Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
09-02-2017
John Coetzee, Thomas Bernhard, Brendan Behan, Geerten Gossaert, Herman Pieter de Boer, Alice Walker, Jacques Schreurs, Amy Lowell, Maurits Sabbe
Uit: De kinderjaren van Jezus (Vertaald door Peter Bergsma)
“De man bij de poort wijst hen op een laag, vormeloos gebouw halverwege. ‘Als jullie haast maken,’ zegt hij, ‘kunnen jullie je melden voordat ze hun deuren voor de rest van de dag sluiten.’ Ze maken haast. ‘Centro de Reubicación Novilla’ staat er op het bord. Reubicación: wat betekent dat? Geen woord dat hij heeft geleerd. Het kantoor is groot en leeg. Warm ook – nog warmer dan buiten. Aan de andere kant strekt een houten balie zich uit over de hele breedte van het vertrek, opgedeeld door matglazen ruiten. Tegen de muur een rij archiefladen van gelakt hout. Boven een van de hokjes tussen glas hangt een bord: Recién Llegados, zwart gesjabloneerde woorden op een rechthoekig stuk karton. De baliebediende, een jonge vrouw, begroet hem met een glimlach. ‘Goedendag,’ zegt hij. ‘Wij zijn nieuwkomers.’ Hij spreekt de woorden langzaam uit, in het Spaans dat hij met moeite onder de knie heeft gekregen. ‘Ik ben op zoek naar werk, ook naar een plek om te wonen.’ Hij pakt de jongen onder zijn oksels en tilt hem op zodat ze hem goed kan zien. ‘Ik heb een kind bij me.’ Het meisje pakt de hand van de jongen. ‘Hallo, jongeman!’ zegt ze. ‘Is hij uw kleinzoon?’ ‘Niet mijn kleinzoon, niet mijn zoon, maar ik ben verantwoordelijk voor hem.’ ‘Een plek om te wonen.’ Ze werpt een blik op haar papieren. ‘We hebben een kamer vrij hier in het Centrum die u kunt gebruiken terwijl u naar iets beters zoekt. Luxe is het niet, maar dat vindt u misschien niet erg. Wat werk betreft, laten we daar morgenochtend naar kijken – u ziet er moe uit, u wilt vast wel uitrusten. Komt u van ver?’ ‘We zijn de hele week onderweg geweest. We komen uit Belstar, uit het kamp. Bent u bekend met Belstar?’ ‘Ja, ik ken Belstar goed. Ik ben zelf via Belstar gekomen. Heeft u daar uw Spaans geleerd?’ ‘We hebben zes weken lang elke dag les gehad.’ ‘Zes weken? Dan boft u. Ik was drie maanden in Belstar. Ik ging er bijna dood van verveling. Het enige wat me op de been hield waren de Spaanse lessen. Had u toevallig les van señora Piñera?’ ‘Nee, wij hadden les van een man.’ Hij aarzelt. ‘Mag ik iets anders te berde brengen? Mijn jongen’ – hij werpt een blik op het kind – ‘voelt zich niet goed. Dat komt deels doordat hij van streek is, van streek en in de war, en niet goed gegeten heeft. Hij vond het eten in het kamp vreemd, niet lekker. Kunnen we ergens een fatsoenlijke maaltijd krijgen?’
„Erst für halb zwölf Uhr mit Reger im Kunsthistorischen Museum verabredet, war ich schon um halb elf Uhr dort, um ihn, wie ich mir schon längere Zeit vorgenommen gehabt hatte, einmal von einem möglichst idealen Winkel ausungestört beobachten zu können, schreibt Atzbacher. Da er im sogenannten Bordone-Saal gegenüber Tintorettos Weißbärtigem Mann seinen Vormittagsplatz hat, auf der samtbezogenen Sitzbank, auf welcher er mir gestern nach dem Erläutern der sogenannten Sturmsonate seinen Vortrag über die Kunst der Fuge fortgesetzt hat, von vor Bach bis nach Schumann, wie er es bezeichnet und dabei doch nur immer mehr von Mozart und nicht von Bach zu sprechen in Laune gewesen war, mußte ich im sogenannten Sebastiano-Saal Aufstellung nehmen; ich mußte also, ganz gegen meinen Geschmack, Tizian in Kauf nehmen, um Reger vor dem Weißbärtigen Mann von Tintoretto beobachten zu können und zwar stehend, was kein Nachteil war, denn ich stehe lieber, als daß ich sitze, vor allem in der Menschenbeobachtung und ich beobachte zeitlebens immer stehend besser, als sitzend, und da ich ja aus dem Sebastiano-Saal hinaus- in den Bordone-Saal hineinschauend schließlich unter Anwendung der äußersten Sehschärfe tatsächlich die ganze, nicht einmal durch die Sitzbankrückenlehne beeinträchtigte Seitenansicht Regers, der gestern ohne Zweifel durch den in der vorausgegangenen Nacht eingetretenen Wettersturz arg in Mitleidenschaft gezogen, die ganze Zeit seinen schwarzen Hut auf dem Kopf behalten hat, sehen konnte, also die ganze mir zugewandte linke Seite Regers, war mein Vorhaben, Reger einmal ungestört in Augenschein zu nehmen, geglückt.“
Thomas Bernhard (9 februari 1931 — 12 februari 1989) Cover
'"Go 'way, you dirty low cur," said I, "to insult a lady. I'm no European, but an Irish girl, bred, born and reared in Donnelly's Orchard." ' Her young man muttered something fierce, but she waved her hand deprecatingly. 'That's all right, Ignayzeous, what you'd a done if you'd a been here, but you're like the Garda Seo Caughtyeh, never where you're wanted. Then another fellow comes in and asks me for the new Greene, and I directed him to the top of Grafton Street and said he might do the best he could with the old one, because it was the only one I'd heard of in these parts, unless they'd have a new green in Ballyfermot or Donnycarney, out at the new houses, but I'd not know much about them places — ours is a purchase house, fifty pound down and you own it in 2006, if God spares us. 'Then there was an old chap in a Teddy Boy suit, velvet collar and all, drainpipes, and I don't know who he thought he was fooling. Going round in that get-up like a fellow of eighteen and I declare he was seventy if he was an hour, and he tries to get off his mark, if you please, asking me if I liked Kipling. "How could I know?" I asks, "when I never kippilled, and if I did it would be someone more me equals than you." And that put him in his place, I can tell you. He wasn't long clearing off. And all these dead-and-alive old books, you'd be lost for a bit of a read only I do bring me True Romances with me. I'll be out of this place after the Christmas rush, anyway. I went back to the fellow in the Labour and he says to me: "I thought you liked working in a bookshop? You said you worked in one for three years." "A bookshop?" says L "I told you I worked in the cookshop, in the biscuit factory, where they fill cakes and biscuits with jam and suchlike when they come out of the bakehouse." "Oh, is that so?" says he. "My mistake; well, keep your mouth shut till the first week in January and let on you can read and write."
Brendan Behan (9 februari 1923 – 20 maart 1964) Standbeeld in Dublin
De Nederlandse dichter, essayist, historicus en politicus Geerten Gossaert(eig. Frederik Carel Gerretson) werd geboren in Kralingen op 9 februari 1884. Zie ook alle tags voor Geerten Gossaertop dit blog.
Libera nos, Domine!
De wind woei om het eenzaam huis In 't laatste avonduur; Toen lichtte een vreemde de klink der deur En zat bij 't open vuur.
Ik dierf niet vragen wie hij was En hij gaf teken noch taal; En ik noodde hem niet, maar hij zat aan Naast mij aan 't avondmaal.
Mijn lippen trilden en in mijn hart Laaide hittige haat; Maar hij glimlachte en hief tot mij Zijn bitterschoon gelaat.
En 'k sprak en zei: Ik ken u niet! Wat, aan mijn haard, zoekt gij? Doch hij antwoordde niet, maar hief zijn hand En brak het brood met mij.
En ik herkende ...; 's morgens vroeg Is hij weer heengegaan... Maar 't laatste van dit bitter lied Zal God alléén verstaan.
Hymne aan de stilte
I Weer, stijgend door de koele nacht De bergen op ter eenzaamheid, Omgordt mij de geheime macht Die mij tot Uw gemeenschap wijdt; Der mensen woningen ontvlucht En hunner woorden vreemd gerucht, Ver van hun liefde en hunne haat Tot Ú mijn hoog vertrek en toeverlaat.
Geerten Gossaert (9 februari 1884 - 27 oktober 1958) In 1917
Uit: Zalig zijn de schelen(Samen met Betty van Garrel)
“Schele mensen! Ik schenk ze mijn liefde en vertrouwen. Hoe kan ik anders? Uit hun ogen straalt een kinderlijke hulpeloosheid, ja een aan verdwazing grenzende verwondering die om tederheid roept. Denk maar eens aan Ben Turpin als hij verbaasd oprijst uit een meelton. of aan een scheel meisje dat in de stadsbus ineens over de rugleuning naar je omkijkt. of denk zomaar aan iemand die scheel is. Met loense mensen ligt het even anders. Ik kan niet anders dan van ze houden, maar niets is ooit zeker. Ik krijg dikwijls het idee dat de loense mens iets ziet wat ik niet zie: één oog toeft in een andere dimensie. Spannend! Als de loense mens mij plotseling recht (??) aankijkt, gaat de spanning vaak over in aangename verwarring. Zwelt soms aan tot ontroering en opwinding. Ik weet nog geen raad met het erotische aspect van scheel en loens. Ik weet alleen dat het er is, wat mij aangaat bij vrouwen, en vooral bij de filmster Karen Black.”
Herman Pieter de Boer (9 februari 1928 – 1 januari 2014)
“In fact, the happiness that imbues this kind of friendship, whether for an individual or a country, or an act, is like an inner light, a compass we might steer by as we set out across the lengthening darkness. It comes from the simple belief and understanding that what one is feeling and doing is right. That it is right to protect rather than terrorize others; right to feed people rather than withhold food and medicine; right to want the freedom and joyful existence of all humankind. Right to want this freedom and joy for all creatures that exist already, or that might come into existence. Existence, we are now learning, is not finished! It is a happiness that comes from honoring the peace or the possibility of peace that lives within one’s own heart. A deep knowing that we are the Earth—our separation from Earth perhaps our greatest illusion—and that we stand, with gratitude and love, by our planetary Self. When you read this book you may not be surprised that many of its “meditations” were delivered as talks. There is a reason for this. Perhaps you already know that many writers write because they secretly believe they cannot talk, or they don’t like to talk, or they feel they have nothing to say. This describes this writer more often than not, in any case. Or did describe me until a year or so ago. Until that time, whenever I accepted an invitation to speak-to a college or high school graduating class, an association of yoga teachers, a gathering of Buddhists-I sat down and wrote what I wished to say, frankly worrying that if I did not write it down I would forget it, memory of the nonfictional not being a strength.”
God heeft de dichters lief Als eerstgeboren zonen; Maar waarom weet ik niet.
Soms licht van zin en wild van haar Berokkenen zij Hem veel ongerief; En of die God, hoe onberekenbaar Hij soms zijn mag, 't kan verschonen Dat zij - o, ieder dichter is zijn dief - De schoonste bloemen uit zijn lusthof roven, Geloof ik niet.
Wat moet ik dán geloven? Dat God hen gaarne ziet, Omdat zij anders dan de anderen En reeds van Henoch af Op hunne handen naar den hemel wandelen En op hun voeten naar hun graf? Ik weet het niet.
Ik weet alleen dat, als God in zijn gram- schap ooit een dichter liet verdrinken, Zijn hoofd meteen weer boven kwam En nóg zijn lied bleef klinken.
Jacques Schreurs (9 februari 1893 – 31 januari 1966)
De Amerikaanse dichteres Amy Lowellwerd geboren op 9 februari 1874 in Brookline, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Amy Lowell op dit blog.
A Little Song
When you, my Dear, are away, away, How wearily goes the creeping day. A year drags after morning, and night Starts another year of candle light. O Pausing Sun and Lingering Moon! Grant me, I beg of you, this boon.
Whirl round the earth as never sun Has his diurnal journey run. And, Moon, slip past the ladders of air In a single flash, while your streaming hair Catches the stars and pulls them down To shine on some slumbering Chinese town. O Kindly Sun! Understanding Moon! Bring evening to crowd the footsteps of noon.
But when that long awaited day Hangs ripe in the heavens, your voyaging stay. Be morning, O Sun! with the lark in song, Be afternoon for ages long. And, Moon, let you and your lesser lights Watch over a century of nights.
Market Day
The white mares of the moon rush along the sky Beating their golden hoofs upon the glass Heavens The white mares are all standing on their hind legs Pawing at the green porcelain doors of the remote Heavens Fly, mares! Strain your utmost Scatter the milky dust of stars Or the tigers will leap upon you and destroy you With one lick of his vermillion tongue.
Uit: Hoe Monne en Jean Baptiste hun eerste communie deden
“De glans dier vrome wereld deed de sprookjeswereld verbleeken, waarin hij tot nog toe geleefd had. Vooral het vraagstuk der eeuwigheid bekommerde Manne met bijzondere hardnekkigheid. Waar hij de gelegenheid had Quickelbomeetje te ontmoeten, na school, 's Zondags na de mis of ook al eens heimelijk over het tuinmuurtje wierp hij die vraag herhaaldelijk op en vernam dan van zijn buurmannetje, dat ook zeer tot dergelijke bespiegelingen geneigd was, allerlei boeiende bijzonderheden. - De eeuwigheid is lang, niet waar Quickelbomeetje? - Ja, Mondje, zonder begin en zonder einde... - Dat is wel duizend keer duizend jaar? - O, nog meer! Nog veel meer.… Beiden zwegen daarop een lange poos in diep overwegen en dan vertelde Quickelbomee het exempel van dat klein, klein vogeltje, dat alle duizend jaar eens op een grooten ijzeren bol kwam zitten. Als het door de herhalingen van dat duizendjarig bezoek den bol zou versleten hebben, dan zou er nog maar een seconde van de eeuwigheid vervlogen zijn. Monne staarde Quickelbomee met bewonderende oogen aan. Die wist wat de eeuwigheid was. - En op 't einde van de wereld, Quickelbomeetje, moet alles dan vergaan, al de menschen en de beesten? - Alles, alles, Mondje… - En zouden ze dan niet kunnen vluchten? - Neen, mijn ventje, dan zal alles, aarde en lucht, alles in vuur en vlamme staan....”
Maurits Sabbe (9 februari 1873 – 12 februari 1938)
Tags:John Coetzee, Thomas Bernhard, Brendan Behan, Geerten Gossaert, Herman Pieter de Boer, Alice Walker, Jacques Schreurs, Amy Lowell, Maurits Sabbe, Romenu
De Nederlandse schrijver, vertaler, slavist en essayist Kees Verheulwerd geboren in Hengelo op 9 februari 1940. Verheul studeerde Engels en slavistiek aan de Universiteit Utrecht. Hij promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam op het proefschrift “The theme of time in the poetry of Axmatova”. Hij was van 1979 tot zijn pensionering op 16 december 2005 docent Russische Letterkunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Verheul vertaalde poëzie van Anna Achmatova, Osip Mandelstam, Innokenti Annenski en Joseph Brodsky, de memoires van Nadezjda Mandelstam en een aantal boeken van Andrej Platonov. Verheul was bevriend met Joseph Brodsky. Samen met Frans Kellendonk vertaalde hij Brodsky's essaybundel “Less than One” (vertaald als: “Tussen iemand en niemand”). Hij droeg bij aan Russische vertalingen van poëzie van Martinus Nijhoff en Guido Gezelle en schreef in Russische tijdschriften over letterkundige onderwerpen. Ook publiceerde hij een aantal bundels met beschouwingen over Nederlandse en Russische letterkunde, dagboeken en het autobiografische boekje 'Een vierkant in de toendra'. Hij schreef een aantal romans: “Kontakt met de vijand” (over zijn studietijd in Rusland), “Een jongen met vier benen” (een bildungsroman met homo- en pedoseksuele thematiek) en de (nog onvoltooide) familieromancyclus “De Tutcheffs“. Verheul leverde ook een bijdrage aan een cursus Russische literatuur voor middelbare scholen. In de Nederlandse letteren behoort Kees Verheul met Karel van het Reve, Nico Scheepmaker, Nicoline van der Sijs en Johan Daisne tot de slavisten die buiten hun oorspronkelijke vakgebied zijn getreden. In 1977 kreeg Verheul de Busken Huetprijs voor “Verlaat debuut en andere opstellen”. In 1991 kreeg Verheul, samen met een aantal collega-vertalers, de Aleida Schot-prijs voor vertalingen van poëzie van Joseph Brodsky.
Uit: Met Bennie spelen
“Mijn eerste schoolvriendje woonde in onze straat, vlakbij het spoorwegviadukt waar het boerse centrum van het dorp ophield en de villabuurt begon. Vóór de lagere school kende ik hem niet. De afstand tussen zijn huis en het mijne was net te groot om elkaar bij het op straat spelen met onze buurjongens tegen te komen. Wel zag ik hem soms voorbijlopen. Ik wist alleen dat hij een broertje was van een van de grote jongens die iedere dag met mijn broer van school naar huis kwamen en dat hij Bennie heette. Toen de juffrouw ons op de eerste schooldag één voor één liet vertellen waar we woonden, deed ze opgetogen alsof hij en ik bij elkaar hoorden. Toch bemoeiden we ons de eerste tijd niet met elkaar. We zaten aan verschillende kanten van de klas - ik ergens opzij, tussen meisjes en jongens die zelden lastig waren bij de les, hij in een van de voorste banken waar de juffrouw meteen in het begin de ergste lawaaischoppers had neergezet. Ook buiten, tijdens de spelletjes op het schoolplein of de klassewandelingen, was ik nooit dicht bij hem in de buurt. Hij sloot zich gewoonlijk aan bij een vast stel vriendjes - jongens die dialekt spraken, zich apart hielden van de rest en zo gauw ze de kans kregen schreeuwend met elkaar stoeiden en vochten. De ‘nette’ kinderen letten nauwelijks op hen. Het sprak nu eenmaal vanzelf dat ze anders waren: ruw en een beetje achterlijk, want als ze een beurt kregen moest zelfs de juffrouw vaak lachen om het antwoord. Op verjaardagspartijtjes van klasgenoten werden ze bijna nooit gevraagd. Van dit groepje was Bennie de minst opvallende. Los van zijn kameraden leek hij zelfs een stille jongen. Bij de les zat hij onbeweeglijk in een hoek van zijn bank, diep voorovergebukt boven zijn uitgespreide ellebogen. Als hij opkeek had zijn gezicht een starre uitdrukking. Zijn ogen blonken grijs door de ronde glazen van zijn brilletje en zijn mond hing half open, net of hij ingespannen over iets nadacht. Meestal keek hij snel weer voor zich. Op de vragen van de juffrouw antwoordde hij lijzig, met een bijna onverstaanbare stem en als ze zei dat hij harder moest praten tuurde hij naar haar en kwam er, ook al maakte ze zich nog zo boos, geen woord meer uit hem. Zodra hij met zijn vriendjes speelde was zijn bedeesdheid weg. Op het schoolplein klonk zijn stem schel uit de ravottende kluwen die zich meteen na het buitenkomen achterin de rij had gevormd. Het begon al in de gang. Als de juffrouw even niet oplette duwde hij een van zijn vriendjes in de rug of lichtte hij hem bliksemsnel beentje. Bij het vechten verloor hij zelden van de anderen, hoewel hij verreweg de kleinste was, met bleke armen en benen, en tenger gebouwd.”
“The senior partner studied the résumé for the hundredth time and again found nothing he disliked about Mitchell Y. McDeere, at least not on paper. He had the brains, the ambition, the good looks. And he was hungry; with his background, he had to be. He was married, and that was mandatory. The firm had never hired an unmarried lawyer, and it frowned heavily on divorce, as well as womanizing and drinking. Drug testing was in the contract. He had a degree in accounting, passed the CPA exam the first time he took it and wanted to be a tax lawyer, which of course was a requirement with a tax firm. He was white, and the firm had never hired a black. They managed this by being secretive and clubbish and never soliciting job applications. Other firms solicited, and hired blacks. This firm recruited, and remained lily white. Plus, the firm was in Memphis, of all places, and the top blacks wanted New York or Washington or Chicago. McDeere was a male, and there were no women in the firm. That mistake had been made in the mid-seventies when they recruited the number one grad from Harvard, who happened to be a she and a wizard at taxation. She lasted four turbulent years and was killed in a car wreck. He looked good, on paper. He was their top choice. In fact, for this year there were no other prospects. The list was very short. It was McDeere or no one. The managing partner, Royce McKnight, studied a dossier labeled “Mitchell Y. McDeere–Harvard.” An inch thick with small print and a few photographs, it had been prepared by some ex-CIA agents in a private intelligence outfit in Bethesda. They were clients of the firm and each year did the investigating for no fee. It was easy work, they said, checking out unsuspecting law students. They learned, for instance, that he preferred to leave the Northeast, that he was holding three job offers, two in New York and one in Chicago, and that the highest offer was $76,000 and the lowest was $68,000. He was in demand. He had been given the opportunity to cheat on a securities exam during his second year. He declined, and made the highest grade in the class. Two months ago he had been offered cocaine at a law school party. He said no and left when everyone began snorting. He drank an occasional beer, but drinking was expensive and he had no money. He owed close to $23,000 in student loans. He was hungry.”
I caught a tremendous fish and held him beside the boat half out of water, with my hook fast in a corner of his mouth. He didn't fight. He hadn't fought at all. He hung a grunting weight, battered and venerable and homely. Here and there his brown skin hung in strips like ancient wallpaper, and its pattern of darker brown was like wallpaper: shapes like full-blown roses stained and lost through age. He was speckled with barnacles, fine rosettes of lime, and infested with tiny white sea-lice, and underneath two or three rags of green weed hung down. While his gills were breathing in the terrible oxygen - the frightening gills, fresh and crisp with blood, that can cut so badly- I thought of the coarse white flesh packed in like feathers, the big bones and the little bones, the dramatic reds and blacks of his shiny entrails, and the pink swim-bladder like a big peony. I looked into his eyes which were far larger than mine but shallower, and yellowed, the irises backed and packed with tarnished tinfoil seen through the lenses of old scratched isinglass. They shifted a little, but not to return my stare. - It was more like the tipping of an object toward the light. I admired his sullen face, the mechanism of his jaw, and then I saw that from his lower lip - if you could call it a lip grim, wet, and weaponlike, hung five old pieces of fish-line, or four and a wire leader with the swivel still attached, with all their five big hooks grown firmly in his mouth. A green line, frayed at the end where he broke it, two heavier lines, and a fine black thread still crimped from the strain and snap when it broke and he got away. Like medals with their ribbons frayed and wavering, a five-haired beard of wisdom trailing from his aching jaw. I stared and stared and victory filled up the little rented boat, from the pool of bilge where oil had spread a rainbow around the rusted engine to the bailer rusted orange, the sun-cracked thwarts, the oarlocks on their strings, the gunnels- until everything was rainbow, rainbow, rainbow! And I let the fish go.
Elizabeth Bishop (8 februari 1911 – 6 oktober 1979)
Uit: Relax, Man. The Gay Love Letters of Neal Cassady to Allen Ginsberg
“Denver, Colorado April 10, 1947
. . . I don't care what you think, that's what I want. If you are able to understand and can see your way clear to shepharding me around the big city for 9 months, then, perhaps, go to Europe with me next summer thats swell, great and wonderful, exactly what I want, if not — well, why not? Really, damn it, why not? You sense I'm not worthy of you? you think I wouldn't fit in? you presume I'd treat you as badly or worse? You feel I'm not bright enough? you know I'd be imposing, or demanding, or trying to suck you dry of all you have intellectually? Or is it just that you are, almost unconciously, aware of enough lack of interest in me, or indifferance to my plight and need of you, to believe that all the trouble of helping and living with me, would not be quite compensated for by being with me? I can't promise a darn thing, I know I'm bisexual, but prefer women, there's a slimmer line than you think between my attitude toward love and yours, don't be so concerned, it'll fall into line. Beyond that – who knows? Let's try it & see, huh? . . . Relax, man, think about what I say and try to see yourself moving toward me without any compulsive demands, due to lack of assurance that I love you, or because of lack of belief that I understand you etc. forget all that and in that forgetfulness see if there isn't more peace of mind and even more physical satisfaction than in your present subjective longing (whether for me, or Claude, or anybody) I know one cannot alter by this method, but come to me with all you've got, throw your demands in my face, (for I love them) and find a true closeness, not only because what emotionality I have is also distorted by lonliness, but also because I, logically or not, feel I want you more than anyone at this stage. I'm really beat, off to bed, and a knowledge of relief, for I know you must understand and move with me in this, you better not fight against it or any other damn thing, so shut up, relax, find some patience and fit into my mellow plans. Love & Kisses, my boy, opps!, excuse, I'm not Santa Claus am I? Well then, just – Love & Kisses, Neal”
Neal Cassady (8 februari 1926 – 4 februari 1968)
De Amerikaanse schrijver Henry Roth werd geboren op 8 februari 1906 in Tysmenitz nabij Stanislawow, Galicië, in het toenmalige Oostenrijk-Hongarije. Zie ook alle tags voor Henry Rothop dit blog.
Uit:Mercy of a Rude Stream
““It was in her abode, in the janitorial quarters assigned her on the ground floor rear, that seemingly inoffensive Mrs. Shapiro set up a clandestine alcohol dispensary—not a speakeasy, but a bootleg joint, where the Irish and other shikkers of the vicinity could come and have their pint bottles filled up, at a price. And several times on weekends, when Ira was there, for he got along best with Jake, felt closest to him, because Jake was artistic, some beefy Irishman would come in, hand over his empty pint bottle for refilling, and after greenbacks were passed, and the transaction completed, receive as a goodwill offering a pony of spirits on the house. And once again those wry (rye? Out vile pun!), wry memories of lost opportunities: Jake’s drab kitchen where the two sat talking about art, about Jake’s favorite painters, interrupted by a knock on the door, opened by Mr. Shapiro, and the customer entered. With the fewest possible words, perhaps no more than salutations, purpose understood, negotiations carried out like a mime show, or a ballet: ecstatic pas de deux with Mr. McNally and Mr. Shapiro—until suspended by Mr. Shapiro’s disappearance with an empty bottle, leaving Mr. McNally to solo in anticipation of a “Druidy drunk,” terminated by Mr. Shapiro’s reappearance with a full pint of booze. Another pas de deux of payment? Got it whole hog—Mr. Shapiro was arrested for bootlegging several times, paid several fines, but somehow, by bribery and cunning, managed to survive in the enterprise, until he had amassed enough wealth to buy a fine place in Bensonhurst by the time “Prohibition” was repealed. A Yiddisher kupf, no doubt.”
Erotisch gestimmte Tage: Juni. Die Nächte sind rot. Liebe und keine Frage. Herzpause. Und kein Tod.
Licht 1
Manchmal trifft man einen, der ist wie ein Licht, Und man trifft ihn nicht zweimal im Leben. Und man weiß: nur einmal dieses Gesicht. Und man denkt: das darf es nicht geben, Dass man einen Menschen verlor, ehe man ihn gefunden, Und kein Danach und kein Davor… Dieses Licht ist für immer entschwunden. Geheimer Speicher Erinnerung, Empfangs- und Sendezentrale: In einer anderen Dämmerung Verwandelt er die Signale, Die auf uns gekommen von einem Gesicht, Das wir nur einmal gesehen, Zurück in Wärme und in Licht. Und das hilft uns die Nacht überstehen.
Eva Strittmatter (8 februari 1930 – 3 januari 2011)
De Oostenrijkse dichter en schrijver Gert Jonke werd geboren op 8 februari 1946 in Klagenfurt. Zie ook alle tags voor Gert Jonke op dit blog.
OFT GEHE ICH stundenlang pausenlos in meinem Zimmer auf und ab ohne zu wissen warum ich stundenlang pausenlos in meinem Zimmer auf und ab gehe. Und während ich wieder stundenlang pausenlos in meinem Zimmer auf und ab gehe ohne zu wissen warum ich stundenlang pausenlos in meinem Zimmer auf und ab gehe erkenne ich plötzlich dass mein ganzes Dasein nie etwas anderes gewesen ist als ein einziges stundenlanges pausenloses Aufundabgehen im Zimmer.
SPÄTER ist es sicher anders, die Stimmen zu prüfen und das Lachen zu beurteilen, zu sprechen über unsre lang verstellten Mienen.
So seltsam mag es klingen, abzuschwören der Hand, die traf und verfehlte, zu leben ohne eine Formel, mit der man die Nacht ausrechnet.
Gert Jonke (8 februari 1946 – 4 januari 2009)
De Nederlandse dichter, songwriter en musicus Robin Block werd geboren op 8 februari 1980 in Heemskerk. Zie ook alle tags voor Robin Blockop dit blog.
Lolita
alsof ik jou ooit anders kende dan onwennig kinderstemmetjes
Misschien als je vlechtjes groeit behaagziek laatste melktand hoont in blootgelachen rokje mij vermaakt met klunzige pasjes hou ik pink aan pink je liefde vast
Uit: De reis om de wereld in tachtig dagen (Vertaald door Gerard Keller)
“Een ding intusschen was zeker: dat Phileas Fogg sedert vele jaren Londen niet had verlaten. Zij, die de eer hadden hem wat nader te kennen dan anderen, verklaarden dat, behalve op den weg, die den kortsten afstand vormde van zijn huis naar de club, niemand hem ooit elders gezien had. Hij bracht zijne dagen door met lezen en whisten. Bij dit spel, waarbij niet gesproken wordt en dat dus geheel overeenstemde met zijn karakter, won hij meest altijd, maar die winst stak hij niet op; hij bestemde ze voor liefdadige doeleinden. Bovendien gaf Fogg steeds doorslaande blijken dat hij speelde om het spel, maar niet om de winst. Het spel was voor hem een strijd, een worsteling tegen moeielijkheden, maar eene worsteling zonder beweging, zonder zich te verplaatsen, zonder zich te vermoeien en dat kwam volkomen met zijn inborst overeen. Phileas Fogg had, zoover men wist, geen vrouw of kinderen - wat den bessten kan gebeuren - en ook en bloedverwanten of vrienden, wat zeker minder algemeen voorkomt. Hij leefde alleen in zijn huis in Savilla Row, waar niemand ooit tot hem doordrong. Zijn huiselijk leven was dus volkomen onbekend. Aan een enkelen knecht had hij genoeg. Hij ontbeet en dineerde in zijn club op dezelfde, met chronometrische juistheid afgepaste uren, in dezelfde zaal, aan dezelfde tafel, nooit zijne collega's onthalende of vreemde gasten noodigende. Hij ging naar zijn huis alleen om te slapen, precies te middernacht, zonder ooit gebruik te maken van de goed ingerichte slaapvertrekken, die de club ter beschikking houdt van hare leden. Van de vier en twintig uren bracht hij er tien door in zijne woning met slapen of de zorg voor zijn toilet. Als hij wandelde, was het altijd met denzelfden tred in de voorzaal met ingelegden vloer of in de galerij om het huis, waarboven een glazen dak zich uitstrekte, rustende op ionische kolommen van rood porfier. Als hij ontbeet of dineerde was het steeds uit de keuken, de spijskamer, den kelder, den vischvijver en het roomhuis der club, die het beste van hun voorraad voor zijne tafel opleverden; het waren de bedienden uit de club, deftig in het zwart gekleede personen met vilten zolen onder hunne schoenen, die de spijzen opbrachten in het eigen servies der club en op het eigen fijn damast tafellaken plaatsten; de kristallen glazen, eigen model van de club, bevattende zijn sherry, zijn portwijn en zijn bordeaux, vermengd met kaneel en aromatische kruiden; eindelijk was het ijs der club, met groote kosten uit de amerikaansche meren aangevoerd, dat zijne dranken bewaarde en frisch hield. Als op deze wijze te leven iets zonderlings heeft, die zonderlingheid heeft toch hare goede zijde.”
Jules Verne (8 februari 1828 – 24 maart 1905) Scene uit een podiumuitvoering in Everrett, Washington, 2014
“Now, what I want is, Facts. Teach these boys and girls nothing but Facts. Facts alone are wanted in life. Plant nothing else, and root out everything else. You can only form the minds of reasoning animals upon Facts: nothing else will ever be of any service to them. This is the principle on which I bring up my own children, and this is the principle on which I bring up these children. Stick to Facts, sir!’ The scene was a plain, bare, monotonous vault of a school-room, and the speaker’s square forefinger emphasized his observations by underscoring every sentence with a line on the schoolmaster’s sleeve. The emphasis was helped by the speaker’s square wall of a forehead, which had his eyebrows for its base, while his eyes found commodious cellarage in two dark caves, overshadowed by the wall. The emphasis was helped by the speaker’s mouth, which was wide, thin, and hard set. The emphasis was helped by the speaker’s voice, which was inflexible, dry, and dictatorial. The emphasis was helped by the speaker’s hair, which bristled on the skirts of his bald head, a plantation of firs to keep the wind from its shining surface, all covered with knobs, like the crust of a plum pie, as if the head had scarcely warehouse-room for the hard facts stored inside. The speaker’s obstinate carriage, square coat, square legs, square shoulders,—nay, his very neckcloth, trained to take him by the throat with an unaccommodating grasp, like a stubborn fact, as it was,—all helped the emphasis. ‘In this life, we want nothing but Facts, sir; nothing but Facts!’ The speaker, and the schoolmaster, and the third grown person present, all backed a little, and swept with their eyes the inclined plane of little vessels then and there arranged in order, ready to have imperial gallons of facts poured into them until they were full to the brim.”
Charles Dickens (7 februari 1812 – 9 juni 1870) Standbeeld in Portsmouth
De Amerikaanse schrijver en journalist Gay Talese werd geboren op 7 februari 1932 in Ocean City. Zie ook alle tags voor Gay Taleseop dit blog.
Uit: Frank Sinatra Has a Cold
“So some of them left. But most of them stayed, hoping that soon they might be able to push or wedge their way into Jilly’s between the elbows and backsides of the men drinking three-deep at the bar, and they might be able to peek through and see him sitting back there. This is all they really wanted; they wanted to see him. And for a few moments they gazed in silence through the smoke, and they stared. Then they turned, fought their way out of the bar, went home. Some of Sinatra’s close friends, all of whom are known to the men guarding Jilly’s door, do manage to get an escort into the back room. But once they are there, they too must fend for themselves. On the particular evening, Frank Gifford, the former football player, got only seven yards in three tries. Others who had somehow been close enough to shake Sinatra’s hand did not shake it; instead they just touched him on the shoulder or sleeve, or they merely stood close enough for him to see them, and, after he’d given them a wink of recognition or a wave or a nod or called out their names (he has a fantastic memory for first names), they would then turn and leave. They had checked in. They had paid their respects. And as I watched this ritualistic scene, I got the impression that Frank Sinatra was dwelling simultaneously in two worlds that were not contemporary. On the one hand, he is the swinger-as he is when talking and joking with Sammy Davis, Jr., Richard Conte, Liza Minelli, Bernice Massi, or any of the other show-business people who get to sit at the table; on the other, as when he is nodding or waving to his paisanos who are close to him (Al Silvani, a boxing manager who works with Sinatra’s film company; Dominic Di Bona, his wardrobe man; Ed Pucci, a 300- pound former football lineman who is his aide- de- camp), Frank Sina- tra is Il Padrone.”
“Mon père et ma mère se sont rencontrés à Châteauroux, près de l’avenue de la Gare, dans la cantine qu’elle fréquentait, à vingt-six ans elle était déjà à la Sécurité sociale depuis plusieurs années, elle a commencé à travailler à dix-sept ans comme dactylo dans un garage, lui, après de longues études, à trente ans, c’était son premier poste. Il était traducteur à la base américaine de La Martinerie. Les Américains avaient construit entre Châteauroux et Levroux un quartier, qui s’étendait sur plusieurs hectares, de petites maisons individuelles de plain-pied, entourées de jardins, sans clôture, dans lesquelles les familles des militaires vivaient. La base leur avait été confiée dans le cadre du plan Marshall, au début des années cinquante. Quelques arbres y avaient été plantés, mais quand on passait devant, de la route, on voyait une multitude de toits rouges à quatre pentes, disséminés sur une large plaine sans obstacle. À l’intérieur de ce qui était un véritable petit village, les allées, larges et goudronnées, permettaient aux habitants de circuler dans leur voiture au ralenti, entre les maisons et l’école, les bureaux et la piste d’atterrissage. Il y avait été embauché à sa sortie du service militaire, il n’avait pas l’intention de rester. Il était de passage. Son père, qui était directeur chez Michelin, voulait le convaincre de travailler pour le Guide Vert, lui se voyait bien faire une carrière de chercheur en linguistique, ou d’universitaire. Leur famille habitait Paris depuis des générations, dans le dix-septième arrondissement, près du parc Monceau, était issue de Normandie. De père en fils on y avait souvent été médecins, on y était curieux du monde, on y avait la passion des huîtres. Il l’a invitée à prendre un café. Et quelques jours après à danser. Ce soir-là, elle devait aller à un bal dit « de société » avec une amie. Organisés par un groupe ou une association qui louait un orchestre et une grande salle, les bals de société, à la différence des dancings, fréquentés des Américains mais aussi des prostituées, attiraient les jeunes gens de Châteauroux, celui-là avait lieu dans une grande salle d’exposition de la route de Déols, le parc Hidien. Mon père n’en avait pas l’habitude.”
Christine Angot (Châteauroux, 7 februari 1959)
De Vlaamse schrijver, schilder, tekenaar, graficus, causeur, auteur, theatermaker, entertainer en zanger Pjeroo Roobjee (pseudoniem van Dirk De Vilder) werd geboren in Gent, op 7 februari 1945. Zie ook alle tags voor Pjeroo Roobjee op dit blog.
Uit: Heldendeugd
“(Alice draait de kaart om.) (zingend:)
Lieve kameraad Francky Langeraet, Ik keer weeral weer Naar de vieze beer En de gore stront Van 't Front! Van lijf zo gezond Als een jonge hond Maar in de ziel verwond Naar 't front!
(op spreektoon:) Wanneer zal de mensheid inzien dat wij allen broeders zijn? Zij die niets hebben, zij die somtijds de gemene soldaten worden genoemd, beginnen stilletjesaan te snappen dat ze vechten om de rijkdommen van de plantrek- kers te verdedigen, de eigendommen van al die chancards en richards die zich zomaar aan de service militaire mogen onttrekken. Als ik het geluk heb weer te keren, wat voor een slag met mijnen kuisborstel zal dat niet gaan worden!! Getekend: Edward Hoste. LEON: Het is een vervalsing! Het is een vervalsing... Verscheur dat! (Hij grist Alice de kaart uit de hand en scheurt het document in duizend stukjes.)”
Pjeroo Roobjee (Gent, 7 februari 1945) Scene uit een opvoering in Hasselt, 2014
“Although Labor Day was late that year, the heat still sat on the back of my neck like a wet towel. I stood on the porch with my three-year-old, Maya, and watched through the trees for a car kicking up dust on the road- After two weeks at my mother-in-law's place outside Woodstock, NY, with no air-conditioning and no WiFi, we were both Ready To Go- “Rory, honey!" she called from inside- I cringed- Terms of endearment were never a good omen. “Yes, Val?" “Did Maya touch my dream catcher?" Maya shook her head, her ponytail, still wet from the swimming hole, swiping back and forth across my thigh- “I don't think so, Val," I replied- “You were really clear with her about what not to touch!" “If you say so.” I liked Val, more than most other women like their mother-in-laws, but one more hour of trying to be polite in that humidity and something Edward Albee was going to break out between us. The original plan had been that my husband, Blake, would be with us for the whole trip- We'd hike the Catskill Mountains with our ten-year-old, Wynn, and take both kids to the man-made beaches along the Esopus Creek- But then Blake got yet another callback for this Netflix series he'd been auditioning for and had tojump on a plane to LA at the last minute. I was deeply rooting for him to get this part, rooting from the subatomic particles that flurried in my atoms- He needed it- We needed it. Blake was that rare animal, a professional working actor, and he had been since he was a kid- But after Maya was born, the flow of residuals slowed to a trickle, revealing our income's instability like a cracked riverbed. Our whole summer, our whole lives, were now coming down to his landing this role, which was as within his power as winning the lottery. “Mommy, listen!" Maya started jumping and pointing- The screen door squeaked open, and Wynn ran out to join us on the porch just as we glimpsed the rental car coming up the drive.”
Emma McLaughlin (Elmira, 7 februari 1974) Emma Mclaughlin & Nicola Kraus
Wij zwaaien niet als boomen in den wind; Wij gaan niet den gelaten gang der wolken, Maar, wachters op de tinnen van den morgen Storten wij sterren terug in 't zwart der nacht, En zweven vóór den fonkelenden boeg Van 't schip dat door de middagzeeën vaart En keeren terug op den verloomden slag Van breede vlerken door den gelen avond En slapen, leunend aan der bergen kam De armen rustend aan hun zonnezijde, Terwijl der branding hol gezang weerkaatst Aan onze voeten, die den westervloed Ten grensmuur zijn’.... Zoo zongen wij, voordat planeten stonden Trillende in den greep van een, die uit den tijd Dien wij niet kenden, voortkwam, en ons sloeg Aan heup, en hals. En kreupel sterven wij. Wij drijven op de eilanden der nacht, De lenden rillend in de felle branding Die ons met schelpen en met slijk bedekt; Geen, die der horizonnen boog kan spannen; Leeg is de koker van de zonnepijlen
A. den Doolaard (7 februari 1901 – 26 juni 1994)
De Duitse dichteres, schrijfster en vertaalster Lioba Happel werd geboren op 7 februari 1957 in Aschaffenburg. Zie ook alle tags voor Lioba Happel op dit blog.
sie wird aufstehen
sie wird ein wenig wanken
sie wird das über raschende beginnen
weil ein instinkt sie zwingt ihren mund auf seinen munzu tun
verrückt auf der suche nach etwas das sie vergessen hat
sie wird ihn küssen
langsam hebt der arm an ihrem körper eine hand an sein gechlecht
ein hauch kurzer scheu schattiger kampf hat begonnen
um verstorbene begrabene gezeugt nicht geschaffene
Hier onder deezen Eik, hier zal ik rust genieten, Hier zal geen zucht mijn borst, geen traan mijn oog ontschieten; Hier drijven de Eeuwen met haar schande en leed voorbij, En 't zwart Geschichtverhaal bestaat niet meer voor mij. De wraakzucht aast 'er niet op heilloosheid en smarte; Geen trouwloos Boezemvriend wet hier een dolk voor 't harte; De Hoogmoed zwijgt 'er, en de driften zwijgen meê, En in dat Vaderland woont ongestoorde vreê. De Nachtstar, die mijn oog door traanen vaak aanschouwde, De Wagen, wien ik vaak mijn lijdend hart vertrouwde De Maan, die menigwerf mijn doornig pad bescheen, Die alle blikken dan op mijn' gerusten steen! 0 stille Dooden, die den Lijder hier omringen, Ook gij hebt leed gekend, ook gij waart stervelingen! Hoe meenig sluimert hier in 's aardrijks koelen schoot, Wien, ach, een leven lang! de rust als mij ontvloot, Die door een knaagend heir van zorgen voortgedreeven, Zijn aanzijn vond beperkt tot een rampzalig leven! En nu hij ziet, hij hoort, hij denkt, hij voelt niet meer. Zijn hoofd zonk zachtkens op de koele peuluw neêr, En smaakt nu in den kring van zijne voorgeslachten Een rust, waarna mijn ziel nog rusteloos blijft smachten!
Rhijnvis Feith (7 februari 1753 - 8 februari 1824) Cover
Onafhankelijk van geboortedata
De Franse dichter Joachim du Bellaywerd geboren in het kasteel van La Turmelière aan de oevers van de Loire, in de buurt van Liré (Angers regio) rond 1522. Zie ookalle tags voor Joachim du Bellay op dit blog.
A son livre
Mon livre (et je ne suis sur ton aise envieux), Tu t'en iras sans moi voir la Cour de mon Prince. Hé, chétif que je suis, combien en gré je prinsse Qu'un heur pareil au tien fût permis à mes yeux ?
Là si quelqu'un vers toi se montre gracieux, Souhaite-lui qu'il vive heureux en sa province : Mais si quelque malin obliquement te pince, Souhaite-lui tes pleurs et mon mal ennuyeux.
Souhaite-lui encor qu'il fasse un long voyage, Et bien qu'il ait de vue éloigné son ménage, Que son coeur, où qu'il voise, y soit toujours présent :
Souhaite qu'il vieillisse en longue servitude, Qu'il n'éprouve à la fin que toute ingratitude, Et qu'on mange son bien pendant qu'il est absent.
Joachim du Bellay (rond 1522 – 1 januari 1560) Standbeeld in Ancenis (Loire-Atlantique)
Tags:Charles Dickens, Gay Talese, Christine Angot, Pjeroo Roobjee, Emma McLaughlin, A. den Doolaard, Lioba Happel, Rhijnvis Feith, Joachim du Bellay, Romenu