I will not let you sleep on the floor.' My head was still bent to the ground. He kept his hand clasped around my arm. I could see it was a big hand with long fingers like those of my uncle when he touched me, and now they were trembling in exactly the same way. And so I closed my eyes. I felt the sudden touch of him, like a dream remembered from the distant past, or some memory that began with life. My body pulsed with an obscure pleasure, or with a pain that was not really pain but pleasure, with a pleasure I had never known before, had lived in another life that was not my life, or in another body that was not my body. I ended up by sleeping in his bed throughout the winter and the following summer. He never raised a hand to strike me, and never looked at my plate while I was eating. When I cooked fish I used to give it all to him, and just take the head or the tail for myself. Or if it was rabbit I cooked, I gave him the whole rabbit and nibbled at the head. I always left the table without satisfying my hunger. On my way to market my eyes would follow the schoolgirls as they walked through the streets, and I would remember that at one time I had been one of them, and had obtained a secondary school certificate. And one day I stopped right in front of a group of schoolgirls and stood there facing them. They eyed me up and down with disdain for there was a strong smell of fish arising from my clothes. I explained to them that I had been awarded a secondary school certificate. They started to make fun of me, and I heard one of them whisper into her friend's ear: `She must be mad. Can't you see, she's talking to herself?' But I was not talking to myself. I was just telling them that I had a secondary school certificate. That night when Bayoumi came home, I said, 'I have a secondary school certificate, and I want to work.' `Every day the coffee-house is crowded with youths, who are out of work, and all of them have university degrees,' he said. `But I must work. I can't carry on like this.' Without looking me in the face, he said, 'What do you mean, you can't carry on like this?"
't Daget over dorp en land, heel het oosten laait en brandt, de bedauwde weiden domen, wolkskens hangen in de bomen, wolkskens vlieden langs de vliet, ieder bladje een dauwdrop giet.
Zingend door de blauwe lucht, neemt de leeuwerik hoge vlucht, op de daken dieft de musse, vogels zingen onder 't wied: 't zingt al wat men hoort en ziet.
Over 't lachend groene veld 't rinkelend klinkend kloksken schelt, 't werkvolk met der zonne wakker spreidt al over hof en akker. 't Werk begint met bede en lied, 't wordt al leven dat men ziet.
Trouwlied op muziek van Peter Benoît
Door woelig jonglingsleven, door bonte jonglingsdromen, gelijk ene Elve aan 't zweven in lichte morgendomen ontwaart de Man de Liefde - een toverachtig beeld dat, troostend en belovend, gedurig rond hem speelt.
Pas eerst in hare bloesem, het blozen op de wangen, de Vrouw voelt in de boezem een vreemd gedurig langen naar een aanbeden wezen dat, rustig in zijn macht, haar tederheden lonend, haar steunt en op haar lacht.
Eens daagt voor 's jonglings ogen zijn droom - een levend wezen. Hij spreekt - Zij spreekt bewogen, en laat hem in haar lezen - En Hij die schikt en zegent vereent een zalig Paar. Zij blijve met Hem zalig en zalig Hij met Haar!
Albrecht Rodenbach (27 oktober 1856 – 23 juni 1880) Borstbeeld
We don't know if tomorrow has green pastures in mind for us to lie down in beside the ever-youthful patter of fresh water or if it means to plant us in some arid outback ugly valley of the shadow where dayspring's lost for good, interred beneath a lifetime of mistakes. We'll maybe wake up in foreign cities where the sun's a ghost, a figment of itself and angular starched consonants braid the tongue at its root so all sense of who we are is lost to words, and nothing that we know can be unravelled. Even then, some vestige of the sea, its plosive tide, its fretwork crests will surge inside our syllables, bronze like the chant of bees. However far we've stumbled from the source a trace of the sea's voice will lodge in us as the sunlight somehow still abides in faded tufts that cling to bricks and kerbstones on half-cleared slums or bomb-sites left unbuilt. Then out of nowhere after years of silence the words we used, our unobstructed accents, will well up from the dark of childhood, and once more on our lips we'll taste Greek salt.
Chrome Yellow
Your three brave sunflowers are ready to drop. Standing in a jug of stale drink they've all about reached a steepening patch on the curve of decay. Their dark-eyed flameheads raddle at the tips and close then, lax as pulp or crape, they start to droop on thick eyestalks. That mad Dutchman who crammed his mouth with the chrome yellow he used by the tubeful to paint them made toxic lead his edible gold. Their gold now lead, the sunflowers turn towards the black sun of the earth. Their time has gone. Their big leaves drape and darken round them like a field of crows.
Uit: Fran Lebowitz On Donald Trump, Protests and Moving to Canada (Interview in Paper Magazine)
“Truthfully, I know this is not the party line -- certainly not the line coming from Obama, because it's his job to act calm -- but I'm not a politician, and to me, what this feels like is if the South had won the Civil War. It took them 150 years, but they finally won. That's what this is. I don't care what people say. Yes, they lost their jobs and it's horrible. I wasn't alone in feeling this, but I would say [on the left] I was unusually sympathetic to these people. I was against NAFTA. They have absolutely legitimate economic grievances, but this does not entitle you to bigotry. There should be no actual connection [between the campaign and bigotry] but the fact that there is -- and I don't know why people are tip-toeing around saying this -- they are despicable. I know you're not supposed to say this, but they are astonishingly ignorant. Who's not angry? I was born angry. I'd put my rage up against theirs any day of the week. But that doesn't mean you should get guns or be a bigot. And guess what, Trump is not re-opening the coal mines or the steel mills. This isn't Russia where the state controls the mines. It has to be a company and it has to be profitable, and it's not profitable because it's much cheaper to make steel in China, as Trump knows because he used their steel to build his buildings. And as a New Yorker, the ascendance of Rudy Giuliani is equally awful. There's no doubt in my mind Donald Trump is not going to be president. The only job he's ever had was working for his father, which is not a real job — it's a favor. Trump is lazy and has no idea what being president entails. He didn't even have the grace to look scared when he went to the Oval Office. Obama, who is certainly one of the smarter presidents I've had in my lifetime, looked scared [when he first went to the Oval Office] because no one knows what they're in for until they get there. Every single person on the planet has their life [in the president's] hands, and it would bother every single person who is intelligent or human. But the president will be Mike Pence, whose policies are despicable, and it'll be Giuliani and it'll be Paul Ryan, who is a psychotic nut.”
Life is a book we love to read, to own; this one or that — each volume utmost dear to its own reader; loth to put it down of our own free will, in the reading, we’re so engrossed, that all else around is solely a hush of noise, struggling our ear to gain, and ne’er the soul; which is absorbed so wholly by the ongoing tale — too entertained, as the days and the hours go slowly by. Meanwhile, outside, the shadows stretch to fly and the room fills with twilight, light grows thin, and the print fades, now scarcely to be seen; and darkness falls: Evening our way is wending — and we sigh, put the book down, none too keen. And not one yet has reached the story’s ending.
Vertaald door Václav Z J Pinkava
Josef Václav Sládek (27 oktober 1845 - 28 juni 1912) Portret door Tavík František Šimon, 1899
« The pain of one creature cannot continue to have a meaning for another. It is almost impossible to nurse a man well whose pain you do not imagine. A deadlock! One has illuminations all the time! There is an old lady who visits in our ward, at whom, for one or two unimportant reasons, it is the custom to laugh. The men, who fall in with our moods with a docility which I am beginning to suspectis a mask, admit too that she is comic. This afternoon, when she was sitting by Corrigan's bed and talkingto him I saw where her treatment of him differed from ours. She treats him as though he were an individual; but there is more in it than that... She treats him as though he had a wife and children, a house and a back garden and responsibilities: in some manner she treats him asthough he had dignity. I thought of yesterday's injection. That is the difference: that iswhat the Sisters mean when they say 'the boys.' ********
It was the first time I had a man sing at his dressing. I was standing at the sterilizer when Rees's song began to mount over the screen thathid him from me. ('Whatever is that?' 'Rees's tubes going in.') It was like this: 'Ah ... ee ... oo. Sister!' and again: 'Sister ... oo ... ee... ah!' Then a little scream and his song again. I heard her voice: 'Now then, Rees, I don't call that much of a song.' She called me to make his bed, and I saw his left ear was full of tears. O visitors, who come into the ward in the calm of the long afternoon,when the beds are neat and clean and the flowers out on the tables and the VAD's sit sewing at splints and sandbags, when the men look like men again and smoke and talk and read ... if you could see whatlies beneath the dressings!“
Enid Bagnold ( 27 oktober 1889 – 3 maart 1981) Hier met drie van haar kinderen
Tags:Sylvia Plath, Dylan Thomas, Zadie Smith, Nawal el Saadawi, Albrecht Rodenbach, Jamie McKendrick, Fran Lebowitz, Josef Václav Sládek, Enid Bagnold, Romenu
De Nederlandse schrijfsterSteffie van den Oord werd geboren op 27 oktober 1970, in Ammerzoden, Gelderland. Zij studeerde geschiedenis, literatuurwetenschappen en journalistiek, in Nijmegen en Rome, en werkte als verslaggever voor vpro-radio. Rond de milleniumwisseling sprak ze honderdjarigen en “Eeuwelingen”, het boek dat ze over hen schreef, werd een daverend succes. In 2015 verscheen “De vrouw met de bijl”. Later volgden “Liefde in oorlogstijd”, over mensen die hun grote liefde vonden of verloren tijdens de Tweede Wereldoorlog, “Westerbork Girl”, over een revuegirl dat spectaculair ontsnapte uit Westerbork maar al gauw terugkeerde, en “Oud was ik toen ik jong was”, over supereeuwelingen die alles overleefden: steeds gebaseerd op interviews met oude mensen. In 2013 verscheen haar roman “Vonk, een noodlottige liefde”. Tussen het schrijven door, maakte zij documentaires voor radio en tv, zoals in 2011 ‘De Bekentenis’, over een verzetsmoord die pas na de oorlog plaatsvond.
Uit: Vonk, een noodlottige liefde
“Ze zocht hun kleine gestalten, onder haar in het gewoel, en ze hoopte hen toch niet te zien. Het licht was te fel en niet fel genoeg. Omdat ze het maandenlang niet had gezien, omdat het niet op haar kinderen scheen. Waar waren ze? Thuis, met de luiken dicht tegen het geschreeuw, `Moordenares!', of toch in dit geweld van lijven, waartussen ze geplet konden worden, tussen stadgenoten en honderden onbekenden die van ver waren gekomen - voor haar. 'Hoer!' Met geheven hoofd bleef ze zoeken naar hun gestalten, die gegroeid konden zijn in de maanden van kou. Even maar liet ze haar hoofd zakken en keek omlaag, tussen de vers gezaagde, kierende planken van de verhoging die was opgesteld voor haar - en voor haar luitenant. Een kind! Onder het schavot. Het werd weggejaagd, zag ze, het was er geen van haar. Als vanzelf was haar lijf al in beweging gekomen, touw sneed in haar polsen, maar ze voelde alleen de pijn in haar borst, die hen gevoed had, en zelfs dat voelde ze amper. Want ze zocht. De zon liefkoosde haar wonden; zachter dan luitenant Behr. Hel of hemel -voor háár? - leken verder weg dan ooit. Zij stond op het schavot en leefde. Met een stok duwde de zoon van de beul de kinderen weg die ondanks de afzetting met militairen te ver naar voren drongen: niet de hare helaas en godzijdank Zolang zij hoopte hen niet en toch wel te zien, was het niet afgelopen. Voor zover het kon, aan de paal, rechtte ze haar rug. Daar stond een buurjongen te grijnzen; tussen vreemden en bekenden dook hij weg, door haar blik. Ze wilde hen bij zich roepen en nooit meer zien - niet hier, zo niet. Marieke! Johanna! Teuntje! En haar Hendrik, in schone doeken of in vuile, op wier arm? Ze wilde sterven om het nooit te hoeven weten, om alles goed te maken wilde ze langer leven dan zevenentwintig jaar. Onmogelijk was het niet. Ze nog één keer te zien - en niet aan te kunnen raken? Even maar sloot ze haar ogen. Ze zag een beschaamd wegkijkende vriendin van Marieke, maar nergens Marieke, rossig en blozend, die de jongsten bezighield in de nog altijd van brood en vis voorziene keuken achter gesloten luiken, waar zij weer gewoon achterom en met rein geweten terug zou keren, rechtop in haar grauw geworden jurk, in plakkerig hemd. Door niemand bespuugd. Ze was de ongelukkigste vrouw van Nijmegen en nu zou het tij keren; twee doodsvonnissen, maar het waren er drie geweest: gratie was uitgesproken, net, buiten het stadhuis, voor de knecht van Behr. Ook zij kon nog gratie krijgen, al leek het moment voorbij. En ze zocht. Daar! Dat meisje, op de schouders? Net Teuntje. Waar bleef het teken?”
Steffie van den Oord (Ammerzoden, 27 oktober 1970)
“De vogels schreeuwden hem wakker. Met zijn ogen dicht bleef hij liggen luisteren naar het gekrijs, hels en genadeloos, alsof ze de zon boven de horizon uit wilden vloeken. Erdoorheen hoorde hij een vreemd klapperen, als van een zonnescherm in de wind Die zak van boven heeft de vlag weer vergeten binnen te halen. Verleden jaar had bijna de hele trap er ruzie over. Stelletje melkmuilen en trutten. Belediging van de vlag. Je gelooft je oren niet. Alsof de mensen nooit boven het niveau van padvinders uitkomen. 0, wat is m'n rood, wit en blauw vernederd. Die vlag hangt nog halfstok ook. Dan is het ook nog een belediging voor de doden. De doden. Het is een instituut geworden. Die gruwelijk vermoorden schijnen zich om te draaien in hun massagraf als er zo hier en daar een vlaggetje onder de sterrenhemel blijft wapperen. Primitief bijgeloof. Puur animisme Alsof dat dundoek door de vleermuizen van het kwaad bezwadderd zou kunnen worden, alsof de vijand hem zou kunnen bezeiken in het nachtelijk duister. Als jullie willen zien hoe de vlag en de doden beledigd worden hadden jullie gisteravond op de Dam moeten gaan kijken. Ze spatten bijna van woede uit elkaar. Als een stel piranha's zouden ze zich op je gebeente willen storten om het laatste beetje merg eruit te vreten. Zo te horen staat er een behoorlijke bries. Niet eruit geweest vannacht. Nee toch? Even goed nadenken. Te veel valium geslikt. Snoep verstandig. Dat ruisen in mijn hart of daaromtrent. Het is of er zandkorrels je aderen in gespoeld worden. Sterk vertakte rivier. Het slibt dicht. Een treurwilg van geronnen bloed. Je bloedsomloop als een foto van de bliksem. Aderen van witheet metaal. Alsof je van binnen uit in een keurslijf wordt gegoten. Een skelet van nikkel. De grote verstijving. Door de stank van de asbak met peuken heen rook hij de dranklucht. Hij zag zijn vrouw weer, onderuit gezakt voor de televisie, naar de dodenherdenking zitten kijken. Die zinloze dennen tegen de oranje avondlucht. Verleden jaar nog in zwart-wit. In kleur is het nog treuriger. Je hoort de laatste zanglijster. Je staat daar en je zakt weg. Die salvo's uit het verleden. Je dacht er steeds aan. Dat je eenzaam zou vergaan. Ze zat maar te mompelen. Moest natuurlijk weer aan Henk denken. Zelf ook. Het kan niet anders. Dat dat je voorgoed bijblijft. De fakkels die opdoemen alsof de doden een geest hebben. Die reusachtige bronzen klok dreunt op den duur in je kop mee. Zo'n stel van die jongens van vroeger in overall met een sten voor hun borst. Onherroepelijk weg en voorbij. Voor wie voeren ze die maskerade eigenlijk op. Te goed doervoed.”
Jan Wolkers (26 oktober 1925 – 19 oktober 2007) Cover
“Het idee dat Abraham de Winter op me zit te wachten prikkelt me, ik zal dat nooit aan Leon kunnen uitleggen. Misschien moet je daar vrouw voor zijn, altijd denken dat de verlossing van buitenaf moet komen. Want natuurlijk zal Abraham de Winter me een aanbod doen, is het niet dat hij me over een flipperkast heen wil buigen – ach Ellie – dan wel dat hij me wil peilen voor een of andere functie, een prestigieus project, een bijdrage aan een boek, een samenwerking, iets Europees, iets met geld, waarvoor verder niemand wordt gevraagd. Iets waardoor ik zomaar over een paar weken voor onbepaalde tijd naar Leuven kan verhuizen, waar ik me iedere ochtend over de kasseien naar mijn werk spoed in de schaduw van de machtige kathedraal, alles en iedereen op mijn weg begroetend, want Leuven blijkt best klein. Het restaurant waar we op zijn verzoek hebben afgesproken is gevestigd in een oude verffabriek, of het was ooit een drukkerij, dat kan ook. De serveerster begeleidt me naar een podium dat zich uitstrekt over de hele lengte, pal onder lange smalle ramen waardoor nooit een sprankje zon naar binnen zal zijn gevallen. De zaak ligt in een steegje, pal tegenover een nog hoger pand waarin net een krantenredactie onderdak heeft gevonden nadat het jarenlang de ruigste danstent van de stad herbergde. Ik wring me in een bocht om door het raam omhoog te kijken terwijl ik me afvraag hoe het zou zijn om een date met Abraham de Winter te hebben. Of de man met de perfecte papieren – het hoogleraarschap, de internationale carrière, de juiste bezigheden – niet een kikker op het droge zou blijken, een grijnzende amfibie in zijn beste jasje-dasje, dat zich bij voorkeur achter in een restaurant opstelde zodat hij de deur in de gaten kon houden. Als hem niet beviel wat daar binnen kwam zeilen op de in het vooruitzicht gestelde hoge hakken, zou hij ook zomaar, páts, verschwunden kunnen zijn. ‘Heeft ze grote tieten?’ vroeg hij Ellie over een journaliste die hem wilde interviewen voor het universiteitsblad.”
Even now, after twice her lifetime of grief and anger in the very place, whoever comes to climb these narrow stairs, discovers how the bookcase slides aside, then walks through shadow into sunlit room, can never help
but break her secrecy again. Just listening is a kind of guilt: the Westerkirk repeats itself outside, as if all time worked round towards her fear, and made each stroke die down on guarded streets. Imagine it—
four years of whispering, and loneliness, and plotting, day by day, the Allied line in Europe with a yellow chalk. What hope she had for ordinary love and interest survives her here, displayed above the bed
as pictures of her family; some actors; fashions chosen by Princess Elizabeth. And those who stoop to see them find not only patience missing its reward, but one enduring wish for chances
like my own: to leave as simply as I do, and walk at ease up dusty tree-lined avenues, or watch a silent barge come clear of bridges settling their reflections in the blue canal.
“Je hebt je eigen kamer. Je bent met je vader en moeder naar een winkel gegaan en hebt een bureau gekocht om aan te studeren. In het bureau zitten drie lades. In het begin blijven de onderste twee lades leeg. Tot je steeds meer rotzooi verzameld hebt. Sleutelhangers, pasfoto’s, bonnetjes en paracetamol. Als je verhuist, verhuist de rotzooi mee. Onder een paar schriften en postelastieken ligt een briefje van een geliefde. Jullie zien elkaar niet meer. Je mist iemand die in een ander land is gaan wonen. Soms sta je er zelfs mee op. Je bent moe van de ruimte tussen jullie lichamen. De aanwezigheid van een afwezigheid. Dat was altijd al zo, maar eerder was de ruimte kleiner, overzichtelijker. Je overbrugde de afstand lopend of op de fiets. Nu denk je aan het gat tussen jezelf en de dood, waarvan je hoopt dat die eindeloos is. Als het aan jou ligt is het een landschap zoals een woestijn. Je hebt vroeger hele zomervakanties doorgebracht met het luisteren naar tapes van Bert & Ernie. Je zat in een houten schommelstoel en hoorde Bert & Ernie zingen: Het is een troep, troep, vreselijke troep; we hebben al een tijd niets meer opgeruimd. Troep, troep, alles is zoek, we hebben al een tijd niets meer opgeruimd. La-la-la-la-la, la-la-la-la-la!Er zijn mensen die voortdurend alles opruimen. Ze stoppen hun spullen achter deurtjes. Als iedereen alles uitstalt, zingt niemand meer. Je zit in een werkruimte met grote ramen. Er is een bed dat iemand heeft neergezet. Iemand die gelooft in het belang van nietsdoen. Iemand die denkt dat kijken beter is dan leven. Iemand die zegt: De werkelijkheid is wat je aankan. Je gaat op je rug op het bed liggen en kijkt naar de lucht. Er vliegen twaalf zwanen langs het raam en je denkt aan de tocht van duizenden kilometers die ze door de lucht afleggen en dat als een van de zwanen ziek wordt, er altijd een andere zwaan is die met hem of haar mee naar beneden gaat. Op de grond wachten ze samen tot de zieke zwaan sterk genoeg is om de tocht te hervatten. Je hebt in het Stedelijk Museum een werk gezien van Marlene Dumas dat je niet meer loslaat, het heet Don’t Talk to Strangers (1977). Het is een collage op canvas met tape en stukken uit brieven van vrienden en geliefden die de kunstenares heeft verzameld. Ze heeft alleen de aanhef en het afscheid, de groet, uit de brieven overgelaten. Je denkt dat het een groot doek is, misschien van anderhalve meter breed, je bent nooit goed geweest in het schatten van maten. Aan de uiterste linkerkant van het doek hangen onder elkaar, in verschillende handschriften, de aanheffen van de brieven. Aan de uiterste rechterkant hangen alle afscheidsgroeten. Eén iemand sluit zijn brief af met een wolkje van krassen. Of misschien is het eerder een kluitje krassen. Het is iemand die zich tijdens het schrijven van zijn groet bedacht heeft. Toch beter van niet. Na de krassen sluit de briefschrijver zijn brief af met: Zzzzz. Tussen de tweede en de derde z is later nog een z toegevoegd. Nu staat er dus eigenlijk Zzzzzz, waardoor de complete inhoud verandert, waardoor je je mening moet bijstellen. Waardoor je tegen diegene aan zou willen liggen. Waardoor je dit nooit meer vergeet.”
Uit: The Church Builder (Onder pseudoniem A. L. Shields)
“Annabelle Seaver saw the inside of five different churches on the rainy March day the car ran her down, and people said later that she must have been very pious or in a great deal of pain, and her family insisted that she was both. To be sure, none of her relatives had heard from her in months, but as they admitted to the police, this was not unusual. Although Annabelle had been a quiet, reflective child, she had grown into a decisively flighty adult, loosely tethered to the world of convention, and prone to vanish for weeks or more. And, no, nobody had any idea what she was doing in Washington, D.C. The family had sort of lost track. The police quickly dug up the business about rehab, and of course, a couple of years back, the ninety days in a suburban Chicago jail for possession. Friends said her family had disowned her at that point, although her sister Polly insisted that Annabelle had disowned herself. But Polly, from the same painful beginnings, had made something of herself, whereas Annabelle manifestly had not. The car came streaking toward the alley behind U Street Christian Church, after the Wednesday night Bible study group had barred the back door to keep Annabelle from sneaking back in. Not that they knew her name.They had asked, of course, but she hadn’t answered. She had barged into the meeting, noisily and showily, just as Brother Everson was discoursing on what his boyhood pastor down in Tennessee had said was the right understanding of the phrase “armor of God” in Ephesians 6, and although some of the members admitted to police later that they had been suspicious from the moment of her arrival, they were under a general injunction to welcome the stranger. Sister Murray took one look at the wild eyes and scuffed jeans and the way she clutched at her battered knapsack and made sure that this particular stranger knew where the coffee was. What happened next was unclear. The press accounts, copied from the police reports, simply referred to the stranger as “disruptive.” At some point the disruption became intolerable, and they put her forcibly out. Later on, when the bombings began in earnest, it would turn out to matter a great deal what Annabelle had been shouting as they assisted her into the alley, but the good people of U Street Christian could be pardoned for thinking that they were listening to the ravings of a madwoman."
Half awake the summer night broods quietly on dreams that no one knows. The tarns' glistening floods reflect a twilight sky's infinity, pale, morose, Whiter grow the stars on high. Afar, afar the nightjar sings alone her toneless, comfortless melody.
Never boldly, towards the heights she swings, because of her lowness hovers low. Downy twilight wings seem bound to the earth, by dust and soil weighed down below. Woe to him whose wings in pair cannot rise, only linger, helplessly drawn to the mud, whose colours they bear.
But the whitest of white among swans, that travel in morning's bright space their royal lanes, never cherished a yearning such as the nightjar has. None has a longing so true for the distant and far as the nightjar for the ever beckoning, ever yielding blue.
Karin Boye (26 oktober 1900 – 24 april 1941) Standbeeld in Göteborg
VERSES WITH A REFRAIN FROM A SOLICITOR’S LETTER (Fragment) for George Hitching
What’s more, my bell is mute. The inscribed slip that made its tongue chime in the wind, flew off. It’s not my day. Far from putting up barbed wire fences, I’d prefer, right now, to see one of those bright Byzantine Christs come striding across from the opposite hills
and in this regard time shall be made of the essence
fresh from baptizing Adam, vast and very masterful, lugging a patriarch along with each arm no doubt from some new-harrowed hell and scattering from his feet a fine debris of locks, bolts, spancels, cuffs, gyves, fetters, stocks, and other miscellaneous hindrances
and in this regard time shall be made of the essence
And what would our Neighbourhood Watch do then? Put the polis on his tail, stay home, and watch that hooligan as he’d come, breaking contracts, flattening fences and leaving gates and prisons open behind him. Yes, he’s the man would soon break down the calculus that stopped my flow
and in this regard time shall be made of the essence
And not like a thief in the night, but openly I’d have him eliminate all limitations, peel walls and roofs away like rind and with his knife of stars reveal what soft exotic fruit grew ripe within
and in this regard time shall be made of the essence
“Though a failed bridge maker, I showed more skill in the task of the tomahawk and I felled Kathleen with a wild toss that deflected off her shoulder blade. My mother handled the whipping that night, so further discipline by my father proved unnecessary. For the rest of my life, I would read books on Native Americans and I once coached an Indian baseball team on the Near North Side of Omaha, Nebraska, after my freshman year at The Citadel. Pretty Kathleen McCadden never spoke to me again, and her father always looked as if he wanted to beat me. I was seven years old. Yet an intellectual life often forms in the strangest, most infertile of conditions. The deep forests of those isolated bases became the kingdom that I took ownership of as a child. I followed the minnow-laced streams as they made their cutting way toward the Trent River. Each time in the woods, I brought my nature-obsessed mother a series of captured animals, from snapping turtles to copperheads. Mom would study their scales or fur or plumage as I brought home everything from baby herons to squirrels for her patient inspection. After she looked over the day's catch, she would shower me with praise, then send me back into the woods to return my captives where I'd discovered them. She told me she thought I could become a world-class naturalist, or even the director of the San Diego Zoo. At the library she began to check out books that gave me a working knowledge of those creatures that my inquisitive, overprotective dog and I had found while wandering the woods. When Chippie jumped between me and an eastern diamondback rattler and took a strike on the muzzle before she broke the snake's back, my mother decided that I'd do my most important work in the game preserves of Africa with the scent of lions inflaming Chippie's extraordinary sense of smell. By the time I had finished fifth grade, I knew the name of almost every mammal in Africa.”
Tags:Jan Wolkers, Marja Pruis, Andrew Motion, Maartje Wortel, Stephen L. Carter, Harry M.P. van de Vijfeijke, Karin Boye, Trevor Joyce, Pat Conroy, Romenu
Op een lijst van artiesten, in de oorlog vermoord, staat een naam waarvan ik nog nooit had gehoord, dus keek ik er met verwondering naar: Ben Ali Libi. Goochelaar.
Met een lach en een smoes en een goocheldoos en een alibi dat-ie zorgvuldig koos, scharrelde hij de kost bij elkaar: Ben Ali Libi, de goochelaar.
Toen vonden de vrienden van de Weduwe Rost dat Nederland nodig moest worden verlost van het wereldwijd joods-bosjewistisch gevaar. Ze bedoelden natuurlijk die goochelaar.
Wie zo dikwijls een duif of een bloem had verstopt, kon zichzelf niet verstoppen, toen er hard werd geklopt. Er stond al een overvalwagen klaar voor Ben Ali Libi, de goochelaar.
In 't concentratiekamp heeft hij misschien zijn aardigste trucs nog wel eens laten zien met een lach en een smoes, een misleidend gebaar, Ben Ali Libi, de goochelaar.
En altijd als ik een schreeuwer zie met een alternatief voor de democratie, denk ik: jouw paradijs, hoeveel ruimte is daar voor Ben Ali Libi, de goochelaar.
Voor Ben Ali Libi, de kleine schlemiel, hij ruste in vrede, God hebbe zijn ziel.
Het menselijk geluk
De huur betaald. De stoep geschuurd. Een goeie visboer in de buurt. Een meid die als ze naast je gaat, loopt te zingen over straat.
Oktober
ik kreeg van daag een vreemde brief:
'ik mag je graag, heus, ik vind je best lief.
maar houden van, dat gaat niet. maar echte liefde gaat niet'
ik kreeg vandaag zo'n rare brief. zo'n brief.
Willem Wilmink (25 oktober 1936 – 2 augustus 2003)
Weer zwelt uw uier, heilige moedernacht en 't duister van uw lijf spreidt vrees en vrede. Gedachten en gebeden in 't huis der schemering worden volbracht.
Weer groeit het duister, weegt de duistre vracht. Mijn geest is droef; de oermoeder die mij baarde, mij voedde en bewaarde weer dreigt en graast mij, slorpt mij op, o nacht.
Dan adem ik, mijn vriend, in u nog nauw mijn angstige ademing, en hoor uw zuchten naar mij en de geruchten van 't haastig hart naar uw geruste vrouw.
Dan geeft de nacht ons samen melk, een stroom in donkre gulpen smeltend mild, wij drinken en danken haar en zinken diep in haar vacht en drinken nog in droom.
Harmonie
I Psychè
Toen gij ontwaakt waart uit mijn moeders slaap, sliept gij opnieuw en moest opnieuw ontwaken, en duizendmaal werdt gij uit dezen schoot door 't licht gebroken, en geleverd naakt uit de bescherming van het lauwe laken aan de bedreiging van het morgenrood.
Gij sliept in mij, mijn ziel, en slaapt nog even en wilt u niet uit u laten verstoren, maar ligt en ademhaalt, uw ogen dicht; en wordt bijwijlen aan de borst geheven, maar sluimert voort en wordt opnieuw geboren met dromenvliezen om uw klaar gezicht.
Zo slapend ligt ge in u, en in uzelf richt gij uw zachte ogen vol rein licht; gij vraagt in u naar u; want zuchtend ziet gij u inwaarts verdiepen, elk gewelf verder zich welven; open en gans dicht reikt gij naar u en raakt uzelve niet.
Christine D'haen (25 oktober 1923 – 3 september 2009) Cover luisterboek
Uit: De blauwe draad (Vertaald door Barbara de Lange)
“Laat op de avond van een julidag in 1994 kregen Red en Abby Whitshank een telefoontje van hun zoon Denny. Ze waren net bezig naar bed te gaan. Abby stond in haar slipje voor de schrijftafel en trok de haarspelden één voor één uit de warrige, lichtblonde knot op haar kruin. Red, een donkere, magere man in een gestreepte pyjamabroek en een wit T-shirt, was net op de rand van het bed gaan zitten om zijn sokken uit te trekken; dus toen de telefoon op het nachtkastje naast hem ging, was hij degene die opnam. `Whitshank,' zei hij. En toen: 'Hé, hallo.' Abby wendde zich van de spiegel af, met beide armen nog omhoog naar haar hoofd. `Hoe bedoel je,' zei hij zonder vraagteken. `Wát?' vroeg hij. Wat krijgen we nou, Denny!' Abby liet haar armen zakken `Hallo?' zei hij. Wacht. Hallo? Hallo?' Hij zweeg even en legde de hoorn neer. Wat is er?' vroeg Abby. `Hij zegt dat hij homo is.' `Wát?' ` Hij zei dat hij iets moest vertellen: hij is homo.' `En dan hang jij zomaar op!' `Nee, Abby. Hij hing op. Ik zei alleen: "Wat krijgen we nou," en toen hing hij op. Klik! Gewoon, zomaar.' `0, Red, hoe kón je?' jammerde Abby. Ze draaide zich met een ruk om en pakte haar badjas — van kleurloos chenille dat ooit roze was geweest. Ze sloeg hem om zich heen en trok de ceintuur strak aan. 'Hoe kwam je erbij om dat te zeggen?' vroeg ze. `Ik bedoelde er niets mee! Als je wordt overvallen zeg je toch "Wat krijgen we nou?"' Abby pakte een lok haar die over haar voorhoofd krulde. `Ik bedoelde alleen maar,' zei Red, "'Wat krijgen we nóu weer, Denny? Wat verzin je straks weer om ons ongerust te maken?" Hij wist best dat ik dat bedoelde. Echt, dat wist hij best. Maar nou kan hij doen of het door mij komt, omdat ik zo bekrompen ben, of zo'n ouwe sok of hoe hij het ook wil noemen. Hij was juist blij dat ik dat zei. Dat bleek wel omdat hij zo snel ophing; hij hoopte de hele tijd al dat ik iets fouts zou zeggen.' `Goed, goed,' zei Abby en ze ging praktisch verder: 'Waar belde hij vandaan?'
Anne Tyler (Minneapolis, 25 oktober 1941)
De Turkse schrijfster Elif Shafak (eigenlijk Elif Şafak) werd geboren in Straatsburg op 25 oktober 1971. Zie ook alle tags voor Elif Shafak op dit blog.
Uit: Drie dochters van Eva (Vertaald door Frouke Arns en Manon Smits)
“Istanbul, 2016 Op een doodgewone lentedag in Istanbul, zo'n lange, lome middag, kwam ze met een schok tot het besef dat ze in staat was om iemand te doden. Ze had altijd al het idee dat zelfs de kalmste, liefste vrouwen een uitbarsting van agressie konden krijgen wanneer ze in het nauw werden gedreven. Aangezien ze zichzelf als kalm noch lief beschouwde, ging ze ervan uit dat haar eigen capaciteit om door het lint te gaan nog eens beduidend groter was. Maar 'capaciteit' was een lastig woord. Een tijd geleden zei iedereen dat Turkije veel capaciteiten had — en moest je nu eens zien waar dat op uitgelopen was. Dus troostte ze zichzelf met de gedachte dat het met haar duistere kant uiteindelijk ook wel zou loslopen. En gelukkig had het lot — die goed bewaard gebleven kleitablet waarin alles gegraveerd stond wat al was gebeurd en wat nog zou gebeuren — haar grotendeels behoed voor misstappen. Ze had al die jaren een fatsoenlijk leven geleid. Ze had haar medemensen nooit leed berokkend, althans niet opzettelijk, althans niet recentelijk, afgezien van een incidenteel roddelen of zwartmaken waaraan ze zich schuldig maakte, maar dat telde eigenlijk niet. Dat deed iedereen immers weleens — en als dat wel een enorme zonde zou blijken te zijn, zou de hel tot aan de nok toe gevuld zijn. Als ze al iemand pijn had gedaan, dan was het God, en God was weliswaar snel ontstemd en vermaard om zijn grilligheid, maar je kon hem niet kwetsen. Kwetsen en gekwetst worden was een menselijke eigenschap. In de ogen van familie en vrienden was Nazperi Nalbantoglu — of Peri, zoals iedereen haar kende — een góéd mens. Ze steunde liefdadigheidsbijeenkomsten, zette zich in voor meer kennis over alzheimer en meer geld voor arme gezinnen; ze werkte als vrijwilligster in bejaardenhuizen waar ze deelnam aan backgammontoernooitjes die ze opzettelijk verloor; had altijd brokjes in haar handtas zitten voor de talrijke zwerfkatten van Istanbul, die ze zo nu en dan op eigen kosten liet steriliseren; hield de schoolvorderingen van haar kinderen nauwlettend in de gaten; trad op als gastvrouw bij chique dinertjes voor de chef en collega's van haar man; vastte gedurende de eerste en de laatste dagen van de ramadan, al had ze de neiging de tussenliggende dagen over te slaan; en offerde een met henna geverfd schaap tijdens het Offerfeest.”
“September 22, 1761 The crowd that gathered that morning in the square mile of streets, yards, and parks surrounding Westminster Abbey was the largest that had ever been seen in Europe. A million Britons had come from all over the kingdom to witness the crowning of King George III and his bride, Princess Charlotte of Mecldenburgh. Every house, inn, and tavern was jammed. People couldn't sleep for the shouting and singing, the ringing of church bells, and the hammering of scaffolds. From St. James's Park to the banks of the Thames, nobles and peasants, merchants and plowmen, flower girls, jugglers, and pitmen filled the streets in hopes of a glimpse of the royal procession. Such is the power of the British monarchy that a famous American scientist of the day might have likened the choir of the Abbey—with its ancient chair of Saint Edward in which the king would be crowned—to a magnetic pole enforcing order on the field of humanity surrounding it. The hopes of a quarrelsome empire waited upon the young king. Even the elements of nature were moved. It had drizzled rain upon the city since Sunday. Yet on Tuesday morning the sun dispersed the clouds and fog and shone throughout the day of the pageant, an omen inspiring the London Chronicle's bard to write:
Since then, great Prince, it looks like heaven's decree Ev'n to our sunshine we should owe to thee Let this day represent thyfuture reign Clear after clouds, and after storms serene.. .
For the nobles, gentlemen and ladies, bishops and choristers com-manded to walk in the procession ahead of the king, and for those with engraved tickets that reserved places in Westminster Hall where the procession formed, there was a great deal to see. The splendor of the spectacle would exceed the expectations that had been building since the death of King George H nearly a year before. Westminster Hall, cavernous beneath its hammer-beam oaken roof, had been emptied of all but the floor and steps of the king's law court that convened here.”
Auf was nur einmal ist (Für Heinrich Maria Ledig-Rowohlt)
Manchmal fragt man sich: Ist das das Leben? Manchmal weiß man nicht: Ist dies das Wesen? Wenn du aufwachst, ist die Klappe zu. Nichts eratmet, alles angelesen, siehe, das bist du.
Und du denkst vielleicht: ich gehe unter, bodenlos und fürchterlich -: Einer aus dem großen Graupelhaufen, nur um einen kleinen Flicken bunter, siehe, das bin ich.
Aber dann, aufeinmalso, beim Schlendern, lockert sich die Dichtung, bricht die Schale, fliegen Funken zwischen Hut und Schuh: Dieser ganz bestimmte Schlenker aus der Richtung, dieser Stich ins Unnormale, was nur einmal ist und auch nicht umzuändern: siehe, das bist du.
Das Himmelschluck-Lied
Mein Herz beschert mir groben Spaß, die Lunge kommt mir auch zupaß, ich preise mein Gewicht. Zeigt ernst die Nas nach Norden hin, daß ich aus Lust geworden bin, vergeß, vergeß ich nicht.
Die Bäume stehen sich durchs Jahr, das Herz ist wunder- und wandelbar, ich setz auf Wasnichtbleibt; so Blüten, Laub und Schöpferklein und leg dir Feuer ans Gebein, bis daß es Funken treibt.
Schau, die katangaschwarze Nacht hat die Machete mitgebracht und säbelt in den Wind. Da sind die Sterne aufgereiht, Schnittmuster für die Ewigkeit, der wir verloren sind.
Oh schönes Sein, oh großes Nuscht, zwei Wolken, in die Luft getuscht, die ich wohl fangen möcht. Es fällt die Nacht, es steigt die Früh, im Spiegel bleckt mein Kontervieh sein heimliches Geschlecht.
Doch Ketzers Kopf voll Fröhlichkeit, die Liebe bringt ihn um die Zeit, und ist für gut verjuxt. Dann aber kommt der Tag des Herrn mit Donnerschlag und Mandelkern, wo du den Himmel schluckst.
“Kommse rin, könnse rauskiekn! Schon bevor Sie das Stadtgebiet Berlins mit eigenen Füßen betreten, könnten Sie fast alles über diese Stadt wissen. Besonders wenn Sie mit dem Flugzeug kom-men, landen Sie mittendrin in allem, was Berlin aus-macht. Denn normalerweise hätten Sie auf dem neuen Zentralflughafen Berlin-Brandenburg International landen müssen. Seit 1991 läuft das Planungsverfahren für einen neuen, größeren Berliner Flughafen, der die drei bis-herigen Flughäfen Tegel, Tempelhof und Schönefeld ablösen sollte. Vernünftig wäre es gewesen, diesen Flug-hafen auf dem weiten Brandenburger Land, etliche Meilen außerhalb des Stadtgebiets, zu bauen, so wie das alle anderen Großstädte tun. Aber wie der berühmte Berliner Schwabe Brecht gesagt hat: »Kein Vormarsch ist so schwer wie der zurück zur Vernunft.« Als Zugeständnis an die Taxiunternehmer und aufgrund von lokalen Befindlichkeiten (ein Berliner Flug-hafen muss auf Berliner Grund und Boden stehen, was, wenn die Russen wiederkommen?) setzte der CDU-Senat unter dem Bürgermeister Diepgen die Planung für Schönefeld durch — bis zur Eröffnung war es ja noch viele Wahlperioden hin. Und tatsächlich fielen erst Diepgens Nachfolger Wowereit die Probleme auf die Füße, die sich aus dem Bau eines Flughafens mitten in einem städtischen Ballungsraum ergeben. Vermeintlich war das Flughafendesaster sogar ein wesentlicher Grund für dessen Rücktritt. Es scheint fast kein Detail zu geben, das bei der Flughafenplanung glatt gelaufen wäre. Es stellte sich sogar heraus, dass der vorgesehene internationale Flughafencode BBI, mit dem man jahrelang Werbung gemacht hatte, schon seit Jahrzehnten an einen Provinzflughafen im Osten Indiens vergeben ist. Der absolute Tiefpunkt war schließlich im Juni 2012 erreicht. Nach sechsjährigen Bauarbeiten sollte der Flugbetrieb am Abend des 2. Juni in Tegel und dem alten Schönefelder Flughafen eingestellt und der neue Flughafen am Morgen des 3. Juni 2012 eröffnet werden. Zu diesem Zweck waren 3000 LKWs angemietet und eine fünfstündige Sperrung der Stadtautobahn beantragt worden. Das alles hinderte die Stadt natür-lich nicht daran, für den 3. Juni außerdem eine große Fahrradsternfahrt zu genehmigen, für die der Autover-kehr in der Innenstadt zu weiten Teilen lahmgelegt werden musste.“
Nu mist het woud zijn purpren najaarspracht. Een ritslend kleed van rosse blaadren dekt De weke wegen, waar 't geplet fluweel Van plekken mos, smaragdgroen, zichtbaar bleef. De hoge bomen, zwart en bladerloos, Wie grijsgroen mos de ruige stammen dekt, Herdenken, droef, de zoete zomertijd, En schudden zacht de wijze kale kruin. In de oude toppen klaagt de winterwind. Door 't huivrend schaarhout vaart een lange zucht En trillend klapwiekt, als een bruine vlinder, 't Verdorde blad, dat trouw bleef aan zijn twijg.
Vriesdag
Staalblauw de hemel boven 't marmerwit Der straten, blank van d'eerste vlokkenval. En zonverguld, in fel-licht luchtkristal, De starre bomen, hard en zwart als git.
In doodgevrozen rozen heb ik al Mijn zomerdromen zacht een graf gespit, Waarbij ik trouw de handen vouw en bid Voor de arme zieltjes, die God redden zal.
O dromendoder Leven, steen en staal! In 't koude goudlicht van uw winterzon, Klinkt trots mijn tred nu, wijs en flink mijn taal.
Maar 't ruisgeluid van boom en lentebron En de oude sprook van roze en nachtegaal, 'k Zou sterker zijn zo 'k die vergeten kon.
Hélène Swarth (25 oktober 1859 - 20 juni 1941) Portret door H.J. Haverman, 1896
Van uit den spiegel van het donker nat heb ik mijn klaterenden straal geheven, ik hunker naar de kleuren die het leven in 't wisselspel van mijn kristallen spat,
mijn voeten zijn van wier en dras omgeven, van schuif'lend kruipsel, aal en waterpad, maar waar mijn kruin den blauwen hemel vat zie 'k bruisend uit op zon-vergulde dreven.
Toch stort ik weder gorg'lend naar den vloed, duik onder, rijs weer op in licht en gloed en, tuim'lend, blijf ik aan den top behooren,
tot eindelijk, de moe-geleefde dag mijn zilvren pijl knot met zijn wreed gezag en 'k in den stillen vijver ben verloren....
De Toren
Waar eeuwen stierven bleef de toren recht met zijn omspoelden buik en kartel-tinnen, hij is een drinkebroer wiens heete zinnen zich vieren in krakeel en zwaardgevecht,
en hoe 't gemeene volk den kost moet winnen deert noch den ridder, noch zijn wapenknecht, een overschuimde kruik, een blonde vlecht en schaam'le spelers die een lied beginnen....
Nu glanst een zwarte vleugel in den toren, de doode wachters, blank-geharnast, hooren 't verliefde spel der jonge, blonde vrouw,
zij luistren, roerloos, met gebogen hoofden en wat de droomen van hun jeugd beloofden herleeft, als bloemen in den morgendauw....
François Pauwels (25 oktober 1888 – 8 januari 1966)
Tags:Willem Wilmink, Christine D'haen, Anne Tyler, Elif Shafak, Daniel Mark Epstein, Peter Rühmkorf, Jakob Hein, Hélène Swarth, François Pauwels, Romenu
In de hete trein die dag is hij de enige die niet belt. (Hij heeft hier geen bereik en er zijn geen nieuwe berichten.)
(Hoofdmenu - echoput. Ringtones.) (Krijgen die kids toch nog een stukje klassieke muziek mee.)
Nooit meer stil is het in de coupé. Hij trekt zijn kop in, schildpad mag ik oversteken.
Het meisje tegenover hem lijkt vijftien maar leest tussen gesprekken en sms'jes door Inleiding Nederlands Recht en haar buikje piept, lief ballonnetje, onder haar truitje uit. Sereen is het woord niet voor de blik op haar gezicht. Allesoverziend in retrospectief. Haar vreemdheid is hem vertrouwd, haar huid. (Hij heeft hier geen bereik en er zijn geen nieuwe berichten.)
Zijn ontvankelijkheid is echter, kristalhelderder dan pas gewassen glas. Waarin regenbogen strijken, zebra mag ik oversteken. Waarop druppels stáán. Daar onder dat dekschild dat de buitenwereld tegen hem in bescherming neemt. Tegen hem inneemt. Onder dekking van de nacht: een recce van zichzelf. Under cover. Gespannen: zijn huid zit hem als gegoten, als naar binnen gegoten: als lood. (Hij heeft hier geen bereik en er zijn geen nieuwe berichten.)
Hij moet er kortom nodig eens even helemaal uit.
Maar de intercity hobbelt met twintig kilometer per uur achter een goederentrein aan.
Onno Kosters (Baarn, 24 oktober 1962)
De Nederlandse schrijver (Cornelis Christophel Maria) Kester Frerikswerd geboren in Djakarta, Indonesië, op 24 oktober 1954. Zie ookalle tags voor Kester Freriks op dit blog.
Uit:Echo's van Indië
“‘Elke keer verbaast me de zwarte belichting van de Indonesische vrijheidsstrijd, de zwarte spiegel die de Nederlandse geschiedschrijving ons voorhoudt,’ zegt Soedibyo, een van mijn gastheren in Jakarta. We zijn onderweg naar de plaats waar Soekarno en Hatta op 17 augustus 1945 de Indonesische onafhankelijkheid uitriepen, de Proklamasi. Dat was een vrijdagochtend om tien uur. Het moment staat Soedibyo nog levendig voor de geest. De korte ceremonie verliep beheerst en kalm, bijna sereen. Soekarno sprak de onafhankelijkheidswoorden nauwkeurig uit, niet opruiend, eerder ingetogen en beheerst. Hij was zich bewust van het belang van zijn woorden voor het Indonesische volk, maar ook was hij beducht voor de gevolgen ervan. Aan de tijd van de Japanse bezetting was twee dagen eerder, op 15 augustus, na de val van atoombommen op de steden Hiroshima en Nagasaki, een einde gekomen. Lang niet iedereen in de uitgestrekte Indonesische archipel was meteen op de hoogte van de capitulatie van Japan na ruim drie jaar oorlog en ontbering. De woorden van Soekarno over vrijheid en onafhankelijkheid voor Indonesië konden van het Nederlandse oppergezag rekenen op wraak, in elk geval een vergeldingsmaatregel. Mochten twee mannen het gehele eilandenrijk, nadat de macht van Japan was gebroken, zomaar tot zelfstandig, onafhankelijk gebied verklaren? Er was zeker gevaar te duchten, juist van Nederlandse zijde. Soekarno en Hatta waren al eerder wegens landverraad, opruiing en haatzaaien jegens de heersende blanke elite tot ballingschap en gevangenschap veroordeeld. Zij heetten staatsgevaarlijk te zijn. Nu de Tweede Wereldoorlog met de capitulatie van Japan in Azië voorbij was en er aan de Japanse bezetting een einde kwam, wenste Nederland het vooroorlogse koloniale regime te herstellen en te bestendigen, liefst net zoals het altijd geweest was. Toegegeven, er waren in Den Haag pogingen ondernomen om de verhoudingen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de overzeese koloniën te hervormen. De regering zocht naar zo gunstig mogelijke voorwaarden die de overgang naar onafhankelijkheid zouden regelen. Na de oorlog was er bijvoorbeeld geen ministerie van Koloniën meer. In haar beroemde rede van 6 december 1942 voor Radio Oranje wenste koningin Wilhelmina tegemoet te komen aan de levende wens van grotere zelfstandigheid in Nederlands-Indië en de andere overzeese rijksdelen.”
Uit:Confessions of a Son and Heir(Vertaald door Liz Waters)
“I am back in Holland. My stay is of a temporary nature: in six weeks at the most I'll have to return to Paris to replenish my stocks of Eropax brand antidepressants, prescribed me by my French physician -for one thing because in his opinion they drive away the fog that clouds my head and for another because my Dutch doctor refuses to supply me with them. Simon, who has travelled here with me, uses the same medecine. I keep telling myself that his situation is more serious than mine, but isn't it a tendancy all sick people suffer from? I can well imagine that a person afflicted with stomach cancer will laugh up his sleeve if he hears that his neighbour had been laid low by lung cancer. That is what is known as a short time advantage: it does not mean anything, maybe the neighbour will turn out to be one of the few who recover and the malignant cells that are rotting his own stomach will get a grip on his lower intestines and, why not, his oesophagus too. As far as the longer turn goes I better hold my tongue: these days there is not one individual left who is not aware that we are all going to slip through the cracks one fine day. I do not have a permanent abode. I am like a wandering balladeer from a previous century. I alternate between staying in Paris - in a studio belonging to Simon's gadabout sister Emmanuelle or in my Dutch friend Erika's apartment - in south-western France where a fifty-seven-year-old gentleman puts a freestanding worker's house with terrace and pleasant garden at my disposal, with my friends Sylvain and Franck (who live like hermits in a basement flat in South London), or at a farm in the vicinity of Werkmansgat where my forefathers used to occupy themselves with agricultural work, churchgoing, and an inordinate urge to copulate that rendered up a future farmer or a farmer's wife once a year.“
Aristide von Bienefeldt (24 oktober 1964 - 20 januari 2016)
Nach langer Arbeit Glücklichem Vollbringen Mit süßem Nichts die Tage zu verträumen, Bei jedem flüchtigen Genuß zu säumen, Am Großen sich ergötzend und Geringen:
Aus edlen Dichtern einen Vers zu singen, Gestreckt ins Gras, wo laute Quellen schäumen, An Rosenhecken, unter Lindenbäumen Das Leben unbesorgt dahin zu bringen.
Im Mai die Stirn mit jungem Laub zu krönen, Die lauen Nächte, bis es wieder taget, Durch Weingenuß und Liebe zu verschönen:
Dies ist, und wenn mich auch darob verklaget Ein Sittenrichter, der es will verpönen, Das Einzige, was meinem Sinn behaget.
Wer in der Brust ein wachsendes Verlangen
Wer in der Brust ein wachsendes Verlangen Nach schönen Augen fühlt und schönen Haaren, Den mahn ich ab, der nur zu viel erfahren Von Schmerz und Qual durch eitles Unterfangen.
Dem jähen Abgrund nur mit Not entgangen, Was blieb mir aus unendlichen Gefahren? Im Aug die Spur von hingeweinten Jahren, Und in der Brust ein ungeheures Bangen. Naht nicht der jähen Tiefe, junge Herzen! Des Ufers Liljen Glühn von falschem Feuer, Denn ach, sie locken in das Meer der Schmerzen!
Nur Jenen ist das Leben schön und teuer, Die frank und ungefesselt mit ihm scherzen, Und ihnen ruft ein Gott: Die Welt ist euer.
Hab ich doch Verlust in Allem...
Hab ich doch Verlust in Allem, was ich je gewann, ertragen; Aber Glaubet mir, das Leben läßt sich dann und wann ertragen! Zwar des Leidens ganze Bürde riß mich oft schon halb zu Boden, Doch ich hab es immer wieder, wenn ich mich besann, ertragen: Mir geziemt der volle Becher, mir der volle Klang der Lauten, Denn den vollen Schmerz des Lebens hab ich als ein Mann ertragen! Doch nun fühl ich, wie beflügelt, bis zum Himmel mich gehoben, Denn es lehrte mich das Leben, daß man Alles kann ertragen! Und es öffnet gegen Alle sich das Herz in reiner Liebe, Und ich will so gern mit Allen dieses Lebens Bann ertragen: Schließt den Kreis und leert die Flaschen, diese Sommernächte feiernd, Schlimmre Zeiten werden kommen, die wir auch sodann ertragen.
August Graf von Platen (24 oktober 1796 - 5 december 1835) Portret door Moritz Rugendas, ca. 1830
“De Moeder waarover ik nu vertel had vijf zonen en vier dochters. Toen de oorlog kwam waren er nog drie ongetrouwd bij haar thuis, het meisje Mone, Bastiaan, en de jongste, Helm, ‘het Jungske’ zooals ze hem noemden. De Moeder was 'n eenvoudig mensch, nog van den ouden tijd. Ze kon lezen noch schrijven. In haar kinderjaren bestond er in de parochie geen school. Haar gebeden had ze geleerd van haar moeder. Bastiaan en Helm waren soldaat geweest. Toen ze opgeroepen werden voor den oorlog deed ze met Mone zoo goed als 't kon het werk voort. Maar 't was hard wroeten met twee melkkoeien, en zij en Mone daar alleen voorstaan. Voor 't zware werk kwam haar oudste zoon, Polidoor, helpen. Van Duitsche soldaten hadden ze geen last in 't dorp. In den laten Bamistijd van '17, toen ze bezig waren de beeten binnen te voeren, kwam Korneel, de veldwachter, op het land bij haar staan. Korneel zei: ‘De burgemeester heeft me gezonden. Daar komen bij u drie Duitsche soldaten op logement, zieken, zegt de burgemeester.’ De Moeder stond naast den kruiwagen, ze keek den veldwachter een poosje zwijgend en hard in de oogen, en zei dan: ‘Dat kan niet.’ - ‘En waarom kan dat niet?’ - ‘Bij een weduwe die met een jong meisje alleen zit, - dat mogen ze niet.... en in een huis dat zoo alleen ligt.’ Hare gedachten waren onmiddellijk naar Mone gegaan. Ook de veldwachter dacht aan Mone. - ‘Ge moet dat dan maar aan den burgemeester gaan zeggen,’ zei hij, en ging weg. De Moeder ging dien avond naar den burgemeester. Ze vernam dat de Duitsche officier, die tweemaal in de maand op het gemeentehuis kwam, haar huis had aangeduid, en nog twee andere boerderijen die aan den anderen kant van 't dorp lagen. Daar was niets aan te doen. De burgemeester klopte haar op den schouder. En ze moest het ook niet onmiddellijk zoo erg opnemen. Die soldaten sliepen maar ieverans in de schuur of op de schelft, er waren daar ook brave menschen onder. En 't was oorlog. De Moeder keek ook den burgemeester hard in de oogen. - ‘Het past niet,’ antwoordde ze kort, en ging. Ze had een zwaar hart. 's Avonds na 't eten zei ze tegen Mone: ‘Daar komen hier drie Duitschers.’ - ‘Ik weet het,’ knikte Mone. Dan viel er een stilte tusschen hen twee. Ze hoorden de klok tikken en den hond bassen tegen iemand die over den steenweg voorbijging.”
Ernest Claes (24 oktober 1885 - 2 september 1968) Borstbeeld in museum Huize Ernest Claes in Zichem
Uit:Schlafen werden wir später “27. März 2009–17:43 Liebste Johanna, heute Morgen hat Simon beim ersten frühen, viel zu frühen Kaffee gesagt, wäre er zehn Jahre jünger und hätte drei Kinder weniger, hätte er mich schon verlassen. Eine Drossel hatte sich ans nachtbeschlagene Fenster gesetzt und mit ihrem Schnabel angeklopft, als wolle sie uns warnen und bremsen, uns belauschen, um es an diesem Frühlingsmorgen schnell in ihre Vogelwelt zu tragen, von Ast zu Ast, von Zweig zu Zweig, Drosseln und Finken zu verkünden, die nach dieser Nachricht schnappen würden wie nach einem Wurm, hört, hört, Neues aus der Körberstraße zwölf, hört, hört. Simon sagte es in einem Ton, als sei es ohne Bedeutung, als sei es etwas wie: Das Wetter schwenkt um, ich nehme lieber den Zug und nicht den Wagen, und vielleicht habe ich deshalb nichts erwidert, Johanna, vielleicht habe ich deshalb Tassen und Teller aus der Spülmaschine in den Schrank geräumt, wie jeden Morgen, weiter Messer zu Messern, Löffel zu Löffeln gelegt und getan, als hätte ich nichts gehört und müsste deshalb auch nichts erwidern. Obwohl Simons Satz den ganzen still verregneten, langen, viel zu langen Tag in mir hämmert, mich aufscheucht und rastlos, ruhelos wie eine Gefangene in ihrer Zelle umherschickt, die Finger knetend, auf und ab, die Ringe drehend, besonders den einen, besonders diesen einen Ring. Wirrgrelle Lichtgirlanden wie die farbigen Pfeile einer Feuerwerksrakete schießen seine Worte durch meinen müden Kopf, seit sie am Morgen gefallen sind, in dieser schmalen Zeitschleuse, als die Kinder noch schliefen und es still in unserer Küche war, still genug, um eine Drossel mit nassen Federn zu hören, die ihren spitzen Schnabel an unser Fenster schlug. Soeben ist Lori gegangen und hat ihren Loriduft zurückgelassen, etwas L’air du printemps, Blumen im Korb, Märzregen in der Jacke, der die plötzlich heißen Tage wegwäscht, die Lorimischung aus abgestreiftem Winter und scheuem, verzagtem Frühling. Sie war mit einer Kiste gekommen, voller Goldflieder und Tulpenmagnolien aus ihrem Garten, deren Blüten an den ersten warmen Tagen heftig schwärmerisch und, wie ich gerade finde, unnütz bunt aus den Zweigen geschossen sind. Ich saß neben dem schlafenden, in seine hellblaue Babydecke gewickelten winzigen Henri auf der Küchenbank, zupfte simonvergessen an Spreißeln und schaute Lori zu, als sie mit ihrer Zitterhand die Stiele mit dem einzigen scharfen Küchenmesser schnitt und die Zweige nach und nach in die Vase steckte.“
Hypocrite women, how seldom we speak of our own doubts, while dubiously we mother man in his doubt!
And if at Mill Valley perched in the trees the sweet rain drifting through western air a white sweating bull of a poet told us
our cunts are ugly—why didn't we admit we have thought so too? (And what shame? They are not for the eye!)
No, they are dark and wrinkled and hairy, caves of the Moon ... And when a dark humming fills us, a
coldness towards life, we are too much women to own to such unwomanliness.
Whorishly with the psychopomp we play and plead—and say nothing of this later. And our dreams,
with what frivolity we have pared them like toenails, clipped them like ends of split hair.
The Well
At sixteen I believed the moonlight could change me if it would. I moved my head on the pillow, even moved my bed as the moon slowly crossed the open lattice.
I wanted beauty, a dangerous gleam of steel, my body thinner, my pale face paler. I moonbathed diligently, as others sunbathe. But the moon's unsmiling stare kept me awake. Mornings, I was flushed and cross.
It was on dark nights of deep sleep that I dreamed the most, sunk in the well, and woke rested, and if not beautiful, filled with some other power.
Denise Levertov (24 oktober 1923 – 20 december 1997) Cover
„I stopped in my tracks. There was elation and desperation. Where was my companion? I had no companion, et cetera. I had no life companion, but why was that? What had I done that had made that the case, leaving me in danger? Each time I thought the word “companion” I felt pain collecting in my chest. I suddenly realized how precipitous the place I had chosen to sit and commune from was. The pain was like hot liquid, and I remember feeling hopeless because I knew it was something not amenable to vomiting. I wanted to expel it. Vomiting is my least favorite inevitable recurrent experience, but I would have been willing to drop to all fours and vomit for hours if that would access this burning material. It was no use saying mate or compadre instead of companion: the pain was the same. Also, that I genuinely deserved a companion was something included. I wish I knew how long this went on. It was under ten minutes, I think. Who can I tell this to, was the thought that seemed to end it. I may have been into the diminuendo already, because I had gotten back from the ledge, back even from the path and into the undergrowth. It all lifted. I sat in the brush, clutching myself. I had an optical feeling that the falls were receding. Then it was really over. I hauled myself back to the hotel feeling like a hysteric, except for the sense that I had gotten something germane, whatever it was, out of my brush with chaos.“
Intelligence and espionage, Fox knows the score. But where he acquired his expertise Must be labelled strictly confidential. He talks of MI5 and CIA, of Interpol and KGB, Truth drugs, interrogation, planted information, Cryptonyms, code names, double and triple agents.
He talks of `Kingfish' Angleton's 'lunatic projects', Computer analysis of trade journals, newspapers, Systematic filing of gossipy taped conversations, Scrutiny of the contents of wastepaper baskets, In-depth study of photos and simple artefacts, The 'gaming theory' based on Method acting, Designed to show how politicos react To everyday and crisis situations.
`Knowledge is power,' says Fox. A splendid cliché old MacDougall taught me Nearly forty years ago.'
An alpha plus to that good dominie.
Last Post
Now the fact seems diamond hard, This time the Captain's really dead. Two German doctors signed the death certificate, Press, radio, T.V. have not disputed it. The Times has sent Fox off in style; 1/4, A favourable obit and two appreciations. The world's press echoed them. Yet still an air of mystery surrounds The Captain's death in Freiburg.
A memorial service has been arranged: At Margaret's, Westminster, in London's heart. It's said the PM will be there 3/4 Also a dashing Royal Duke Will hear the Last Post sounded.
Now Fox's friends must patiently collect Each piece of the mosaic of a life That still has baffling gaps. Already the Yale-men are hard at work Forging a scholar's key to Fox's door. One day a monolith of Yankee print Will tell us all 3/4 or not a bloody thing.
Robert Greacen (24 oktober 1920 – 13 april 2008) Londonderry
Tags:Onno Kosters, Kester Freriks, Aristide von Bienefeldt, August Graf von Platen, Ernest Claes, Zsuzsa Bánk, Denise Levertov, Norman Rush, Robert Greacen, Romenu