Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
08-04-2017
John Fante, Johann Christian Günther, Glendon Swarthout, Martin Grzimek, Hégésippe Moreau
“Then I went down the hill on Olive Street, past the horrible frame houses reeking with murder stories, and on down Olive to the Philharmonic Auditorium, and I remembered how I'd gone there with Helen to listen to the Don Cossack Choral Group, and how I got bored and we had a fight because of it, and I remembered what Helen wore that day -- a white dress, and how it made me sing at the loins when I touched it. Oh that Helen -- but not here. And so I was down on Fifth and Olive, where the big street cars chewed your ears with their noise, and the smell of gasoline made the sight of the palm trees seem sad, and the black pavement still wet from the fog of the night before. So now I was in front of the Biltmore Hotel, walking along the line of yellow cabs, with all the cab drivers asleep except the driver near the main door, and I wondered about these fellows and their fund of information, and I remembered the time Ross and I got an address from one of them, how he leered salaciously and then took us to Temple Street, of all places, and whom did we see but two very unattractive ones, and Ross went all the way, but I sat in the parlor and played the phonograph and was scared and lonely. I was passing the doorman of the Biltmore, and I hated him at once, with his yellow braids and six feet of height and all that dignity, and now a black automobile drove to the curb, and a man got out. He looked rich; and then a woman got out, and she was beautiful, her fur was silver fox, and she was a song across the sidewalk and inside the swinging doors, and I thought oh boy for a little of that, just a day and a night of that, and she was a dream as I walked along, her perfume still in the wet morning air. Then a great deal of time passed as I stood in front of a pipe shop and looked, and the whole world faded except that window and I stood and smoked them all, and saw myself a great author with that natty Italian briar, and a cane, stepping out of a big black car, and she was there too, proud as hell of me, the lady in the silver fox fur. We registered and then we had cocktails and then we danced awhile, and then we had another cocktail and I recited some lines from Sanskrit, and the world was so wonderful, because every two minutes some gorgeous one gazed at me, the great author, and nothing would do but I had to autograph her menu, and the silver fox girl was very jealous.”
John Fante (8 april 1909 – 8 mei 1983) Affiche voor de film uit 2006 met o.a. Colin Farrell (Arturo)
Was war das für ein göttlich Paar? Wo hat die Welt dergleichen Lüste? So lacht' ihr Mund, so flog das Haar, So hüpften die gefüllten Brüste.
Die Sehnsucht schilt den leeren Raum, Ich weiß nicht, was ich selbst begehre. Der Menschen Leben heißt ein Traum, O wenn doch meins ein solcher wäre!
An die Spötter seiner Poesie
Ist Damon nicht ein fauler Thor? So sprechen viel der reichen Brüder, Er bringt kein großes Werck hervor, Und was er macht, das sind nur Lieder; Er scherzt mit Gärthen, Kuß und Hayn, Will ruhig und verborgen seyn Und weder Schaz noch Staat erwerben; Sagt, ist wohl Damon weis und klug? Ihr Narren, thut er nicht genug? Er lernt ja leben und auch sterben.
Johann Christian Günther (8 april 1695 – 15 maart 1723) Striegau (tegenwoordig Pools Strzegom)
„Claw Hand waggled his gun in warning. “I am not armed,” the rider assured him. “You be careful of that cannon.” Slipping the wallet from inside his coat, he tossed it. The old man let his eyes follow and therefore did not see the weapon which appeared in the rider’s hand as suddenly as blown sand, nor did he hear the explosion because the bullet exploded in his abdomen, crazed through his vitals, was deflected by the spine, and lodged, spent, in the socket of his left hip. He dropped his gun and fell to his knees and squealed like a stuck pig. “Gawdamighty, you’ve murdered me!” “Bring me the wallet.” “I cain’t! Gawdamighty!” “Bring it you old bastard, or I will put another through the same hole.” The man’s claw pecked at it, his good hand stopped his stomach as though it were a barrel with the bung out, and blubbering, staggering to the horseman, he handed up the wallet. “Thanks,” said the rider, putting away wallet and weapon and taking reins. “You ain’t a-going to leave me here!” “I am.” The rider considered him. “I will do you a favor, though. You have got a bellyache you are not going to get over. You can die slow or now. If you like, I will kill you.” “Kill me!” “If I was in your fix, I would be obliged. I am a fair shot, and you are old enough, and you don’t look as if life has treated you very sporting.” Claw Hand backed off and sank to his knees again and began to wail like a child. His mouth hung open in shock. Saliva dripped from his chin. “Suit yourself,” said the man on the crimson pillow, turning as he rode on. “Don’t try to hold up anybody else before you die, Granddad. You are not worth a damn at it.”
Glendon Swarthout (8 april 1918 – 23 september 1992) Scene uit de film met John Wayne, 1976
“Es geschah am Morgen des siebzehnten Ianuarius auf dem Schlachtfeld nicht weit der normannischen Küste in den Hügeln bei Convuë. Riwalin, König von Parmenien, wurde von Fürst Morgan, seinem eigenen irischstämmigen Lehnsmann, durch einen gewaltigen Schwerthieb tödlich getroffen. Riwalin war dicht an Morgan herangeritten und wollte gerade zum Schlag ausholen, als sich Morgans Pferd plötzlich wie eine Furie um sich selbst drehte, und im Schwung dieser Drehung hatte der Irländer, unvorhersehbar auf der anderen Seite neben dem König auftauchend, das Schwert gegen dessen Hals prallen lassen. Es durchtrennte die Maschen des Kettenhemds knapp über der Schulter, rutschte durch die Wucht der Bewegung zum Kinn Riwalins hinauf und schlitzte ihm die Halsader auf. Riwalin riss noch den Kopf herum, suchte den Feind, der ihn angegriffen hatte, erblickte Morgan und wollte schreien – da brach das Licht in des jungen Königs Augen, und das Blut, das ihm über die Brust rann, löschte das Feuer seines Zorns. Tot sank er vom Pferd. Nur einen halben Tagesritt entfernt auf der Burg Canoêl rang am selben Abend Blancheflur, Riwalins Frau und zugleich die Schwester von König Marke aus Cornwall in Britannien, mit dem Tod, um ihrem Kind, das einst und für alle Zeiten Tristan genannt werden sollte, ein ewiges Leben zu schenken. Die Tücher, in denen der Neugeborene seinen ersten Schrei ausstieß, waren noch voll von Blancheflurs Schweiß, von den Krämpfen ihres Todeskampfes, vom Glück ihrer Liebe. Floräte, die Frau Ruals, des Marschalls von Parmenien, und Elbeth, die Amme, bargen das Kind. Und während Floräte Blancheflur mit den zitternden Stößen ihrer angstvollen Atemzüge in den Tod weinte, wusch die Amme den Säugling und befreite ihn von Schleim und Blut. Sie wusch ihn mit ihren Tränen, während Floräte ihr Gesicht an der noch warmen, schweißnassen Brust der Toten verbarg. Alles war ein einziger Schmerz, ein Klagen mit aufeinander-gepressten Lippen. Denn niemand durfte etwas von diesem Unglück erfahren. Und als Floräte aufschaute, wagte sie es, ihre glühende Wange für einen Augenblick an die der Toten zu drücken, ihre Hände um das schöne Gesicht ihrer Königin zu legen und ihr die Augen zu schließen, in denen ein Licht von innen her zu leuchten schien, bis es im erstarrten Blick verglomm.“
Après dix ans je vous revois, Vous que j’aimai toute petite ; Oui, voilà bien les yeux, la voix
Et le bon cœur de Marguerite. Vous m’avez dit : « Rajeunissons Ces souvenirs pleins d’innocence. » Ah ! j’y consens, recommençons Un des beaux jours de notre enfance.
Comme ils sont loin ces jours si beaux ! Gais enfants que le jeu rassemble, En souliers fins, en gros sabots, Sur l’herbe nous courions ensemble. Dans la vie, où nous avançons, Nous ne marchons plus qu’à distance. Ah ! j’y consens, recommençons Un des beaux jours de notre enfance.
Pauvre ignorant, vous m’instruisiez Avec une peine infinie ; Plus d’une fois, lorsqu’à vos pieds J’épelais Paul et Virginie, Je fus distrait à vos leçons, Pour y rester en pénitence : Ah ! j’y consens, recommençons Un des beaux jours de notre enfance.
Quoi ! je chante et pas un souris,
Pas un regard qui m’applaudisse ! Autrefois, quand je vous appris L’air dont m’a bercé ma nourrice, Un baiser fut de mes chansons Le refrain et la récompense : Ah ! j’y consens, recommençons Un des beaux jours de notre enfance.
Hégésippe Moreau (8 april 1810 – 20 december 1838) Borstbeeld op Montparnasse, Parijs
Juliana Spahr, William Wordsworth, Özcan Akyol, Gabriela Mistral, Henk Fedder, Donald Barthelme, Jens Peter Jacobsen, Hervé Bazin, Johannes Mario Simmel
If he or she is clumsy in places, those are clumsy places and when he or she says I have a lover or a husband or a wife, we or I feel sad, or is it just clumsy? can't one make it simple, or at least simpler? or why can't it be that way for just one moment? I am writing this on a hip pocket pad, a waterproof one but I am not crying, never crying and it never rains when or where in some northern or southern or western
or eastern city I am writing to tell you I've got a crush on you cootchi coo the waterproof cost me extra the words are extra; they don't come with the pad the crush, the love is extra and you are extra. oh, wake up.
Dynamic Positioning (Fragment)
It is dynamic positioning that Allows a semi-submersible the
Ability to hover there over The well. It is a thirty-six inch tube,
A casing, that extends down to allow The drill and bit to be rotated there;
The drill then spudding in; the seafloor, dark, And giving way. It is a thick column
Of drilling mud that keeps natural gas And oil beneath the seafloor while the well
Is capped and it is a cement that Fills in the casing so the drill pipe stays
Unmoving, stable, in this ever moving sea. It is a sort of drilling mud that is
Then pumped through the drill pipe and out through The drill bit then up through the casing and
Then back up to the oil rig in the space Between the drill pipe and the inner wall.
The martial courage of a day is vain, An empty noise of death the battle's roar, If vital hope be wanting to restore, Or fortitude be wanting to sustain, Armies or kingdoms. We have heard a strain Of triumph, how the labouring Danube bore A weight of hostile corses; drenched with gore Were the wide fields, the hamlets heaped with slain. Yet see (the mighty tumult overpast) Austria a daughter of her Throne hath sold! And her Tyrolean Champion we behold Murdered, like one ashore by shipwreck cast, Murdered without relief. Oh! blind as bold, To think that such assurance can stand fast!
Scorn not the Sonnet
Scorn not the Sonnet; Critic, you have frown'd, Mindless of its just honours; with this key Shakespeare unlock'd his heart; the melody Of this small lute gave ease to Petrarch's wound; A thousand times this pipe did Tasso sound; With it Camöens sooth'd an exile's grief; The Sonnet glitter'd a gay myrtle leaf Amid the cypress with which Dante crown'd His visionary brow: a glow-worm lamp, It cheer'd mild Spenser, call'd from Faery-land To struggle through dark ways; and when a damp Fell round the path of Milton, in his hand The Thing became a trumpet; whence he blew Soul-animating strains--alas, too few!
Sweet was the walk along the narrow lane
Sweet was the walk along the narrow lane At noon, the bank and hedge-rows all the way Shagged with wild pale green tufts of fragrant hay, Caught by the hawthorns from the loaded wain, Which Age with many a slow stoop strove to gain; And childhood, seeming still most busy, took His little rake; with cunning side-long look, Sauntering to pluck the strawberries wild, unseen. Now, too, on melancholy's idle dreams Musing, the lone spot with my soul agrees, Quiet and dark; for through the thick wove trees Scarce peeps the curious star till solemn gleams The clouded moon, and calls me forth to stray Thro' tall, green, silent woods and ruins gray.
William Wordsworth (7 april 1770 – 23 april 1850) Standbeeld in Westminster Abbey, Londen
“De andere kinderen moesten bidden, daarom wandelde ik naar huis. Onze gordijnen waren half dichtgetrokken en beschermden het televisiescherm tegen het zonlicht. Ik gooide mijn rugzak op de stoffen stoel, nam een mandarijn uit de fruitmand en negeerde Turis en zijn vriend op weg naar de vlizotrap. Ik had de deurklink in mijn hand en voelde lichte euforie, want voor het eerst in tijden hadden ze me gewoon met rust gelaten, maar precies op dat moment stamelde hij alsnog mijn naam, gevolgd door een lange boer. `Kom hier,' zei Turis. 'Laat me dat racket zien waarmee je al de hele week speelt.' Ik liep terug naar de woonkamer. Tunis en zijn vriend zaten in exact dezelfde houding, comfortabel achteroverleunend met een arm op de rugleuning en met een sigaret in hun mond. Er stond een fles vieux van Floryn op tafel, de geluiden van de mensen op de televisie werden overstemd door een kakofonie van kreten op het binnenplein, waar de Nederlandse kinderen dankzij het gebed een mogelijkheid hadden gevonden om zich te verzamelen. Voor wij in deze stad kwamen wonen was het hun terrein. Nu waren ze in de minderheid. `Het zit in mijn rugzak. Ik heb het vanavond nodig tijdens het toernooi.' `We gaan dat ding heus niet opeten,' antwoordde hij. Tak het even.' Ik trok de rits van mijn rugzak open en staarde naar de gekleurde schriften en het etui, daaronder lagen proppen papier, elastiekjes en verbrokkelde stukjes gum. Het handvat van het tafeltennisbatje stak boven alles uit, als een schoorsteen op het dak van een huis. De vriend van Turis heette Orhan. Hij was een man die altijd dronk en een weeë geur van zweet en alcohol verspreidde. Hij had een zwarte baard met gaten erin en er staken haren uit zijn neus. Niemand wilde met hem trouwen, daar roddelden mijn ouders elke week over, meestal in het bijzijn van visite die ook in de fabriek werkte. `Ik heb het batje van school geleend.' Turis boog voorover en trok het uit mijn hand. Hij voelde aan het rubber, tikte op het hout en gaf het toen aan Orhan. `Waar gebruiken jullie dit voor?' vroeg hij. Ik legde hem uit wat tafeltennis inhield, vertelde over het schooltoernooi en kon mijn enthousiasme slecht onderdrukken, zodat er een uiteenzetting volgde over ons naderende avontuur.”
Lord, you who taught, forgive me that I teach; forgive me that I bear the name of teacher, the name you bore on earth.
Grant me such devoted love for my school that not even beauty's flame will detract from my faithful tenderness.
Master, make my fervor long-lasting and my disillusion brief. Uproot from me this impure desire for justice that still troubles me, the petty protest that rises up within me when I am hurt. Let not the incomprehension of others trouble me, or the forgetfulness of those I have taught sadden me.
Let me be more maternal than a mother; able to love and defend with all of a mother's fervor the child that is not flesh of my flesh. Grant that I may be successful in molding one of my pupils into a perfect poem, and let me leave within her my deepest-felt melody that she may sing for you when my lips shall sing no more.
Make me strong in my faith that your Gospel is possible in my time, so that I do not renounce the daily battle to make it live.
Let your luminous radiance descend upon my modest school as it did upon the barefoot children who surrounded you.
Make me strong even in my weakness as a woman, and particularly as a poor woman. Make me scorn all power that is not pure, and all duress that is not your flaming will upon my life.
Gabriela Mistral (7 april 1889 – 10 januari 1957) Borstbeeld in het Parque de Las Esculturas, Santiago, Chili
Aan 't surrogatenmaal heb 'k walgende gezeten Maar d'arme heeft altijd het afval opgevreten. Laat d'oorlogswinst der wereld minstens zijn dat een menschwaard bestaan een elk wordt toegemeten.
Fiets
Of daaglijks mijn voor- en/of achterband knapt, dat hindert mij niet; 'k word toch telkens gelapt, op mijn enkele velgen als 't moet blijf ik spurten.... Hup Holland, naar d'eindoverwinning getrapt!
Henk Fedder (7 april 1890 – 29 mei 1979) Fietsenrazzia bij het Rijksmuseum, Amsterdam, 1944
“Dore is angry. She’s holding the box that the frozen pizza came in. “You’re actually going to feed us this pizza?” “What’s the matter with it?” “This frozen pizza?” “So it’s frozen.” “Do you know what it’s got in it? Enriched flour.” “What’s the matter with enriched flour?” “The enriched flour has in it flour, niacin, reduced iron, thiamine mononitrate, and riboflavin.” “All great stuff. I remember riboflavin from my childhood. They put it in Wheaties or something.” “We’re just getting started. We’re just going into our windup here. We get water, hydrogenated soybean oil, yeast, salt, and something called dough conditioner. The dough conditioner’s got sodium stearoyl lactylate, calcium sulfate and sodium sulfite.” “Soybeans are good. Invented by Martin Luther King.” “Moving right along, we get cooked pork and mozzarella cheese substitute. The mozzarella cheese substitute contains water, casein, hydrogenated soybean oil—you notice the soybean is doing a lot of work here—salt, sodium aluminum phosphate, lactic acid, natural flavor whatever that is, modified cornstarch, sodium citrate, sorbic acid, sodium phosphate, artificial color, guar gum, magnesium oxide, ferric orthophosphate, zinc oxide, B-12, folic acid, B-6 hydrochloride, niacinamide, vitamin A palmitate, xanthan gum, thiamine mononitrate—I ask you.” “What?” “Is this food or a chemistry set?” “Doesn’t taste too bad.” “I could make a nuclear weapon with less stuff than this pizza has in it.”
Uit: Niels Lyhne (Vertaald door Annelies van Hees)
“Bartholine was gelukkig, want haar liefde maakte dat de hele dag vervloeide tot een ketting van poëtische situaties. Zo was het poëzie als ze de weg afliep om hem tegemoet te gaan. De ontmoeting was poëzie, het afscheid was het; het was poëzie als ze in de glans van de avondzon op de heuvel stond om hem een allerlaatst vaarwel toe te wuiven en dan, melancholiek blij te moede, naar haar eenzame kamertje ging om ongestoord aan hem te kunnen denken en als ze voor hem bad in haar avondgebedje, dan was dat ook poëzie. Ze had die onbestemde wensen en verlangens niet meer, haar nieuwe leven met zijn wisselende stemmingen was haar genoeg en haar gedachten en opvattingen waren helderder doordat ze nu iemand had tot wie ze zich zonder voorbehoud kon richten zonder angst verkeerd begrepen te worden. Ook in een ander opzicht was ze veranderd. Het geluk had haar beminnelijker gemaakt tegenover haar ouders en haar broers en zusters, ze vond dat ze eigenlijk verstandiger waren en meer gevoel hadden dan ze altijd had gedacht. En toen trouwden ze dus. Het eerste jaar leek op hun verlovingstijd, maar toen hun samenzijn wat gewend was, kon Lyhne niet meer voor zichzelf verhelen dat hij het beu was steeds op nieuwe wijze uitdrukking te geven aan zijn liefde, gehuld in het verenkleed van de poëzie zijn vleugels gespreid te houden voor zijn vlucht door alle stemmingshemelen en gedachtedieptes. Hij verlangde ernaar in genoeglijke rust stil op zijn tak te zitten en doezelend zijn vermoeide hoofd te verbergen onder het warme verenkleed van zijn vleugels.Hij had zich de liefde niet voorgesteld als een eeuwig wakkere, oplaaiende vlam die met zijn sterke, flakkerende schittering alle rustige plooien van het bestaan bescheen en als in dromen alles groter en vreemder deed lijken dan het was. Veeleer was de liefde voor hem als de stille, smeulende gloed die vanuit zijn zachte aslaag gelijkmatig warmte uitstraalt en in de gedempte schemering stilaan het verre vergeet en het nabije dubbel zo nabij en dubbel zo huiselijk maakt.”
Jens Peter Jacobsen (7 april 1847 – 30 april 1885) Cover
« Elle avait de jolis yeux, vous savez, cette vipère, non pas des yeux de saphir comme les vipères de bracelets, je le répète, mais des yeux de topaze brûlée, piqués noir au centre et tout pétillants d'une lumière que je saurais plus tard s'appeler la haine et que je retrouverais dans les prunelles de Folcoche, je veux dire de ma mère, avec, en moins, l'envie de jouer (et, encore, cette restriction n'est-elle pas très sûre 1). Elle avait aussi de minuscules trous de nez, ma vipère, et une gueule étonnante, béante, en corolle d'orchidée, avec, au centre, la fameuse langue bifide — une pointe pour Eve, une pointe pour Adam, — la fameuse langue qui ressemble tout bonnement à une fourchette à escargots. Je serrais, je vous le redis. C'est très important. C'était aussi très important pour la vipère. Je serrais, et la vie se fatiguait en elle, s'amollissait, se laissait tomber au bout de mon poing en flasque bâton de Moïse. Des sursauts, bien sûr, elle en avait, mais de plus en plus espacés, d'abord en spirale, puis en crosse d'évêque, puis en point d'interrogation. Je serrais toujours. Enfin, le dernier point d'interrogation devint un point d'exclamation, lisse, définitif et ne frémissant même plus de la pointe. Les topazes s'éteignirent, à moitié recouvertes par deux morceaux de taffetas bleuâtres. La vipère, ma vipère, était morte ou, plus exactement, pour moi, l'enfant, elle était retournée à l'état de bronze où je l'avais trouvée quelques minutes auparavant, au pied du troisième platane de l'allée du pont. Je jouai vingt minutes avec elle, la disposant à ma fantaisie, tripotant, maniant ce corps sans membres d'infirme parfait. Rien n'est si bien mort qu'un serpent mort. Très vite, elle perdit toute allure, cette loque, elle perdit tout métal. Elle s'obstinait à me montrer cette couleur trop claire du ventre, que, par prudence, toutes les bêtes dissimulent jusqu'à la mort — ou jusqu'à l'amour. J'étais en train de la nouer autour de ma cheville, quand retentit la cloche de La Belle Angerie sonnant pour les confitures. Il s'agissait ce jour-là d'achever un pot de mirabelles, un peu moisies par quatre ans de buffet, mais bien plus avantageuses que ces gelées de groseilles qui se laissent odieusement gratter sur les tartines. Je sautai sur mes pieds sales, sans oublier ma vipère, que je pris cette fois par la queue et à qui j'imprimai un joli mouvement de balancier. »
„Im gleichen Flugzeug: George Misaras, Mojshe Faynberg und Jesus Washington Meyer. Jakobs Problem war gewesen, in Linz eine Wohnungzu finden. Und etwas zu essen. In den großen Städten verhungerten die Menschen, als würden sie dafür bezahlt. Und im Radio konnte man hören, das ehemalige Großdeutsche Reich sei so zerstört, daß dreißig Kubikmeter Schutt auf den Kopf der Bevölkerung kamen. Und daran waren die Deutschen selber schuld und durften es nie vergessen! Schon um sechs Uhr früh standen Schlangen vor dem Wohnungsamt. Jakob stand auch da. Ein erschöpfter Beamter saß hinter einem Schreibtisch, auf dem sich Briefe häuften. Er war mit einer kreischenden Dame beschäftigt. Jakob sah schnell, daß hier nichts zu holen war. Er ging. Als er aus dem Amt auf die Straße hinaustrat, fuhr ihn ein schönes, junges Mädchen in einem kornblumenblauen Kleid mit ihrem Fahrrad über den Haufen. Er war selber schuld, denn er hatte nicht aufgepaßt. Die Hübsche war furchtbar aufgeregt, aber bei Jakob fand sich nur eine Platzwunde am Schädel. Er erzählte ihr, daß er keine Bleibe habe. Sie erzählte ihm, daß sie ihm eine besorgen werde. Nicht in Linz! Außerhalb! In dem kleinen Ort Theresienkron, da beim Ami-Fliegerhorst Hörsching. In den Dörfern gab es immer noch Platz. Das Mädchen, zum Beispiel, hatte ein riesengroßes Zimmer bei der Pröschl-Bäuerin. Jakobs Platzwunde wurde verbunden, dann setzte er sich auf den Gepäckträger des Rades, das dem schönen Mädchen gehörte, und sie strampelte mit ihm nach Theresienkron zur guten Frau Luise Pröschl. Es waren nur sieben Kilometer zu strampeln, aber sie brauchten für die Reise einen halben Tag. Sie hatten nämlich gleich festgestellt, daß sie einander geistig gut verstanden. Auf der Fahrt nach Theresienkron (Jakob mußte das Mädchen um die Hüften fassen, um nicht vom Gepäckträger zu fallen), entdeckten die beiden andere Gemeinsamkeiten. Es war ein sonniger Tag. In einem kleinen Wäldchen stellten sie dann fest, daß sie einander tatsächlich auf jedem Gebiet außerordentlich gut verstanden.“
Johannes Mario Simmel (7 april 1924 – 1 januari 2009) Cover
Tags:Juliana Spahr, William Wordsworth, Özcan Akyol, Gabriela Mistral, Henk Fedder, Donald Barthelme, Jens Peter Jacobsen, Hervé Bazin, Johannes Mario Simmel, Romenu
Kazim Ali, Annejet van der Zijl, John Pepper Clark, Jakob Ejersbo, Günter Herburger, Uljana Wolf, Brigitte Schwaiger, Julien Torma, Nicolas Chamfort
De Amerikaanse dichter, schrijver en essayist Kazim Aliwerd geboren op 6 april 1971 in Croydon, Engeland. Zie ook alle tags voor Kazim Aliop dit blog.
Speech
How struck I was by that face, years ago, in the church mural: Eve, being led by Christ through the broken gates of Hell.
She’s been nominated for the position of Featured Saint on the Icon of Belief, up against the dark horse candidate—
me: fever-ridden and delirious, a child in Vellore, unfolding the packet around my neck that I was ordered not to open.
Inside, a folk cure, painted delicately in saffron. Letters that I could not read.
Why I feel qualified for the position based on letters I could not read amounts to this:
Neither you nor I can pronounce the difference between the broken gates and the forbidden letters.
So what reason do we need to believe in icons or saints? How might we otherwise remember—
without an image to fasten in that lonely place— the rock on which a Prophet flung himself into fever?
Without an icon or church, spell “gates of Hell.” Spell “those years ago unfolding.”
Recite to me please all the letters you are not able to read. Spell “fling yourself skyward.”
Spell “fever.”
Bright Felon Dvd Extra/Alternate Ending
In the convicted evening I am a victor struck loose and restless, creeping for the unlocked window. The family inside at the dinner table is mine. Listening to the escape story on the radio, my mother's hand freezes in the air halfway to her mouth. She realizes it's me they're talking about. Lightning by lightning the minute before thunder. Streets as empty as a beach before rain. My hand on the cold glass. Car alarm, tornado warning, catastrophe. Who remembers the criminal son, free of the labyrinth and still unsought, unthought of. Oh when will the streetlamps blink out so my father can appear furtive at the door and beckon me furiously in.
“Nog geen twee weken later, op woensdag 8 februari, was het zover. Tot de vele honderden mensen die die ochtend in de klaarstaande goederenwagons werden geladen, behoorden behalve Dobbe, Herman en de andere joodse onderduikers van de Pijnboomstraat ook Betty Springer, die in Westerbork was herenigd met een jonger broertje. De treinen waren overvol, er was geen verwarming en de faciliteiten beperkten zich tot twee grote tonnen per wagon — één die fungeerde als toilet, één met drinkwater. Op II februari arriveerde het transport op het station van de Poolse stad Auschwitz. Het vroor, en in de koude lucht hing een merkwaardige geur die niemand echt thuis kon brengen. Toen Dobbe uit de wagon was gesprongen, vroeg een medepassagiere haar een klein kind aan te pakken dat nog in de trein zat. Met de peuter in haar armen liep Dobbe richting kamp, tot het punt waar een ss-officier de nieuwkomers monsterde en met een handbeweging in twee rijen verdeelde. Eén blik op Dobbe en zijn hand wees naar rechts — de kant van de ouderen, de zieken, de moeders, de kinderen en ook Betty Springer, het meisje dat zo mooi kon dichten. Instinctief zette Dobbe haar last neer, liep naar de selectieofficier en legde in haar beste schoolduits uit dat zij er niet de moeder van was. Gut, gebaarde de ss'er, dan alleen het kind naar rechts en zijzelf naar links. En pas toen, op die plek en op dat moment, begon het tot Dobbe door te dringen dat Herman en zij al die tijd voor iets op de vlucht waren geweest dat veel erger was dan vrijheidsberoving of dwangarbeid, dat haar vader en diens collega's bij de Joodse Raad veel naïever waren geweest dan ze in haar zwartste dromen had kunnen denken en dat ze met haar impulsieve actie van daarnet haar leven had gered. Dat hier iets gebeurde wat onvoorstelbaar en ongeëvenaard was in de beschaafde, westerse wereld, namelijk de industriële vernietiging van menselijke wezens. Zo bloedserieus als Hitler was geweest in zijn voornemen om met het Duitse volk de wereldheerschappij te veroveren, zo'n ernst bleek het hem met zijn nog veel krankzinniger plannen om de wereld te verlossen van het internationale jodendom. Hier ging het leven niet meer door, hier hield het leven op.”
Annejet van der Zijl (Leeuwarden, 6 april 1962) Cover
CHILD River bird, river bird. Sitting all day long On hook over grass, River bird, river bird. Sing to me a song Of all that pass And say, Will mother come back today?
BIRD You cannot know And should not bother; Tide and market come and go And so shall your mother.
“The surface of the water is like a sheet of vibrant blue silver a metre and a half above me, and I am kicking my way along the sandy bottom with my flippers. I turn onto my back and look through my goggles at the shiny underside of the little waves. The tiny fish flee towards the corals at the bottom as I approach. It is over. The summer holiday is over. We are driving my big sister Alison to Kilimanjaro Airport — she is flying back to England. In a few days I am going back to boarding school, without Alison Flipping my feet, I surface and gulp down air. The world is one big noise. I take off my goggles and blink with my eyes in the water. Salt water — that way no-one can see I've been crying. I head up the slope. Baobab Hotel is quiet — the main building with its reception and restaurant areas, the bungalows spread among the baobab trees. We don't have a lot of guests. Inside the house Alison is packing. She is going to live with my dad's sister and study hotel management for six months at a school in Manchester, and after that she is going to work as a trainee at a hotel. I lean against the door to her room. "Are you going to leave me here alone with the folks?" I say. "Yes," Alison says. "They'll be the end of me," I say. "I have to get a qualification some time," Alison says. Dad passes in the hall. I turn my head to watch him as he goes. "I haven't been to England for three years. We've lived here for twelve — I'll end up a Tanzanian," I say loudly. He continues down the hall. "You'll get to England soon enough," he says without turning. "I bloody well need to," I say. Dad stops, looks at me. "That's enough from you," he says. "I've told you not to swear at home. You can go and visit Alison next year."
„Der Mann umfing und presste sie, wobei er sie im Kreis schwang und wieder auf die Füße stellte. »Ihr braucht Wasser«, sagte er. »Am Eingang zum Haus steht eine Schüssel für Hundefutter und ein Wassernapf.« Und weg war er. Schluchzend kniete sie sich nochmals nieder, aß ein wenig Erde, auch einen Wurm, der nicht aus Neugierde nach blindem Licht, eher als Nachricht für Gebenedeiung neben einer Salbeiwurzel, seinem Heim, herausgekrochen war. Sie betete und pries still die Götter in der Fremde um sich, sehnte sich nach einer Opferung, doch fand nichts dafür. Zwei Segelflugzeuge stürzten steil herunter, so dass ihre Flügel wie ein Papierorchester surrten, zogen wieder hoch, legten sich auf den Rücken und entschwanden zwischen Gebirgskegeln, am blauen Himmel weiße Streifen hinterlassend. Sie ging hinein in das Haus, ohne aus der Schüssel zu essen, dem Napf zu trinken, torkelte ein wenig. In einem großen Raum stapelten sich Umzugskartons, nur teilweise geöffnet. Vor kleinen Fenstern stand ein großer Tisch mit zwei Bänken, auch zwei Ohrensessel, von einem Kachelofen hingen Schafsfelle, und auf einem Regal waren Telefon- und Computerzeug angebracht sowie ein nach vorn gekippter Fernseher.“
Günter Herburger (Isny im Allgäu, 6 april 1932) Cover
„Man kann eine Stimme ganz innen im Kopf wahrnehmen. Wie hat sich DER FREMDE MANN eingeschlichen, DER DA IN MIR REDET? Man kann die Stimme im Hals haben, auch im Halbschlaf, da zum Bei-spiel will etwas heraus zwischen den Stimmbändern, es ist, als stoße man oder jemand einen GRUNZLAUT aus in einem drin, und wenn ich nicht sehr an mich halte, wird dieser GRUNZLAUT aus mir HERAUSKOMMEN, die Stimmbänder verbiegen sich schon, mühsam halte ich die Stimme zurück. Da sitzt jemand in mir, oder mehrere, die haben sich eingeschlichen. Nun redet mir jemand in meine Gedanken hinein. Oder die Stimme außen, viele Meter hinter mir, wenn ich auf der Straße gehe, ruft sie mir etwas zu. "Tu das nicht!!", höre ich, sehr laut. Ich bin auf dem Weg zum Postamt. "Tu das nicht!!" Soll ich das "nicht tun", diesen Brief nicht aufgeben, weitergehen? Soll ich auf die Stimme hören, ich bin doch nicht verrückt, nein, ich höre nicht auf fremde Stimmen, doch nur auf meine eigene. - Ein ganzes Konzert war es einmal. Seit ich trotz Medikamenten in meinen psychotischen Zuständen nichts Größeres, Zusammenhängendes mehr schreiben kann, es Wiederholungen gibt, ermüdende, man sich nicht auskennt, einfach die Qualität nachlässt, und zwar so, dass ein Verlagslektor allein dann (oder mehrere Lektoren) Texte "zusammenstoppeln" müssen, habe ich nicht mehr das Gefühl, eine Schriftstellerin zu sein. Aber wenn ich voll Verzweiflung in die Tasten haue (nur eine mechanische Schreibmaschine eignet sich da-zu), kann ich hoffentlich für zehn, elf Seiten beim Thema bleiben.“
Brigitte Schwaiger (6 april 1949 – 26 juli 2010) Cover
« On a tort de ne point prendre garde à certains ravages de la pensée. Je tiens pour assuré qu'un événement heureux ne se produit qu'au moment où l'on y pense le moins et parce qu'on y pense le moins. La pensée tue l'événement et de l'événement mort-né sordent des émanations mortelles. L'action c'est-à-dire la création constitue exactement l'Inverse de la pensée consciente. En cette seconde, je tue en moi quelque chose qui valait mille fois ma pensée. Ne pensons plus, dépensons. «
« L'oubli est ce qu'il y a de plus vivant dans la vie. Secret du renouveau magique et de la virtù. Apaise-ment aussi et seule solution la solution de conti-nuité. Dans la maladie, c'est la mémoire qui usurpe et envahit l'être : Je corps est marqué et ne peut plus, au moins pour un temps, effacer la trace d'un affreux passé. La mort est la déroute déroutante de tout oubli. Comme la cohésion ne se maintenait que par la poussée en avant, la fixation totale est en même temps la décomposition. Et le cadavre, qui devient passé, revient à son propre passé, c'est-à-dire au début du cycle, aux éléments originels. Dans la con-science du mourant cela se traduit par cette hyper-mnésie bien connue sous laquelle il s'effondre. L'oubli est donc encore la panacée, remède par absence de remède : véritable or potable de la science alchymlque. Et je vécus étincelle d'or de la lumière nature. L'oubli est jaune comme Van Gogh l'a vu. D'où la mélancolie du souvenir et le genre mora-liste-croque-mort que prennent tous ceux qui vivent au passé."
Julien Torma (6 april 1902 - 17 februari 1933) Borstbeeld door David Arnould, 2007
De Franse schrijver en aforist Nicolas Chamfort, pseudoniem van Sébastien Roch Nicolas, werd geboren op 6 april 1740 in Clermont - Ferrand. Zie ook alle tags voor Nicolas Chamfort op dit blog.
Uit:Des femmes, de l'amour, du mariage et de la galanterie (Maximes et Pensées)
« CCCLVIII Ôtez l’amour-propre de l’amour, il en reste trop peu de chose. Une fois purgé de vanité, c’est un convalescent affaibli, qui peut à peine se traîner.
CCCLIX L’amour, tel qu’il existe dans la Société, n’est que l’échange de deux fantaisies et le contact de deux épidermes.
CCCLX On vous dit quelquefois, pour vous engager à aller chez telle ou telle femme, elle est très aimable : mais si je ne veux pas l’aimer ! Il vaudrait mieux dire, elle est très aimante, parce qu’il y a plus de gens qui veulent être aimés, que de gens qui veulent aimer eux-mêmes.
CCCLXI Si l’on veut se faire une idée de l’amour-propre des femmes, dans leur jeunesse, qu’on en juge par celui qui leur reste, après qu’elles ont passé l’âge de plaire.
CCCLXII Il me semble, disait M. de…, à propos des faveurs des femmes, qu’à la vérité, cela se dispute au concours, mais que cela ne se donne ni au sentiment, ni au mérite."
Nicolas Chamfort (6 april 1740 – 13 april 1784) Cover
Tags:Kazim Ali, Annejet van der Zijl, John Pepper Clark, Jakob Ejersbo, Günter Herburger, Uljana Wolf, Brigitte Schwaiger, Julien Torma, Nicolas Chamfort, Romenu
‘‘Staan er fouten in?’ ‘Met de beste wil van de wereld… nee, geen fout te ontwaren.’ ‘Maar moet de datum van uw voordracht er…’ ‘Godverdomme, natuurlijk, dedju, dat hadden wij bijna… dedju!...’ Hij ging aan tafel zitten, het kleed had overal brandgaatjes, hij hijgde alsof hij de 500 meter had gelopen. Maurice zei nooit wat, dus nu ook niet, maar hij was wel onder de indruk. ‘Zet u, zet u.’ ‘Derangeren wij u niet?’ ‘Jongeman, ik heb de hele nacht gewrocht, een zekere verpozing is me zeker toegestaan. Alhoewel… verpozen… als dat zou kunnen… is de grondtoon van de mens niet het irrequietum?’ Gelukkig wachtte hij niet op een antwoord, hij blies felle rookwalmen in Maurice’s snufferd. ‘Ik zou u met genoegen enkele passages voorlezen uit het derde bedrijf van het stuk dat mij thans bezighoudt, een nogal nauwkeurige evocatie van Zannekin. Dokter Leevaert die een eminent kenner is van de veertiende eeuw verzekert mij dat ik de historische waarheid geen geweld aan doe, maar, jongens, ik ben óp. Alhoewel ik me realiseer dat gij, de jeugd van Vlaanderen, er alle belang bij zoudt hebben kennis te nemen van mijn kijk op ons verleden. Gij leest toch boeken, ik bedoel, naast uw verplichte schoollectuur?’ Zij knikten beiden gedwee. Maurice zat ongemakkelijk te draaien op zijn stoel, moest waarschijnlijk plassen. Van de weeromstuit moest Louis ook ineens zeer dringend. ‘Help me onthouden dat ik u straks mijn Psalmen en Palinodieën moet meegeven, ge zult sommige hexameters beslist amusant vinden. En het is spijtig dat de uitgeverij de Kogge me deerlijk in de steek heeft gelaten, vanwege zogezegde papierschaarste, anders had ik u als primeur mijn Dood van Descartes kunnen overhandigen, vijf bedrijven, waarin ik, vanuit de Germaanse gedachte definitief afreken met het Latijnse quasi-geredeneer dat ons volk, via de Franse overheersing, zo lamentabel heeft verschraald, om niet te zeggen verdord.’
Even she whose handmaiden was Love--to whom At kissing times across her stateliest bed Kings bowed themselves and shed Pale wine, and honey with the honeycomb, And spikenard bruised for a burnt-offering; Even she between whose lips the kiss became As fire and frankincense; Whose hair was as gold raiment on a king, Whose eyes were as the morning purged with flame, Whose eyelids as sweet savour issuing thence.
Then I beheld, and lo on the other side My lady's likeness crowned and robed and dead. Sweet still, but now not red, Was the shut mouth whereby men lived and died. And sweet, but emptied of the blood's blue shade, The great curled eyelids that withheld her eyes. And sweet, but like spoilt gold, The weight of colour in her tresses weighed. And sweet, but as a vesture with new dyes, The body that was clothed with love of old.
Ah! that my tears filled all her woven hair And all the hollow bosom of her gown-- Ah! that my tears ran down Even to the place where many kisses were, Even where her parted breast-flowers have place, Even where they are cloven apart--who knows not this? Ah! the flowers cleave apart And their sweet fills the tender interspace; Ah! the leaves grown thereof were things to kiss Ere their fine gold was tarnished at the heart.
Ah! in the days when God did good to me, Each part about her was a righteous thing; Her mouth an almsgiving, The glory of her garments charity, The beauty of her bosom a good deed, In the good days when God kept sight of us; Love lay upon her eyes, And on that hair whereof the world takes heed; And all her body was more virtuous Than souls of women fashioned otherwise.
Now, ballad, gather poppies in thine hands And sheaves of brier and many rusted sheaves Rain-rotten in rank lands, Waste marigold and late unhappy leaves And grass that fades ere any of it be mown; And when thy bosom is filled full thereof Seek out Death's face ere the light altereth, And say "My master that was thrall to Love Is become thrall to Death." Bow down before him, ballad, sigh and groan. But make no sojourn in thy outgoing; For haply it may be That when thy feet return at evening Death shall come in with thee.
Algernon Swinburne (5 april 1837 – 10 april 1909) Cover bloemlezing
“Out of all of these, I must admit that as a child I was most drawn to a cardboard book, which actually only consisted of book covers; there was no content because the covers alone were sufficient to advertise a chocolate factory. There were the little papers that were rolled around medicine bottles, that one stuck into boxes of sweets – this all was great fun to me at an age when I did not yet understand the meaning of individual words. And so this old Egyptian tradition – as applied to the production of modern medicines and confections – had a belated impact on a child's consciousness by teaching him that books are not only found in books but many other places. This idea was revisited by the Pop Art artists and even our avant-garde artists of the Slovenian group OHO. What a motley collection of poetic messages they packaged into bigger and smaller boxes, believing that this would allow them to participate in the production of reading. Once I bought an iron book, which told the history of many iron objects, but its cover was actually made of tin. A magazine published in former Yugoslavia had a plastic binding, made from the same material used to produce raincoats. I read my fill at various times, not only of printed texts, I was also a careful reader of book covers, bindings, and what is printed on the dust jacket. I would say that one finds an entire culture of the written word in abbreviated form, if one only looks at the narrow column printed on the inner flap of the book jacket, where there is a description as succinct as a dictionary entry telling what the book is about. If all the books in the world were to disappear, (as in "Fahrenheit 451") and only the book covers remained, perhaps one could reconstruct human thought in this way. Thus early on I learned that the greatest driving force behind mankind's culture of the written word unremittingly leads to the exceptional, irregular and astonishing – from which Dadaism and all of Surrealist literature has sprung. Where the reading of apparently incomprehensible texts originates, as early on in Mannerism, then in the crazy dialogues of Lewis Carroll, Edward Lear and Ionesco. Those wonderful fantasies before death in "Krapp's Last Tape" by Samuel Beckett. As if people might be able to near their end in a surreal manner that nevertheless seems normal. When the eye doctor bids me to read aloud a single letter on the wall of his office, do I stand before the end of all reading?”
„Der Junge merkte, dass er Delgado aufgeweckt hatte. Er kauerte sich hin. „Ich wollte dich nicht aufwecken“, sagte er. „Aber ich hatte einen bösen Traum. Böse Mächte aus dem Schattenreich haben mich in eine Falle gelockt.“ Der Junge lachte leise. „Ich bin tot, Bruder.“ „Du hast unruhig geschlafen“, bemerkte Delgado. Er kannte den Jungen gut. Er war ein Sohn von Pa-kah-te und hieß Antero. Er zählte fünfzehn Winter und er hatte schon drei Pima getötet. Sein Vater, seine Mutter und zwei von seinen Schwestern waren von Pima und von weißen Skalpjägern ermordet worden. Der Junge hatte noch eine kleine Schwester und einen kleinen Bruder. Er musste für sie sorgen. Delgado setzte sich auf, rieb seine Arme und sah sich um. „Unsere Welt ist eine schöne Welt“, sagte er. „Schau nur, Antero, dafür kämpfen wir. Dass uns diese Welt erhalten bleibt.“ „So zu leben wie wir es wollen“, sagte Antero, während er sich ebenfalls umsah. „Von dem, was die Weißaugen besitzen, wollen wir nichts haben.“ „Das stimmt. Sie besitzen nichts, wenn sie geboren werden und sie besitzen nichts, wenn sie gestorben sind, aber in der Zeit dazwischen sind sie verrückt genug um zu glauben, dass sie uns unsere Freiheit nehmen könnten.“ Es war still im Canyon. Kein Wind. Keine Tiere. Die Stille konnte jene benommen machen, die in ihr nichts hörten. Nicht die Stimmen der Vorfahren. Nicht den Atem der Geister. Nicht das Flüstern der Toten. Pajaro Pinto, der Delgado empfahl, standfest zu bleiben und bis zum letzten Blutstropfen zu kämpfen. Siki, das Mädchen, das er zu seiner Gefährtin fürs Leben machen wollte. Die Warnung seines Vaters Mangas Coloradas, der von den Weißaugen hinterrücks ermordet wurde, als er ihnen traute und zu einer Friedensverhandlung gegangen war.“
“Der König hatte sich seit Tagen nicht mehr vom Bett erhoben. Er war krank von der Reise heimgekommen. Wer sein Wesen kannte, wußte, daß es ein Schlimmes sein mußte, das ihn danieder hielt. Ganz fein empfindende Zuschauer, mit sicherer Witterung in tiefen Seelengründen – gewöhnlich gibt's die nicht unter den Hofleuten – hätten deutliche Zeichen gehabt, daß seit langem nur noch Lebensschein vorhanden, Nachglanz eines verflackerten Lichts. Nun lag der König wirklich im Sterben. Selbst die stumpfesten Oberflächenmenschen begannen es zu merken, daß es wie Sensenschwingen unheimlich über dem Bette des Königs leuchte. Eigentlich hatte es nichts von einem Kampf, nichts von heroischem Ringen um den letzten Rest eines Königslebens. Auf keiner Seite stand ein Held. Der herrische Tod hatte es nicht auf ein großes Kampfspiel mit diesem schlichten, geduldigen König angelegt. Ein geringer Leib, ohne heftige Lebensinstinkte, ohne starke Säfte und Triebe – ein verarmtes Blut. Eine tückisch schleichende Krankheit, die schon früh eingesetzt, diskret, mit einer gewissen höfischen Verbindlichkeit in der Verschleierung der mörderischen Absicht. Das waren die Partner. Die Seele des Königs wußte wenig dreinzureden. Sie war von je zur Friedfertigkeit gestimmt und nicht auf Gewaltsamkeiten eingeübt. Sie war allerwege für konstitutionelle Ordnung und gestattete sich keine persönlichen Übergriffe. Was sie in diesem Falle auch gesagt hätte, es wäre für den Ausgang so belanglos gewesen, wie die Praktiken der Heilkünstler und die wortreichen, schön gesetzten Wundergebete der Priester. Ein mittlerer Wille, der nie auf hohe Lebenspolitik im Heldenmaß lossteuerte, eine verschüchterte Daseinskraft lag von der Krankheit hingestreckt und atmete sich aus in kurzen, zaghaften Zügen. Was dem Vorgange des Ablebens seinen besonderen Stempel gab, war die Auffassung, daß der Sterbende einen König darstellte, einen verfassungsmäßigen Monarchen über ein kleines altes Reich, das in gewohnter Treue zu seinem Fürstenhause hielt und diesem König vor allen seine Sympathien widmete als einem braven, rechtlichen Manne, der nie die bürgerliche Sitte gekränkt, nie der untertänigen Gesinnung eine schwere Stunde bereitet.“
Michael Georg Conrad (5 april 1846 – 20 december 1927) Cover
“Iemand belt aan, maar de zuivel is al afgeleverd. Wie wil er nu nog iets van mij? Ik probeer me zo geruisloos mogelijk om te draaien naar het raam achter mijn hoofdeinde en kijk neer op de nietsvermoedende kruin van Ronnie, het hulpje uit Maastricht. 'Stagiair', verbetert hij ons dan. Een jongen nog, kijk hem nou eens staan met zijn kruintje in de wind, het komt niet in hem op om omhoog te kijken. Ik tik op de ruit. Wonderlijke blauwe kijkers heeft hij, met wijd uitlopende oogleden, als van een pop. Ik schud mijn hoofd. Hij heft zijn handen op. Wat nou. Die is met de fieftig van kwart over vijf gekomen, dat erreme kakjonges. Ik duw het raam op een kier, de vrieskou vlucht naar binnen. We gaan dicht, jong.' `Hoezo? Vandaag?' `Voorgoed. We gaan nooit meer open.' Hij kijkt om zich heen, schopt met de ene voet tegen de andere. `Geen deeg?' `Nee.' 'De melk staat op de stoep. De eieren. En boter, slagroom...' `Lekker laten staan.' `Laat me er toch even in, ja? Het is graftyfuskoud buiten.' Ik pak de sleutelbos van het hoofdeinde en gooi hem in zijn opgeheven handen. `Bedien jezelf, laat mij met rust. Ik ben ziek.' Als ik weer ga liggen kraakt dat woord langs de lattenbodem, van het hoofdeinde naar mijn kruis. Ziek. De dokter zei dat ik moet leren het langer op te houden, maar naast het bed staat de po. Dezelfde po die in 1970 werd leeggegoten boven het hoofd van Sjefke Kleikers, de jongste van acht maar niet helemaal normaal. Niet helemaal gelukt in zijn moeders buik, zeiden ze op school. Zijn ogen zaten aan de zijkant van zijn hoofd en hij had zwemvliezen tussen zijn vingers. Een levensgrote foetus. Jules beval dat ik moest pissen, daarna droeg hij de volle po weg zoals een misdienaar de kelk. De gebroeders Quadackers hielden Sjefke vast. Ik kreeg spijt toen ik zag dat mijn pis nog nadampte op zijn kruin, maar kon niets uitbrengen — hij wel, stom, hij zou niets geproefd hebben als hij niet zo brulde. Het was overigens geen aardig jongetje. Een kleine driftkop was het, die terugloerde naar de wereld die van hem schrok, 36o graden in de rondte met die embryoblik. Dieren kwelde hij ook. Toch denk ik nog vaak aan hem als ik plas, dan zie ik hem in zijn rood aangelopen, druipende vernedering voor dat hek staan, en mijn broer en de twee van Quadackers erachter in het weiland. Zij vluchtten maar ik bleef staan, aan de grond genageld met mijn medeplichtige lege blaas. We moesten toch greumelkesvlaai maken voor de heemkundevereniging?' Ik schiet overeind. Hij heeft gelijk, het kakjonges. Kruimelvlaaien voor de vrienden van pa, die hebben dit niet verdiend, die hoeven niet zonder te zitten omdat Jules is losgeslagen. Ik vind mijn bril en zie op de kerkklok dat we het nog kunnen halen. Had ik de vanillevla niet al klaar?”
Tags:Hugo Claus, Martin Reints, Vítě,zslav Hálek, Algernon Swinburne, Bora Ć,osić,, Werner J. Egli, Mieke van Zonneveld, Michael Georg Conrad, Marente de Moor, Romenu
Maya Angelou, Hanneke Hendrix, E. L. James, Marko Klomp, Marguerite Duras, Robert Schindel, Michiel van Kempen, Bettina von Arnim, Edith Södergran
De Amerikaanse dichteres en schrijfster Maya Angelou (eig. Margueritte Johnson) werd geboren in Saint Louis, Missouri, op 4 april 1928. Zie ook alle tags voor Maya Angelouop dit blog.
Woman Work
I've got the children to tend The clothes to mend The floor to mop The food to shop Then the chicken to fry The baby to dry I got company to feed The garden to weed I've got shirts to press The tots to dress The can to be cut I gotta clean up this hut Then see about the sick And the cotton to pick.
Shine on me, sunshine Rain on me, rain Fall softly, dewdrops And cool my brow again.
Storm, blow me from here With your fiercest wind Let me float across the sky 'Til I can rest again.
Fall gently, snowflakes Cover me with white Cold icy kisses and Let me rest tonight.
Sun, rain, curving sky Mountain, oceans, leaf and stone Star shine, moon glow You're all that I can call my own.
Harlem Hopscotch
One foot down, then hop! It's hot. Good things for the ones that's got. Another jump, now to the left. Everybody for hisself.
In the air, now both feet down. Since you black, don't stick around. Food is gone, the rent is due, Curse and cry and then jump two.
All the people out of work, Hold for three, then twist and jerk. Cross the line, they count you out. That's what hopping's all about.
Both feet flat, the game is done. They think I lost. I think I won.
“'Is ze wel bij?' vroeg ik. 'Ze is zeker bij', zei Vandersteen. Daarna riep ze weer over het gordijn: 'Ze verstaat me prima!' 'We kunnen het verder uitstekend vinden', zei ze weer op normale toon. 'Zeg maar gerust dat het een meisje is. Wat zal ze zijn? Een jaar of twintig? Je kunt het niet zo goed zien. Ze is nogal verbrand.' 'Goh', zei ik. 'Zo te horen moet jij het ook niet echt van je uitgebreide vocabulaire hebben.' Ik schraapte mijn keel en keek haar aan. Ik had ondertussen het potloodje van mijn schoot gepakt en friemelde er wat mee. Vandersteen had haar armen over elkaar gevouwen en keek me indringend aan. Niet op een vervelende manier, vriendelijk. 'Ligt u al lang hier?' zei ik uiteindelijk. 'Een weekje of wat. Twee, drie, vier, vijf. Ik hou het allemaal niet meer zo bij. In het ziekenhuis dan, hè? Op deze kamer pas net. Sinds gister.' Aan de andere kant hoorde ik mevrouw X ademen, ze ademde steeds langzaam in door haar neus en blies dan in een korte stoot de lucht weer naar buiten. 'En zij?' Ik wees voor me uit en ook al zag mevrouw X dat niet, ik deed het toch met wat schroom. 'Ze werd gisteren binnengerold. Gezelligheid op de kamer, dacht ik. Dácht ik. Niet dus. En nou ben jij d'r.' 'Ik lag eerst ook alleen op een kamer', zei ik. 'Vond je dat fijner?' Ik haalde mijn schouders op. 'Op een gegeven moment word je te duur.' 'Ja', zei Vandersteen. 'En wat dacht je van die agent voor de deur?' 'Wie?' zei ik. Ik had op de vorige kamer ook een agent voor de deur gehad, maar dat hoefde Vandersteen niet te weten.”
Hanneke Hendrix (Tegelen, 4 april 1980)
De Britse schrijfster E. L. James (pseudoniem van Erika Leonard) werd op 4 april 1963 in Buckinghamshire als Erika Mitchell geboren.Zie ook alle tags voor E. L. James op dit blog.
Uit: Fifty Shades of Grey
“I gave mom a bear hug and I felt her warmth along with her well wishes for me in our embrace. She knew how edgy I felt about Christian visiting our home. The next stop was mine and the churning in my belly told me exactly how anxious I really was. All too soon Collins parked in front of my building and carried our bags up to the fourth floor. Christian lifted our son from the car and held him close, Chris’ head resting on his broad shoulder. In an effort to dispel my angst I started jabbering as we walked. Even to my own ears I sounded overly chipper as I told him about Jo-Anne, the neighbour to the right of us. I mentioned that she had a son, the same age as Chris and how they were best friends – like only children can be. I stumbled through a list of all the good things I could tally about the building, that we’ve never had problems with crime and that it was well maintained – all the while feeling unreasonably defensive of the home I’ve made for us. What will Christian think? The pressure was eating away at me. At the front door I fumbled clumsily with the keys and wondered where the flowers I ordered were. I was expecting them to be waiting, ready to put me back on an even keel, restore the balance of power between us and maybe gain a clue to the depth of his reticence about our relationship. Oh well, nothing I can do about that now. Collins placed our bags in the hallway, nodded his goodbye and left to wait in the car. I quickly made my way to Chris’ room with Christian tailing behind. I turned down his bed and closed the curtains. Christian laid him down, ever so gently. He just stirred and turned on his side, still far away in the land of nod. I pulled off his shoes and Christian asked if he could tuck him in and sit with him for a while.”
E. L. James (Buckinghamshire, 4 april 1963) Scene uit de film „Fifty Shades of Grey”, 2015
Kwetsbare plekken hebben zich verbrand aan kokende tranen
Verstouwend verband bedekt uitstortingen met de zachte wikkel van het vergeven en vergeten
Besmette wonden blijven open en herkenbaar als de littekens in het hoofd.
Verbindingsplaatje
Geplet of gegoten koppelteken voor twee twee helftjes van gebroken levens
plaatje voegt barsten in de spiegel samen samen overgaan tot een nieuwe stof
Ik hoor het jou zeggen tot geheel innig met elkaar met elkaar samen verenigen.
Marko Klomp (Goes, 4 april 1974)
De Franse schrijfster Marguerite Duras (pseudoniem van Marguerite Donnadieu) werd geboren op 4 april 1914 in Gia Dinh, Indochina (nu Vietnam). Zie ook alle tags voor Marguerite Duras op dit blog.
Uit: Écrire
“C'est dans une maison qu'on est seul. Et pas, au-dehors d'elle mais au-dedans d'elle. Dans le parc il y a des oiseaux, des chats. Mais aussi une fois, un écureuil, un furet. On n'est pas seul dans un parc. Mais dans la maison, on est si seul qu'on en est égaré quelquefois. C'est maintenant que je sais y être restée dix ans. Seule. Et pour écrire des livres qui m'ont fait savoir, à moi et aux autres, que j'étais l'écrivain que je suis. Comment est-ce que ça s'est passé? Et comment peut-on le dire? Ce que je peux dire c'est que la sorte de solitude de Neauphle a été faite pour moi. Pour moi. Et que c'est seulement dans cette maison que je suis seule. Pour écrire. Pour écrire pas comme je l'avais fait jusque-là. Mais écrire des livres encore inconnus de moi et jamais encore décidés par moi et jamais décidés par personne. Là j'ai écrit Le Ravissement de Lol V. Stein et Le Vice-Consul. Puis d'autres après ceux-là. J'ai compris que j'étais une personne seule avec mon écriture , seule très loin de tout. ça a duré dix ans peut-être, je ne sais plus, j'ai rarement compté le temps pâssé à écrire ni le temps tout court. J'ai compté le temps passé à attendre Robert Antelme et Marie-Louise ma jeune sœur. Après je n'ai plus rien compté.” (…)
"Je crois que c'est ça que je reproche aux livres, en général, c'est qu'ils ne sont pas libres. On le voit à travers l'écriture : ils sont fabriqués, ils sont organisés, réglementés, conformes on dirait. Une fonction de révision que l'écrivain a très souvent envers lui-même. L'écrivain, alors il devient son propre flic. J'entends par là la recherche de la bonne forme, c'est-à-dire de la forme la plus courante, la plus claire et la plus inoffensive. Il y a encore des générations mortes qui font des livres pudibonds. Même des jeunes : des livres "charmants", sans prolongement aucun, sans nuit. Sans silence. Autrement dit : sans véritable auteur. Des livres de jour, de passe-temps, de voyage. Mais pas des livres qui s'incrustent dans la pensée et qui disent le deuil noir de toute vie, le lieu commun de toute pensée. "
1. Bist du im Stein zu Haus Mädl Bist du im Holz zu Haus Mädl Ist deine Mutter ein Schatten Dein Vater ein Staubkorn? Bist du im Jetzt zu Haus Mädl Bist du im Hier zu Haus Mädl Ist dein Körper ein Holzwurm Dein Denken die Lichtspur? Bist du bei dir zu Haus Mädl Bist du bei ihm zu Haus Mädl Ist deine Liebe die Frage Dein Hass eine Antwort? Bist du so gern zu Haus Mädl Bist du nie zu Haus Mädl Ist deine Hütte die Faust Deine Liegstatt ein Staubkorn?
2. Bist du im Stein zu Haus Mädl In meinem Herz zu Haus Mädl Ist deine Mutter erschossen Dein Vater verscharrt längst?
Uit: Jonge Surinaamse schrijvers: Een idealistische generatie met de hand op de knip
“Een maatschappij die benauwt? Als je Cándani op haar praatstoel wil krijgen moet je daarover beginnen. Cándani (Maanlicht) is de schrijversnaam van Ashakoemarie Radjkoemar. Zij werd op 8 maart 1965 geboren aan de Mon Plaisirweg in het District Suriname, als op één na jongste uit een gezin dat negen kinderen telde. In 1990 verscheen haar debuutbundel Ghunghru tut gail/De rinkelband is gebroken, als coproduktie van uitgeverij De Volksboekwinkel te Paramaribo en het Nederlands Bibliotheek- en Lectuur Centrum te 's-Gravenhage. Verzen van een peilloze somberte in het Nederlands en het Sarnami, de taal van de Surinaamse hindostanen. De bundel werd in Nederland ten doop gehouden en Cándani bleef maar meteen hangen, als een stok in een boom. In Cándani's religieuze achtergrond (Sanathan Dharm), in het kindertal van het ouderlijk gezin, in haar spoedige voorbestemming voor de rol van moeder is alles keurig volgens het boekje van de hindostaanse leefwereld. En natuurlijk in de onvermijdelijke schoondochter, de feeksachtige zwageres. Cándani: ‘Ik ben altijd gepest door vrouwen, door mijn zusters, door meisjes op school. Mijn eigen broer mocht niet met me praten van mijn zwageres. Ik kwam wel eens op boyti [in het district, buiten Paramaribo - MvK] en dan vroeg mijn broer me: ‘Asha, ik ben bij je langsgekomen vorige week en je was er niet. Waar was je toen en toen?’ En dan zei ik hem: ‘Maar ik heb je gisteren toch gezien. Waarom heb je dat toen niet gevraagd?’ ‘Ja, mijn vrouw was thuis toch.’ Nou ja, er is een tijd geweest dat ik ook wel genoot van dit soort dingen, hoor.’
Michiel van Kempen (Oirschot, 4 april 1957) Cándani in 1992
Wat vrees ik? Ik ben een deel van de oneindigheid. Ik ben een deel van de grote kracht van 't heelal, een wereld apart onder miljoenen werelden, een ster van eerste grootte die 't laatste dooft. Triomf te leven, triomf te ademen, triomf te bestaan! Triomf de tijd ijskoud door je aders te voelen vloeien en de stille vloed van de nacht te horen en op de berg te staan onder de zon. Ik loop op zon, ik sta op zon, ik weet alleen nog maar van zon.
Tijd - omvormer, tijd - vernieler, tijd - begoochelaar, kom je met nieuwe listen, duizend streken om mij een bestaan te bieden als een klein zaad, als een kronkelslang, als een klip midden in de zee? Tijd - gij moordenaar - ga weg van mij! De zon vult mijn borst boordevol met lieflijke honing en ze zegt: eenmaal doven alle sterren, maar ze lichten altijd zonder vrees.
De bomen van mijn jeugd
De bomen van mijn jeugd staan hoog in het gras en schudden hun hoofden: wat is er van je geworden? Zuilenrijen staan als verwijten: onwaardig ga je onder ons! Je bent kind en moet alles kennen, waarom ben je dan door de banden der ziekte geketend? Je bent mens geworden, vreemd, verfoeilijk. Toen je kind was voerde je lange gesprekken met ons, je blik was wijs. Nu wilden we je 't geheim van je leven vertellen: de sleutel van alle geheimen ligt in 't gras op de frambozenberg. We wilden je voor het hoofd stoten, jij slapende, We wilden je wekken, dode, uit je slaap.
Vertaald door Victor Claes
Edith Södergran (4 april 1892 - 24 juni 1923) Cover Zweedse biografie
Tags:Maya Angelou, Hanneke Hendrix, E. L. James, Marko Klomp, Marguerite Duras, Robert Schindel, Michiel van Kempen, Bettina von Arnim, Edith Södergran, Romenu
De Nederlandse schrijver Marcel Vaarmeijerwerd geboren op 4 april 1963 in Amsterdam. In februari 1966 overleed zijn vader. Hij verbleef vier keer voor langere tijd in kindertehuizen, o.a. in Petten, Amsterdam en Egmond aan Zee. Met zijn moeder verhuisde hij in 1973 naar Enschede. Omdat zijn moeder ernstig ziek werd, logeerde hij geregeld bij buren, familieleden en pleeggezinnen. Hij doorliep de lagere school deels in Amsterdam en Enschede. Op school ging het moeizaam. Toch bleef hij nooit zitten en behaalde hij in 1979 zijn mavodiploma. Hij wilde graag studeren en cameraman worden, maar door de ziekte van zijn moeder besloot hij bij de marine te gaan. Van 1979 tot 1986 werkte hij als seiner-telexist bij de Koninklijke Marine. Omdat hij een vaste relatie kreeg en vaak van huis was, verliet hij in de 1986 de marine. Hij verhuisde naar Amsterdam en werkte o.a. als receptionist, bewaker, telefonist, winkelverkoper en baliemedewerker bij benzinestations. Geïnspireerd door Godfried Bomans, Gerard Reve en Simon Carmiggelt begon hij zelf te schrijven. Zijn eerste publicatie was een gedicht in Propria Cures (1989), waarvoor hij nog meerdere gedichten en korte verhalen schreef. In 1994 en 1995 schreef hij een reeks korte verhalen over de marine voor NRC Handelsblad, waarvan in 1996 een verzamelbundel verscheen. Zijn eerste roman “Dov” publiceerde hij in 2001.Om zijn stijl verder te ontwikkelen, schreef hij een detective, een kinderboek, twee jeugdboeken en een thriller. Uiteindelijk keerde hij terug naar de roman. In februari 2015 verscheen “De Gloriedagen van Walter Gom”.
Uit: Voor wie ik heb liefgehad
‘Een wonderschone morgen, mevrouw Veldman.’ Haar stem slaat als een kanonskogel mijn kamer binnen. Twee klompen klossen luid over de vloer. Ze heeft een luchtje op, een penetrant goedkoop luchtje, waarschijnlijk van haar man gekregen. Mannen van vandaag weten niet meer hoe ze een vrouw moeten behagen. Goedkope luchtjes, verlepte chrysanten, sieraden die na drie dagen groen uitslaan, veel meer hebben ze niet te bieden en veel meer hebben die meiden ook niet nodig. Als ze de gordijnen met een onbeheerste ruk heeft opengetrokken, buigt ze zich over mij heen. Hoofdzuster Melissa, alleen haar dwingende blik is al voldoende om uit bed te springen en de benen te nemen. Maar de jaren dat ik uit bedden sprong en de benen nam liggen ver achter mij. ‘Heb je goed geslapen, Louise?’ brult ze mij toe, alsof ik doof en seniel ben. Dat heeft de dokter ooit in mijn medisch dossier geschreven. Dokters schrijven veel in medisch dossiers: pertinente waarheden, veronderstelde waarheden, uit de lucht gegrepen waarheden. Die laatste categorie schijnt steeds vaker op te duiken, vooral in dossiers van dokters die beter violist of groenteboer hadden kunnen worden. Ik kijk naar Melissa’s ogen, grijsblauw, als de hemel voor een daverende onweersbui. ‘In 1928 heb ik goed geslapen,’ antwoord ik. ‘Maurice Ravel componeerde zijn Bolero, de Graf Zeppelin maakte zijn eerste vlucht en ik sliep als een roos.’ Melissa grijnst. Haar tanden zijn geel en kort. Te veel snoep en te weinig zuivel, daar lopen er meer van rond hier. Met een venijnig kneepje in mijn wang bezegelt ze het einde van de nacht, het einde van de duisternis waarin we voor een paar uurtjes verlost zijn van het tumult van alledag. Verdwijnen doet men het beste in kleine ruimtes: kleerkasten, berghokken, wijnkelders, boomhutten. Mijn verdwijnruimte is mijn kamer. Een schamele praktisch ingerichte woning van vierenhalf bij vijf meter, waar ik op mijn gemak kan werken aan mijn definitieve verdwijning.”
Charles Ducal, Adriaan Jaeggi, Frederik van Eeden, Bert Bakker, Peter Huchel, Arlette Cousture, Pieter Aspe, Karel N.L. Grazell, Johanna Walser
De Vlaamse dichter en schrijver Charles Ducal (pseudoniem van Frans Dumortier) werd geboren in Leuven op 3 april 1952. Zie ookalle tags voor Charles Ducalop dit blog.
Kamers
Een huis is de som van bonzende kamers. In bad wast een vrouw haar verloren gezicht. Achter de muur zit een man aan een tafel en schrijft zich afwezig van iedere plicht.
Een nacht is de som van simpele gebaren. De vrouw neemt een borst in iedere hand en biedt ze de spiegel om zich te verklaren. De man trekt een streep door ieder verband.
Een bed is de som van eenzame vragen. De vrouw leidt een hand naar het wachtende vlees. Achter de muur ligt een hand op de tafel en schrijft aan de vrouw die er nooit is geweest.
Geheim
Gauw, heel gauw komt het uur van onthulling, als wat hij verborgen heeft wordt ontdekt. Het brandt in zijn vingers, het geheim dat als een formule aan het kind trekt.
Het is hem te sterk, de vervulling van een verlangen dat in het donker ontstaat als koorts in zijn lichaam, dat week wordt, vijandig, waarin hij vergaat,
zo hemels, zo honds. En altijd in angst te worden betrapt door een broer, een zus op de loer, wachtend op een kans om hem van zijn ik te beroven
dat beter is dan het hunne, omdat het op school, in de kerk zo verschijnt. Om hem in de ogen van allen aan te wijzen: schuldig, zwak en onrein.
Misverstand
Mijn vrouw is getrouwd met een dichter, al had zij de zaak heel anders gepland. Zij dacht aan een vader, een minnaar, een man. Hij schrijft. Verder zijn er geen plichten.
En zelden is meer dan zijn lijf in bed, mager en bleek in zijn eenzaam verlangen. Soms staat hij op om een woord te vervangen, verandert 'geliefde' bv. in 'slet';
en likt zich de lippen, zelfvoldaan. In gemeenschap wordt niets ondernomen. Wel mompelt de vrouw af en toe in haar dromen, ontregelde praat, door geen mens te verstaan.
Het spijt ons erg dat wij er niet bij kunnen zijn. Maar u weet zelf hoe het is op donderdag, met de intakegesprekken met nieuwe bewoners en mevrouw P. is gisteren gevallen dus die moet naar de wc worden gereden en vind daar maar weer mensen voor.
U was een fijne bewoner. Dat moest ik u namens allen overbrengen. Met meneer K. had je nooit last. Meneer K. had nooit bezoek. Misschien hield hij wel niet van bezoek.
We hebben samen heel wat afgelachen. Soms wilde u zingen: Frysk bloed tsjoch op! Dan stond u op. Dan zag je die koppies glimmen. Maar de laatste jaren werd het minder. Men zei hij is misschien een beetje uitgevochten.
We zijn blij dat de uitvaart goed verzorgd is. Dat u de zaakjes goed op een rijtje had. Dat je daar later geen gedoe over krijgt. Er is al genoeg gedoe.
Wij zullen de fijne herinneringen bewaren. Die avond dat het zo warm was en alle ramen openstonden en de leeuwen zo ontzettend brulden in Artis.
Iemand heeft voorgesteld bij het avondeten iets te zingen. Dus dat gaat gebeuren. Wij hebben de woorden van het internet gehaald.
Klink dan en daverje fier yn it roun dyn âlde eare, o Fryske groun (bis)
O Piëteit! Van vroeger tijd, Hoever zijt gij te zoeken! Der vaad'ren deugd ging naar de maan, Der vaad'ren dichtkunst van de baan Voor vreemde zwadder-boeken!
Ach! Helmers dood! En Poot niet groot! Is 't niet om bij te huilen? Dit jong geslacht zou, als het kon, De blanken, marm'ren pantalon Van Tollens zelf bevuilen!
Ik doe mijn best Net als de rest Van stichtende poëten, Ik dichtte met mijn hartebloed, En nu durft mij dat addrenbroed Een grappenmaker heten!
De lieve Heer Bewees ik eer Met zangen vroom en vaardig - Ik sprak van deugd en godsdienstzin, Van kristenvreugd en kristenmin! Helaas! - men vond mij aardig!!!
Mijn vaderland, De Huwlijksband Prees ik met al mijn krachten. 'k Zong van ons dierbaar Vorstenhuis, Van 't lief en leed in eigen kluis - En Neêrland, Neêrland lachte!!!
Ween! Holland, ween! Waar moet dat heen?! Mijn volk, gij zijt verkouden! Wis loopt de wereld op haar end, Als echte vroomheid wordt miskend En voor een grap gehouden!
Vermolm! mijn lier! Geen dichtervier Zal meer mijn borst ontstijgen. Strooit, vrome barden, dan niet meer Uw paarlen voor die zwijnen neer, Komt! laat ons nu maar zwijgen!
Frederik van Eeden (3 april 1860 – 16 juni 1932)
De Nederlandse dichter, schrijver en uitgever Bert Bakkerwerd geboren in Huizum (Leeuwarden) op 3 april 1912. Zie ook alle tags voor Bert Bakker op dit blog.
Reis naar Den Bosch
Wie naar Den Bosch reist, kan het zien, - Om nooit meer te vergeten, Voor het te laat zou zijn misschien - Wat heel ons volk moet weten:
Een lange, zwaarbewaakte stoet, Vermagerd en in lompen, Van wie op ongeschoeiden voet En anderen op klompen;
Een mitrailleur, de loop omlaag, Rijdt voor de eerste rijen. Van de bewakers klinkt gestaag Het stampen op de keien.
Wie ook, een vingerbreedte slechts, Uit het gelid durft wijken, Ontvangt een striem van links naar rechts, Een stomp, die om waagt kijken.
Het zijn, die, eerst in Amersfoort Mishandeld, murw geslagen En naar den geest voorgoed vermoord, Het uiterste verdragen.
Als schapen, machteloos en stom, Verduren ze dit lijden. En niemand, die het aandurft om Ze aanstonds te bevrijden.
"What seemed corporeal melted äs breath into the wind' Shakespeare, Macbeth
Schottischer Sommer, unter der Eiche zopftrocken sitzend die Weiber aus Cawdor, manche verborgen im Licht der Wolken, abgeblühte Nesseln im Sand. Über die Felsen herab Trompetenstösse, ein Klirren wühlt die Brandung auf.
Nebel, der sie erzeugte, bald ist es Winter, dünnes, nie ruhendes Holz, der Schnee fegt hin und her und stäubt die Öde an.
Dürr und düster vor der goldenen Naht des Abends hocken sie auf zerrissenen Fellen. Wenn der Mond die Zeiger verrückt am Turm, starren sie mit erloschenen Augen. Unbewohnbar die Trauer, die an den Klippen verebbt.
Persephone
Die Abgründige kam, stieg aus der Erde, aufgleißend im Mondlicht. Sie trug die alte Scherbe im Haar, die Hüfte an die Nacht gelehnt.
Kein Opferrauch, das Universum zog in den Duft der Rose ein.
« La prieure, toujours embêtée de devoir accueillir une vocation issue des milieux sans grand avenir, lui préférant évidemment celle d'un milieu aisé, en avait été fort aise. N'ayant pas tardé à démontrer son immense talent, Angélique Garnier avait, du coup, révélé la gourmandise de la brave femme pour le bon pain et les biscuits. « Je vais demander le médecin. Il faut nous assurer que vous ne souffrez pas de la fièvre jaune ou d'un autre mal. Peut-être devrions-nous vous isoler, au cas où. » Au cas où quoi ? pensa Angélique. Au cas où le médecin aurait pu deviner pourquoi sa peau était devenue sensible aux frissons et que ses entrailles s'ouvraient à l'occasion au point de lui faire craindre de s'asseoir ? Non, elle ne voulait pas voir de médecin qui ne comprendrait pas que les battements de son coeur, tous offerts à son cher Christ, pouvaient avoir des ratés. Ses yeux d'un bleu presque translucide fondaient de fièvre, elle le savait pour l'avoir vu quand, par inadvertance, elle passait devant la glace de l'entrée ou celle du parloir. « Doux Jésus, regardez-moi vos yeux ! - Je sens que je vais être beaucoup mieux demain, ma mère. Je le sens. Non, je le sais. Bénissezmoi, ma mère, et vous verrez. » Angélique traîna sa frêle silhouette jusqu'au couloir menant à la chapelle. Soeur Marie-Saint-Coeurdu- Messie, quoique responsable de la vocation des postulantes, y nettoyait les plinthes et les cadres de portes. » (…)
« Violette , je suis orpheline . - Ma tante est morte ? Violette fut saisie d'apprendre la nouvelle du décès de sa tante. C'est pour ça que t'as été obligée de sortir du couvent . Il faut que tu t'occupe des enfants ... Mais non Violette . Ma mère est vivante , mais j'ai bien l'intention de ne la revoir que dans l'au -delà, pas avant , quoique , non...On ne se reverra pas là non plus . On ne sera pas à la même adresse. Moi, Violette , je serai en enfer toi ? En enfer ? Oh , que oui , Violette , tête première ! Angélique se mordit la lèvre inférieure , s'efforçant désespérément de retenir un tremblement de chagrin et de peur.`
Arlette Cousture (Saint-Lambert, 3 april 1948)
De Vlaamse schrijver Pieter Aspe (pseudoniem van Pierre Aspeslag) werd geboren in Brugge op 3 april 1953. Zie ook alle tags voor Pieter Aspeop dit blog.
Uit:Het laatste bevel
“De villa was vijfjaar geleden gebouwd op een perceel van bijna tweeduizend vierkante meter, het zwembad in de strak aangelegde tuin was acht meter breed, twintig meter lang en meer dan twee meter diep. Het interieur was modem en uitgerust met de nieuwste snufjes op het gebied van do-motica. De garage bood plaats aan drie wagens. Vraagprijs: 475.000 euro. Eenschijntje. De beschrijving klopte, de prijs niet, omdat de eigenares op reis was en ze geen enkele inten-tie had om haar villa te verkopen. 'Dit is de woonkamer', zei de jonge man. 'Zoals u zelf kunt vaststellen, zijn alle gebruikte materialen van prima kwa-liteit' Debacs was zelf aannemer en verhandelde bouwmateria-len. Vastgoed kopen was een hobby. Hij kocht alleen pan-den op openbare veilingen, omdat die meestal tegen een belachelijk lage prijs van dc hand waden gedaan, ofvanmen-sen die financiële problemen hadden. In het laatste geval dong hij steevast af. 'Wat weet jij afvan prima materialen? De jonge man liet zich door een knie zakken en klopte mer zijn kneukels op dc plankenvloer. 'Dit is volle eik. Twee centimeter dik. Geen knoesten.' Debaes hield zijn hoofd schuin, krabde achter zijn oor-lelletje, terwijl hij zijn mondhockcn optrok. 'Ze hebben je iets wijsgemaakt', zuchtte hij. 'Het is gefi-neerde eik, meer dan de helft goedkoper dan het massieve spul. Je hebt nog een boel te leren, ventje. Wat voor een onzin mag ik nog verwachten als je hier al in trapt?' Hij liep naar de andere kant van de woonkamer, trok dc deur die naar de keuken leidde halfopen en bekeek de kop-se kant. 'Hetzelfde geldt voor dc deur. Wedden dat het sanitair eveneens van inferieure kwaliteit is? En zelfs jij zou moeten weten hoeveel het kost om her sanitair te laten vervangen.' De jonge man kwam soepel overeind. De villa was min-stens zevenhonderdduizend euro waard en hij wist zeker dat de plankenvloer van volle eik was.”
Aangestrand aan de oever van de zomer (ik drink het zonlicht met een rietje) zit ik en kijk naar het middeleeuwse water. Er vlagen breugheliaanse schaduwen over van veners die de wetering bijna duizend jaren eerder kerfden in het veen. Goudenregen stroomt uit het park als ‘n waterval. Maar ik hoor in een verte op de dijk de auto’s uitgelaten draven met hun vuile adem: witte, rode, zwarte en vale paarden die draven met hun leven als een oordeel. Ik sluit m’n ogen en m’n oren. Hoor niet, zie niet, word helemaal van mezelf. Geen zomer en geen water, geen middeleeuwen en geen paarden of goudenregen. Ik leef even zonder de tijd, die voorbij mezelf door mensen domweg is gemaakt.
<Karel N.L. Grazell (Amsterdam,3 april 1928) Strand Zuid achter de RAI in Amsterdam
„Die Weltscheibe schleift uns die Füße, bis wir zart und ganz vorsichtig, bloß noch trippelnd gehen können. Was möchte ich nicht alles. Zu viel verlang ich doch, wie z. B. deinen Blick mit deinem Traum darin. Oder einen Platz an deiner Brust. Lauschen auf dich. Oh und du singst, daß ich nicht mehr merke, daß es nur Gesang ist, und daß ich alles glaube, nur nicht weiß und darüber erschrecke, daß es enden muß. Laß mich lieber nicht zu dir, du müßtest, um mich los zu werden, mich absprengen. Und trotzdem denke ich: Einmal ja nur. Das An-dich-Denken, die Erinnerung an dich, die wieder frisch blutet, zieht ihren sehnenden Schmerz ins Gewebe der vielen gleichgültigen Tage. So ist am ganzen Zeitkörper dieser Schmerz, und man findet die verwundete, die am Anfang von dir verletzte Stelle nicht mehr...“ (…)
„Eine ganze Flut von kranken Gedanken umspült mich... Meine Kindheit scheint mir wie vergiftet... Auch die Zukunft kann mir ja nichts recht machen... Alle Menschen muß ich hassen, weil ich es nicht fertig bringe, mich ihnen gegenüber zu halten, zu behalten. Wie ich mich selbst hasse dafür, daß ich immerfort spielen muß, mein Gesicht modulieren muß...“
Tags:Charles Ducal, Adriaan Jaeggi, Frederik van Eeden, Bert Bakker, Peter Huchel, Arlette Cousture, Pieter Aspe, Karel N.L. Grazell, Johanna Walser, Romenu