Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
18-09-2016
Michaël Zeeman, Armando, Ton Anbeek, Stephan Sarek, Omer Karel De Laey, Michael Deak
Uit: Aan mijn voormalig vaderland (Ludwig Wittgenstein op het damestoilet)
“Bruce Duffy is een 40-jarige Amerikaanse anglist en filosoof, die een nieuw en huiveringwekkend literair genre heeft uitgevonden: de intellectuele streekroman. Dat is een genre dat enigszins doet denken aan de negentiende-eeuwse professorenroman. Toentertijd had je historici die hun machtige kennis van een bepaalde periode niet systematisch onderbrachten in een monografie, maar hun materiaal gebruikten om slopend informatieve romans te schrijven. Al die feiten, speculaties en wetenschapswaardigheden werden ondergebracht in een toneel waarop zich deels verzonnen, deels vrijelijk geordende historische gebeurtenissen afspeelden. Wat Bruce Duffy in zijn eerste roman, De wereld die ik aantref, heeft gedaan, lijkt daarop. Zijn held is Ludwig Wittgenstein: dan zit je goed, want die is inmiddels al twintig jaar in de mode, moet hij gedacht hebben. Wittgensteins levensgeschiedenis en de levensverhalen van een touringcar vol tijdgenoten vormden de stof voor Duffy’s roman. Omdat Wittgenstein aan de rand van de Bloomsbury Group en de directe voorloper daarvan, de Cambridge Apostles, stond, en al die hyper-Britse apostelen en Bloomsburianen als een gek brieven en dagboeken hebben zitten schrijven, was er voor een roman materiaal te over. En interessant materiaal: Bloomsbury staat voor een prikkelende mengeling van brille en verslaving aan achterklap - wat wil je nog meer. Bovendien is ook de geschiedenis van de Bloomsbury Group al meer dan vijftien jaar in de mode en heeft zich gedurende die tijd een heel leger van beroepsvoyeurs gestort op de uitgave van al hetgeen er aan brieven, dagboeken, aantekeningen en boodschappenbriefjes te vinden was. Van het overzicht van de menstruatiecyclus van Virginia Woolf tot en met de tabaksrekening van de zwarte pijproker G.E. Moore is het allemaal in elke enigszins geoutilleerde dorpsbibliotheek te vinden. Van iedereen die enige originaliteit of esprit bezat en in de periode 1890-1940 met de universiteit van Cambridge of het artistieke leven in Londen te maken had weten we tamelijk nauwkeurig met wie hij of zij het deed, hoe, hoe vaak en met welk resultaat.”
Michaël Zeeman (18 september 1958 - 27 juli 2009) Hier tijdens een podiumgesprek
De Nederlandse kunstschilder, beeldhouwer, dichter, schrijver, violist, acteur, journalist, film-, televisie- en theatermaker Armando werd geboren op 18 september 1929 in Amsterdam. Zie ook mijn blog van 18 september 2010en eveneens alle tags voor Armando op dit blog.
Omdat
Het kwam omdat de vleugels zijn getroffen.
Het kwam omdat de oogopslag achterwege bleef.
Omdat het voorover viel en nooit werd opgeraapt.
Armando: Blätter, 2012
Paniek
Gedichten schrijven tegen de kou in paniek brieven sturen, een regel op het strijdbare papier, letters met een stramme hand.
Gulzig naar berichten, afwezig bij de ontvangst.
Bij gebrek aan voedsel komt het steeds dichterbij.
“Als op 6 april 648 voor Christus een zonsverduistering plaatsvindt, denkt de dichter Archilochos: nu is alles mogelijk. ‘Want,’ schrijft hij, ‘als Zeus de zon kan blussen, dan zullen ook de dieren des velds met de dolfijnen van weide kunnen wisselen.’ Dit is mogelijk de vroegste plaats waar een motief opduikt dat eeuwenlang dichters zal blijven boeien: de verkeerde wereld. Soms wordt het beeld gebruikt om een toestand van totale geestelijke verwarring aan te duiden. Bij Vergilius staat voor de herder die door zijn geliefde verlaten is de hele wereld op zijn kop: laat nu de wolf ook maar voor het schaap vluchten, eiken gouden appels dragen en uilen een zangwedstrijd houden met zwanen (die golden in de oudheid als de beste zangers). Zo wordt het motief meer dan eens gebruikt om lucht te geven aan een teleurgestelde liefde. Een zestiende-eeuwse Franse dichter klaagt bitter: ‘De zomer zal winter zijn en de lente herfst, / De lucht zwaar en lood licht, / Vissen zullen door de lucht reizen, / Stenen zullen met stemmen spreken, / Water zal vuur en vuur water worden / Voor ik me opnieuw laat verleiden tot verliefdheid.’ Het motief van de verkeerde wereld (mundus inversus) heeft eeuwenlang vele geesten geïnspireerd. Soms ging het dan louter om het spel van de omkering, zoals bij een middeleeuwse dichter die Vergilius wilde overtreffen door een uitputtende reeks onmogelijkheden op te sommen. Ook beeldende kunstenaars werden er door gefascineerd. Het bekende schilderij van Bruegel met de Vlaamse spreekwoorden laat onder meer de omgekeerde wereld zien. Op een mozaïek in de San Marco in Venetië dragen twee hazen een buitgemaakte vos weg. In het hout van kerkbanken en in de marges van manuscripten kan men de absurde voorstellingen ontdekken die de wereld op zijn kop zetten. Volgens sommige oude bronnen bestaat de verkeerde wereld ook echt, namelijk als het rijk van de geheimzinnige antipoden, waar mogelijk de Anti-Christ regeert. Hier verbindt zich het motief van de mundus inversus dan met de hel of het dodenrijk.”
Das Flüstern im Wald unter dem Tannengeäst, wo das Dunkel der Nacht uns erschaudern läßt, wo in tiefster Stille kein Laut mehr verhallt, als der Hauch unseres Atems und das Flüstern im Wald.
Längst können wir den Weg nicht mehr sehen, woher wir kamen, wohin wir gehen. Im Dunkel der Nacht, wo das Auge versagt, wo Unvertrautes uns Schrecken einjagt, da schlägt uns das Herz, da schnürt uns die Brust, und wir werden uns unserer Ängste bewußt. Und fürchten das Rascheln der Tannen, die kalt, und bedrohlich raunen und flüstern im Wald.
Die Kraft, die wir waren, der Mut, den wir hatten, verschwunden - und selbst unser Schatten verschwand, und schon bald, da zeichnet uns das Flüstern im Wald, in das Dunkel der Nacht manch düst're Gestalt.
Und wir kauern nieder, verwundbar und blind, wund und verwundert und sind, den Ängsten wehrlos überlassen, die mit gierigen Fingern nach uns fassen, uns in schreckliche Tiefen hinab zu zieh'n, was gäben wir drum, diese Ängste zu flieh'n.
Doch wir hocken im Dunkel unter dem Tannengeäst, wo das Flüstern im Wald uns erschaudern läßt. Wie gern würden wir jetzt mit den Sorglosen tauschen und können doch nichts tun, bis auf eins vielleicht - lauschen!
Stephan Sarek (Berlijn, 18 september 1957) Berlijn
Uit de vuilberookte smisse, lijk 'n duivel, keek de smid en z'n ogen, onder hunne zwarte wimpers, blekten wit.
Opgezwollen lijk 'n padde, wrocht de blaasbalg en hij spoog, dat de vlam, in blauwe bekken, door de wijde kave vloog.
Langs de strate, half bedeesd, in 't zomerzand, op hunne knien, zaten jongens, naar de krinkels van het dansend vuur, te zien.
Met z'n armen, taai lijk vlegels, wonk de smid op hen en stond, vaste, vóór z'n stalen aambeeld, lijk genageld aan de grond.
In z'n vuisten, zat 'n tange, die 'n gloeiend ijzer greep en het, lijk 'n rode kreefte, tussen heure benen neep.
En hij kleunde, met de moker, op de hoepel van 'n wiel, dat het grijmsel, door de daver, van de zolderribben viel.
Omer Karel De Laey (18 september 1876 - 16 december 1909) Hooglede
De Nederlandse dichter, journalist en docent Michael Deak (pseudoniem van Simon Kapteijn) werd geboren op 18 september 1920 in Alkmaar. Michael Deak is op 5 september op 95-jarige leeftijd overleden. Zie ook alle tags voor Michael Deak op dit blog.
Lied en liefde
Vertolk het lied der late nachtegalen, en leer de taal der tederheid verstaan wanneer de vogelen der minne slaan en onder ’t lover de gelieven dwalen.
Hun liederen zijn simpel te vertalen: ’t gefluit vangt luid met jubileren aan; het klaagt zo traag van treurigheid en traan, en ’t fluistert vaag verlangens ademhalen.
Maar wie de liefde vond en haar ontvlood die laat zich zelden tot haar lied bepalen en die geneest wel nimmer van haar malen haar rode mond, haar borsten en haar schoot; die zal een lief ter helle overhalen onder het oog van Charoon en de dood.
Michael Deak (18 september 1920 – 5 september 2016)
H.H. ter Balkt, Piet Gerbrandy, William Carlos Williams, Ken Kesey, Abel Herzberg, Dilip Chitre, Ludwig Roman Fleischer, Albertine Sarrazin, Mary Stewart
Bosranden; belynxte daken. Veestapel mild bestierd, Magusanus vereerd, en in de braamstruiken dropen bij tijd en wijle wolven, everzwijnen af; rook trouw baken wanneer je verdwaald was; runen wezen altijd de weg.
Toen dreunde, een dag, intocht van de taal, beelden op munten verstomd, bliksemend weerlicht op mijlpalen; toen bestonden wij pas: geschiedenis nam ons in, met heldere weefsels, citroenen, ingekrastheid en wijn.
Intocht wees onze plaats aan: rebellie! Maar eerst vervaardigden wij nog bakstenen, bouwden kazernes op, boden onze rogge aan, wildbraad; langs hun straatweg.
Overwonnenen. Maar nu bestonden wij pas. Hoe machtig hun wereld waarin bliksems heersten, getemde tekens die alles verlichten! Wij staken de koppen bij elkaar.
Doods Droom Doos
Wat je niet denkt of raadt Wat niet op je afrijdt Op weg of straat, slaapt nog In de Doods Droom Doos
Wat je niet zegt of vermoedt Wat je niet overpeinst Schenkt je zoeter dan room Doods, Doods Droom Doos
Genadige hoop, concreter Dan windroos en hondsroos Verlaat ons niet, blijf weg Van Doods, Doods Droom Doos.
Erger nog
'Erger nog, Nederland begint zijn kracht te verliezen,’ karmiakt een manifest uit Nul 4; koude wind over de waterzuivering aan de Zwartewaterallee bij de nertsfarm.
Chichele de aartsbisschop die de koning de expeditie naar Frankrijk aanried, rust oorlogen ten spijt in vol ornaat en ook zonder, op zijn tombe in Canterbury en ja
het mooie oog van de maanvis trok van zee naar koude zee, bij Katwijk; maar zijn oog dat niet langer leefde bleef, wijdgeopend nog altijd menselijk en bijna levend kijken.
My townspeople, beyond in the great world, are many with whom it were far more profitable for me to live than here with you. These whirr about me calling, calling! and for my own part I answer them, loud as I can, but they, being free, pass! I remain! Therefore, listen! For you will not soon have another singer.
First I say this: you have seen the strange birds, have you not, that sometimes rest upon our river in winter? Let them cause you to think well then of the storms that drive many to shelter. These things do not happen without reason.
And the next thing I say is this: I saw an eagle once circling against the clouds over one of our principal churches— Easter, it was—a beautiful day! three gulls came from above the river and crossed slowly seaward! Oh, I know you have your own hymns, I have heard them— and because I knew they invoked some great protector I could not be angry with you, no matter how much they outraged true music—
You see, it is not necessary for us to leap at each other, and, as I told you, in the end the gulls moved seaward very quietly.
Postlude
Now that I have cooled to you Let there be gold of tarnished masonry, Temples soothed by the sun to ruin That sleep utterly. Give me hand for the dances, Ripples at Philae, in and out, And lips, my Lesbian, Wall flowers that once were flame.
Your hair is my Carthage And my arms the bow, And our words arrows To shoot the stars Who from that misty sea Swarm to destroy us.
But you there beside me— Oh, how shall I defy you, Who wound me in the night With breasts shining Like Venus and like Mars? The night that is shouting Jason When the loud eaves rattle As with waves above me Blue at the prow of my desire.
William Carlos Williams (17 september 1883 - 4 maart 1963) Borstbeeld door Frances Hulmes in het Meadowlands Museum in Rutherford, z.j.
“He walks to one of the card games, tips an Acute’s cards up with a thick, heavy finger, and squints at the hand and shakes his head. “Yessir, that’s what I came to this establishment for, to bring you birds fun an’ entertainment around the gamin’ table. Nobody left in that Pendleton Work Farm to make my days interesting any more, so I requested a transfer, ya see. Needed some new blood. Hooee, look at the way this bird holds his cards, showin’ to everybody in a block; man! I’ll trim you babies like little lambs.” Cheswick gathers his cards together. The redheaded man sticks his hand out for Cheswick to shake. “Hello, buddy; what’s that you’re playin’? Pinochle? Jesus, no wonder you don’t care nothin’ about showing your hand. Don’t you have a straight deck around here? Well say, here we go, I brought along my own deck, just in case, has something in it other than face cards—and check the pictures, huh? Every one different. Fifty-two positions.” Cheswick is pop-eyed already, and what he sees on those cards don’t help his condition. “Easy now, don’t smudge ‘em; we got lots of time, lots of games ahead of us. I like to use my deck here because it takes at least a week for the other players to get to where they can even see the suit. ...” He’s got on work-farm pants and shirt, sunned out till they’re the color of watered milk. His face and neck and arms are the color of oxblood leather from working long in the fields. He’s got a primer-black motorcycle cap stuck in his hair and a leather jacket over one arm, and he’s got on boots gray and dusty and heavy enough to kick a man half in two. He walks away from Cheswick and takes off the cap and goes to beating a dust storm out of his thigh. One of the black boys circles him with the thermometer, but he’s too quick for them; he slips in among the Acutes and starts moving around shaking hands before the black boy can take good aim.”
Ken Kesey(17 september 1935 – 10 november 2001) Scene uit de film uit 1975 met o.a. Jack Nicholson en Will Sampson
‘Ja, nou je 't zegt, herinner ik me, dat de Levies uit de Breestraat - 't waren nette mensen, dáár niet van, al waren 't Joden- op 'n goeie dag langs ons huis gekomen zijn, allemaal met rugzakken op. M'n vrouw zegt nog: “waar gaan die naar toe?” Ik zeg: “mens, heb je 't niet gehoord? Die rotmoffen lusten ze niet”. Ze zijn nooit teruggekomen. En die Levie was een beste manufacturier. We missen hem echt.’ Is dat overdreven? Welnu, ik heb het zelf zo gehoord. En het is in elk geval de stijl van ‘de gewone man zegt er het zijne van’, of van ‘even afrekenen, heren’, of van ‘de familie Doorsnee’, kortom, van al die programma's, waarmede onze omroepverenigingen elkander een vlieg pogen af te vangen, en ons de dampen aandoen. Of een omroepvereniging ‘goed’ wordt gevonden, of een krant populair is, of een weekblad een grote oplage heeft, hangt af van de mate, waarin hij in de dorpsheid slaagt. In heel Nederland is nauwelijks één litterair-politiek maandblad te vinden, dat zich staande kan houden. En nu moet ik voor zo een uitermate gecompliceerd geval als het Joodse vraagstuk belangstelling zoeken. Verleden jaar is er een boek verschenen over de concentratiekampen. Het was een heel goed boek, met een vrij volledig relaas van wat er gebeurd is. Maar er stond geen woord nieuws in. Alle kranten schreven kolommen lange artikelen. En uit al die artikelen bleek hetzelfde. Al onze journalisten hadden zich doodgeschrokken. 't Was net, of ze nog nooit van de zaak hadden gehoord. En hoeveel mensen hebben die artikelen gelezen? Als 't vijf procent van de abonné's is, dan is 't veel. De eerste druk van het boek, zegt men, is uitverkocht. Kunststuk! Kunt U mij ook vertellen, hoe groot de oplage was? 2000 exemplaren of 2500? Of 1500? Zes millioen mensen zijn vermoord, zo maar, om niets, of volgens nadere berekening ‘maar’ vier en een half millioen. Tragedies genoeg, zou je zo zeggen. Interessant genoeg voor een tijd en een wereld, waarin zo iets kan gebeuren. 't Is onze tijd en onze wereld. Nou, en wat dan nog? Was tante Sijtje of oom Guus of neef Janus, of nicht Loesje daar soms bij? Dat is het wat me kan schelen. Dit alles is niet als verwijt bedoeld. Men kan niet anders verwachten.“
Abel Herzberg (17 september 1893 - Amsterdam, 19 mei 1989)
Prophets have light Screwed tight in their eyes. They cannot see the darkness Inside their own loincloth. Their speech has grace And their voice tenderness. When prophets arrive Dogs do not bark. They only wag their tails Like newspaper reporters. Their tongues hang out And drool as profusely As editorials. Crowds in the street Split up like watermelons When prophets arrive.
But there are times when even the fuse of heavenly stars is blown Space boils like a forgotten kettle The screw comes off from the eyes And the blinded prophet is stunned It is then that he comprehends the spiral staircase of heaven made of iron The complexity of its architecture.
It is the first time that he apprehends God's inhuman boredom And the size of His shoes. The weight of His foot. And the total monopoly reflected In His every movement. It is then that he realises that His journey so far is only The space and time of His almighty yawn.
Vertaald door Shesha
Dilip Chitre (17 september 1938 – 10 december 2009) Portret door Amitabh Mitra, 2009
“Man kann mit Fug und Recht behaupten, dass England das Mutterland der Alltagsregulation ist. Alles und jedes wird reguliert und durch entsprechende Vorschriften definiert, deren Sinn die Mehrheit der Untertanen Ihrer Majestät zwar nicht kennt, die er aber ohne nachzudenken befolgt, weil es üblich ist. Üblich stammt im Deutschen aus der gleichen Wortwurzel wie übel. Der Sprecher des Deutschen tut daher wohl oder übel das Übliche. Die englischen Entsprechungen customary und habitually gestatten keine vergleichbare Ableitung, weshalb es für den Engländer viel leichter ist, das Übliche durchaus ungezwungen als das Gute anzusehen.Denken wir etwa an die segensreichen Folgewirkungen der übrigens aus der sehr kurzlebigen republikanisch-puritanischen Ära stammenden Sperrstundenregulation der englischen Pubs: Es ist ein unschätzbarer Vorteil der Insel gegenüber dem Kontinent, dass um zwanzig vor elf die Glocke ertönt, die last orders eingefordert werden. Sofort stürzen alle Gäste zur Bar, ergattern noch schnell zwei Pinten Bier, stürzen diese noch schneller hinunter, stürmen sodann ihre Automobile und fahren damit heimwärts. Alle gleichzeitig, wohlgemerkt! Dies erleichtert der Polizei in hohem Maße die nächtliche Verkehrsüberwachung. Eine kurze, heftige rush-home hour erfordert bedeutend weniger Aufwand als ein über die ganze Nacht ausgedünntes Verkehrsaufkommen unter Alkoholeinfluss. Planquadrat, Alkomatapplikation und Röhrlblasen erbringen weit bessere Trefferquoten als in Europa. Auch Rettungsdienste, Krankenhäuser und Ärzte profitieren: Nach einer relativ kurzen Phase intensiver, gezielter und effizienter Akkordarbeit kehrt ab etwa ein Uhr früh wieder Ruhe ein, was man zum Karten- und Würfelspiel, einer Runde Scrabble oder einem Nickerchen nützt.‘
“Myhometown, Swan River, could have been known for murder the way Chicago is known for pizza, Roswell for aliens. It was our thing, our trivia fact, and it occurs to me now that if the Chamber of Commerce had known what they were doing, people could have come to us the way they go to the Massachusetts town where Lizzie Borden axed her parents. Not that we had any murderers who were as famous as Lizzie Borden, but we did have a pattern: teenage girls, usually between the ages of sixteen and eighteen, who killed and pillaged with the abandon of lifelong criminals. There was Margaret Reid, burning her parents’ farm in the 1890 ’s; Angie Davenport, rolling a car full of her high school classmates into a ravine; Misty Greco, smashing up the hardware store in the heat of a midsummer day. You never knew when a teenage girl would take it into her head to shove a shiv into somebody’s stomach, or cave in the back of their skull with a well-tossed brick. In Swan River, we called these hellions the wild girls. I heard about them first from other kids, on the playground and at Girl Scout camp in the summer. With the hoods of sleeping bags pulled up over their heads, the older girls whispered about our homegrown terrors. The wild girls were reported to be able to fly. It was said that though their preferred weapon was fire, they could kill in any way they chose; some had strangled or drowned their victims, or bitten and torn their skin until they bled to death. Since people rarely saw a wild girl and survived, it wasn’t exactly clear what they looked like, and no one knew what triggered the change of an ordinary teenager to one of these fierce creatures. There was no clear cause, no toxic sludge in the drinking water. It was just something about our town-the high wooded ridges, the valleys where abandoned farms slowly decayed to the earth. There was a spirit here, dark and uncontainable, and once it got into you it wouldn’t let you go. You had to talk to other kids about the wild girls, because the institutions of our town-the sheriff, the newspaper-preferred to act like they didn’t exist. They pretended that when Misty Greco killed four people in half an hour, it was just a regular murder, comparable to a school shoofing spree. But we knew that adults understood what was really happening, even if they never said so. As my sister Maggie said, when you turned sixteen everybody started to look at you as if you were the suicide bomber at the checkpoint, the enemy in disguise”.
Tags:H.H. ter Balkt, Piet Gerbrandy, William Carlos Williams, Ken Kesey, Abel Herzberg, Dilip Chitre, Ludwig Roman Fleischer, Albertine Sarrazin, Mary Stewart, Romenu
„GEORGE. Well. just stay on your feet, that’s all These people are your guess, you know, and… MARTHA. I can’t even see you I haven’t been able to see you for years… GEORGE. if you pass out, or throw up, or something… MARTHA. I mean, you’re a blank, a cipher… GEORGE. and try to keep your clothes on. too. There aren’t many more sickening sights than you with a couple of drinks in you and your skirt up over your head… MARTHA : …..a zero……… GEORGE. . . . your heads I should say . .. (The fiontdoorbell chimes.) MARTHA: Party! Party! GEORGE. Murderously) I’m really looking forward to this, Martha… MARTHA. (Same) Go answer the door. GEORGE. (Not moving.) You answer it. MARTHA. Get to that door, you. (He does not move.) I'll fix you, you… GEORGE. (Fake-spits.) To you (Door chime again.) MARTHA. (Shouting… to the door.) C’MON IN! (To George, between her teeth.) I said, get over there! GEORGE. (Moving toward the door.) All right, love whatever love wants. Isn’t it nice the way some people have manners, though, even in this day and age? Isn’t it nice that some people won’t just come braking into other people’s house: even if they do hear some subhuman monster yowling at ’em from inside…?
Scene uit de film van Mike Nichols met o.a. Richard Burton en Elizabeth Taylor (1966)
MARTHA. FUCK YOU! (Simultaneously with Martha’s last remark, George flings open the font door. Honey and Nick are framed in the entrance. There is a brief silence then…) GEORGE. (Ostensibly a pleased recognition of Honey and Nick, but really satifaction at having Martha’s explosion overheard) Ahhhhhhhhh! MARTHA. (A little too loud... to cover) HI! Hi, there…c’mon in! HONEY and NICK. (Ad lib.) Hello, here we are hi… (Etc.) GEORGE. (Very matter-off-factky) You must be our little guests. MARTHA. Ha, ha, ha, HA! Just ignore old sour-puss over there. C’mon in, kids give your coats and stuff to sour-puss. NICK. (Without expression.) Well, now, perhaps we shouldn’t have come. HONEY. Yes… it is late, …and… MARTHA. Late! Are you kidding? Throw your stuff down anywhere and c’mon in. GEORGE. (Vaguely walking away) Anywhere . .. furniture, floor doesn’t make any difference around this place. NICK. (To Honey) I told you we shouldn’t have come. MARTHA. (Stentorian) I said c’mon in! Now c’mon!”
Dolce far niente, P. C. Boutens, Breyten Breytenbach, Alfred Schaffer, Frans Kusters, Michael Nava, Justin Haythe, James Alan McPherson, Hans Arp
Dolce far niente
Sand Dunes at Sunset door Henry Ossawa Tanner, ca 1885 Dit schilderij hangt in de Green Room van het Witte Huis
Laatste zomerdag
Al de gouden middaguren Van de zonnen die verzonken, Stralen door dit blankdoorblonken Blindend dak van blauwe muren Op den stervensstillen lach Van den laatsten zomerdag.
In de dalen van de duinen Huivren wondre schemeringen Om de helderheid der dingen; En geen aêm vleugt langs de kruinen; Dieper dan de middagvreê Hijgt de stilte van de zee.
Als verwaasde glanzen dalen Door de sidderende luchten Vlakker al de breede vluchten Van verzilverd gouden stralen, Tot de glans in gloed ontblaakt Waar hij Zomers peluw raakt. . .
Mogen liefdes gouden uren Die uw oogen zijn vergeten Tot éen glans van hemelsch weten, Zóo uw witte peluw vuren, Ziel mijn ziel, waar uw gezicht In zijn laatsten glimlach ligt!
Pieter Cornelis Boutens (20 februari 1870 – 14 maart 1943) Middelburg, haven. Boutens werd geboren in Middelburg.
Waarom schrijf je altijd over de dood? Omdat ik een vriend zoek die de moeite loont om voor te sterven. – Daigu
een wind stilte waait om het huis de vrouw zegt dat ze kruimels strooit op het balkon voor de mussen en later is alles opgevreten maar je hebt nooit een vogel gezien pa is dood
wolken strooien een vlucht schaduwen voor de zon je zusters gebroken stem overbrugt een afstand van vele jaren: ‘huil maar zodat het binnenste ook weer kan genezen' de stadsklokken gal men opeens een ijskoud blauw gebeier dat slechts dood eeuwig is
hoe schrijf je een afwezigheid vast in het vers? mijn vader is vandaag overleden zaterdag negen december 1989 Johannes Stephanus Breytenbach om halftien 's morgens ik breek mijn woorden als kruimels om te vluchten of te begrijpen
witte vriessuiker over de blaren in het park onverwachts een snik in de borst opgeschrikt als een vogel gewekt uit zijn winterslaap hij was toch zo’n trotse man niemand tot overlast al die jaren geruïneerd grijs lichaam in een zaal vol oude grijze gedoofde lichte lijven
gisteren besefte hij pas goed dat zijn koudvuurbeen was afgezet en vanmorgen was hij nog kwaad want gebit en bril waren kwijt en toen draaide hij zijn hoofd weg van het licht en zuchtte en was hij dood en nu wacht de aarde
toch een verleden opengerukt zo oud als klokken die voor de dood zingen ik zit op mijn vaders schouders onder de koepel van een zoele nacht oud van sterren we gaan naar huis
vaarwel mijn haan mijn luipaard mijn gewroet in de bomen mijn trotse lichtwaaier over de kuif van de berg: en nu plukken we de sterren en zo begint mijn sterven
Breyten Breytenbach (Bonnievale, 16 september 1936)
Babygekrijs, dat de haren overeind laat staan. Daar weer bovenop de trage voetstappen die steeds luider klinken, een toilet dat alles schoonspoelt, met een reuzevaart, bij wijze van een geurig intermezzo. En op de achtergrond een prettig kwetterkoor van vogeltjes, de naklank van een schot, midden in de roos (of kraakbeen van een vluchtend dier), een juichend stadion plus het voortdurend beuken van de golven op de rotsen. Pak aan hier is je partituur, begin maar waar je in kunt vallen.
Een traditioneel gedicht
Het braakland in de verte. Een woord oud als de weg naar Rome, we hebben de verleiding niet weerstaan. Lijnen en plannen maken dit uitdijende weiland. We zijn aangekondigd - houd je mond toch, je ziet ons spoken, zoek een betrouwbare bron, huiverig voor iets
dat maar voorbij blijft gaan. Dan sta je recht en grijpt me beet. Nee, het was andersom, je viel zelfs in het slootje. ‘Klaar,’ sta je te gapen naderhand - je sopt terug je kleren in en niets en alles is veranderd, om vrolijk van te worden. We haperen, het lange gras gesmolten,
we konden erop wachten: een van ons raakt achterop. Jij was er al, jij ploetert voort. Tot uit het zicht. Wind. Een formatie trekvogels. Was dit volgens afspraak, dan hebben we elkaar niet goed begrepen, we zouden voor het donker thuis. Ik roep nog iets, en haak dan af.
“En de mensen - dat was afschuwelijk - hadden het niet eens in de gaten of het zou hun een rotzorg wezen. Zolang ze de metalen karretjes in de supermarkt konden volstouwen en het beeldscherm voldoende lolbroekerij van eigen bodem en de nieuwste ontwikkelingen in Peyton Place vertoonde, en doelpunten, niet te vergeten, zou alles hun een rotzorg wezen en hadden ze niets in de gaten. Ja, tenzij de buren gebeitste schrootjes achter het wandmeubel hadden en zij niet, of wanneer de voor duur geld gekochte kleren niet zo strak om het lichaam bleken te sluiten als de advertentie had beloofd. En wie de leeftijd van Cliff Richard had geraden kreeg van de omroeper een lichtgevende wekkerradio ten geschenke en na een goed antwoord op de vraag waar De Nachtwacht hing een zindelijke bak- en braadgrill daarbij. (Wij konden bewijzen dat Cliff Richard in het geheel niet bestond). En de gediplomeerde kenners van mens en maatschappij kweekten in de vrije tijd radijs, radijs en vleestomaten, volgden metselcursussen, bladerden fotoboeken over verantwoord bedgedrag door en verkondigden tijdens kantooruren dat die bezigheden eigenlijk veel meer waarachtigheid bezaten dan het werk waarvoor zij werden betaald. Maar misschien viel dat deze welvaartstelgen niet eens kwalijk te nemen en moest je de fout bij hun leermeesters zoeken, de heersers van de deelterreinen, die het samenvatten van uittreksels hoe langer hoe vaker onderbraken om zich de orang-oetan-roffel op het borstbeen toe te dienen, liefst op commando van een of andere waan van de dag, want dan bestond de kans dat ze de krant haalden en, wie weet, het televisiescherm. Op aandringen van Bertels waren wij naar het zolderzaaltje van ‘Huize Ditsel’ gegaan, de dansschool aan de Van der Brugghenstraat, waar de toenmalige rectormagnificus alsnog in eigen persoon zijn duit zou laten rinkelen in het zakje gekrakeel dat de aan de overzijde van de oceaan geslaakte kreet ‘God is dood’ in theologische kringen ooit had weten te wekken. De plaatselijke afdeling van het Thijmgenootschap organiseerde de avond, maar omdat wij van de veertien belangstellenden die de klim tot een goed einde hadden gebracht de enige mannen waren, had het er veel van weg dat we bij de V.V.A.O. op bezoek waren, de Vereniging van Vrouwen met Academische Opleiding, wier lezingen we eveneens slechts bij uitzondering oversloegen.”
Frans Kusters (16 september 1949 - 20 november 2012)
“He was arrested for being under the influence of PCP, possession of PCP, resisting arrest and battery on an officer. Geez, did the arresting officer go through the penal code at random? Novack scowled at me. Was anyone hurt? Just scuff marks, counsel. Was he examined by a doctor to determine whether he was under the influence? Did you ask him to submit to a urine test? Then all you can really prove against him is drug possession. Well, Novack said, I guess thats a matter of interpretation between you and the D.A. Are you going to want to see the guy? I'll talk to him, I replied, but first Ill want to interview these two, and I read him the names of the burglars. I interviewed the burglary suspects separately. They were bored but cooperative. They knew the system as well as I did. They had nothing by way of defense so the best I could do for them was try to plead them to something less serious than burglary. Id observed that repeat offenders were the easiest to deal with, treating their lawyers with something akin to professional courtesy. All they wanted was a deal. It was only the first timers who bothered to tell you they were innocent. After the interviews ended, I walked back to the booking office and poured myself a cup of Novacks coffee. I flipped him a quarter and asked to see Hugh Paris. They brought him in in handcuffs and a pair of jail blues so big that they fell from his shoulders and nearly covered his bare feet. His eyes were focused but he still looked disheveled. I thought, irrelevantly, of a picture of a saint I had seen as a boy, as he was being led off to his martyrdom. There was a glint of purity in Hugh Pariss eyes completely at odds with everything that was happening around him. The guard sat him down in the chair across from mine. I took out a legal pad and set it down on the table between us. I introduced myself as Henry Rios, from the public defenders office“.
“A moment later, Maureen appeared in the hallway behind her. She held a pen in one hand, a cigarette in the other. 'Claudia,' she said. 'I didn't hear you come in.' Claudia turned and faced Maureen. 'You're still in your pyjamas,' Maureen laughed. 'It's the middle of the afternoon!' Claudia looked down at herself thoughtfully. 'Are you just getting up?' asked Maureen. 'I don't blame you with this never-ending rain ... Have you heard from your father? I have some mail. The envelopes look important. You can take them.' She turned away. 'I was going to make tea,' she said, and disappeared into the kitchen. Claudia stepped out of her shoes, leaned over and arranged them neatly against the wall. We did not say anything to one another, which was not unusual. I believed that we had an understanding. One night, when I was almost asleep, I had heard her on the phone, weeping instead of laughing. Street light came through the piece of coloured glass she had hung at the window of her old bedroom. Claudia came into the room without turning on the lights. After a moment's hesitation, she lay down on top of the covers beside me. I felt her legs and her breathing, the weight of her grown body. I watched her face soften into sleep. I reached out my hand and laid it over hers. I thought that one of us should stay awake in case my mother returned and discovered us there together, but soon I fell asleep as well. To my great relief when I awoke the next morning she had gone. Maureen came back with a small pitcher of milk in one hand and a plate of inexpensive petits fours in the other. She put them down on the table and switched on a lamp. The light made the sky seem darker still. 'Perhaps you can tell me if we should send any mail on to him directly ... How do you feel? You look pale.' She put her hand to Claudia's cheek. 'Petal,' she said. Claudia leaned forward and gave Maureen a kiss. 'Oh,' said Maureen, obviously surprised. 'Thank you.' Maureen looked old beside Claudia for the first time. Petal was my mother's name for me and Claudia was, in my eyes, a grown woman. Maureen returned to the kitchen for the tea tray. Claudia crossed the room and stood beside me, looking out. She opened the French doors and went out onto the patio as if she wanted a closer look. She stepped over the potted plants and from the railing she stepped into the sky. She had come to us for the height.“
“I went to the territory to renew my supply of stories. There were no new ones in the East at the time I left. Ideas and manners had coalesced into old and cobwebbed conventions. The old stories were still being told, but their tellers seemed to lack confidence in them. Words seemed to have become detached from emotion and no longer flowed on the rhythm of passion. Even the great myths floated apart from their rituals. Cynical salesmen hawked them as folklore. There was no more bite in humor. And language, mother language, was being whored by her best sons to suit the appetites of wealthy patrons. The were no new stories. Great energy was spent describing the technology of fucking. Black folk were back into entertaining with time-tested acts. Maupassant's whores bristled wtih the muscle of union organizers. The life-affirming peasants of Chekov and Babel sat wasted and listless on their porches, oblivious to the beats in their own blood. Even Pushkin's firebrands and noble brigands seemed content with the lackluster: mugging old ladies, killing themselves, snatching small change from dollar-and-dime grocers. During this time little men became afflicted with spells of swaggering. Men with greatness in them spoke on the telephone, and in private, as if bouncing safe clichés off the ear of a listener into an expectant and proprietary tape recorder. Everywhere there was this feeling of grotesque sadness, far, far past honest tears.”
James Alan McPherson (Savannah, 16 september 1943) Cover
Wir zogen hell durch Glanz und Duft. Nun tut das Licht mir weh und niemand ruft und zeigt mir eine Blume oder einen Stern.
Es blüht im Himmelsgrund zwischen Dunkelheit und Licht strahlend wie ein Stern dein gütiges Gesicht.
Du bist ein Stern und träumst in Gottes lichter Blume. Ich mag nicht weitergehen. Ich will auch schlafen. So wie du schläfst in Gold und tiefer Ferne in einem reinen Wiegen.
Verloren wie der alte Mond, der schon viel tausend Jahre stirbt, ist dieser arme Tränenmensch, der um die tote Rose wirbt.
Hans Arp (16 september 1886 - 7 juni 1966) Hans Arp: Horloge, 1924
Tags:Dolce far niente, P. C. Boutens, Breyten Breytenbach, Alfred Schaffer, Frans Kusters, Michael Nava, Justin Haythe, James Alan McPherson, Hans Arp, Romenu
Dolce far niente, Alfred Tomlinson, Lucebert, Jan Slauerhoff, Chimamanda Ngozi Adichie, Agatha Christie, Orhan Kemal, Gunnar Ekelöf
Dolce far niente
Gustavo Silva Nuñez poseert voor een door hem geschilderde zwemmer, 2015.
Swimming Chenango Lake
Winter will bar the swimmer soon. He reads the water’s autumnal hestitations A wealth of ways: it is jarred, It is astir already despite its steadiness, Where the first leaves at the first Tremor of the morning air have dropped Anticipating him, launching their imprints Outwards in eccentric, overlapping circles. There is a geometry of water, for this Squares off the clouds’ redundances And sets them floating in a nether atmosphere All angles and elongations: every tree Appears a cypress as it stretches there And every bush that shows the season, A shaft of fire. It is a geometry and not A fantasia of distorting forms, but each Liquid variation answerable to the theme It makes away from, plays before: It is a consistency, the grain of the pulsating flow. But he has looked long enough, and now Body must recall the eye to its dependence As he scissors the waterscape apart And sways it to tatters. Its coldness Holding him to itself, he grants the grasp, For to swim is also to take hold On water’s meaning, to move in its embrace And to be, between grasp and grasping, free. He reaches in-and-through to that space The body is heir to, making a where In water, a possession to be relinquished Willingly at each stroke. The image he has torn Flows-to behind him, healing itself, Lifting and lengthening, splayed like the feathers Down an immense wing whose darkening spread Shadows his solitariness: alone, he is unnamed By this baptism, where only Chenango bears a name In a lost language he begins to construe — A speech of densities and derisions, of half- Replies to the questions his body must frame Frogwise across the all but penetrable element. Human, he fronts it and, human, he draws back From the interior cold, the mercilessness That yet shows a kind of mercy sustaining him. The last sun of the year is drying his skin Above a surface a mere mosaic of tiny shatterings, Where a wind is unscaping all images in the flowing obsidian, The going-elsewhere of ripples incessantly shaping.
Alfred Tomlinson (8 januari 1927 – 22 augustus 2015) Stoke-on-Trent, Old Town Hall. Alfred Tomlinson werd geboren in Stoke-on-Trent.
noodweer weerlicht de noodklep open het sluimerraam dicht dromen dromen zich dood dodekop tooit zich
in het zwarte zwerk vlekken bleekmiddel het skelet kraakt een aangebrande wolk een blaar een sudderlap aan de slapen druif van droefenis
de versteende vissen beitel die uit de bedding terwijl gier fluistert blaas op de holle blik met het laatste zoeklicht de stilte stilt het tempeesten
Lucebert: Hond & Kat III, 1988
arp
tegen de polsslag van het steen klopt de gedachte van de hand ritselt de rokzoom van trottoirs ademen rotsen over mij heen staat de oxyde der zee op de brandbreekbare ogen der aarde
dwars door mijn mond door breekt het harde gat van gebaar en mijn stem wenkt stilte galoppeer maar geen gewicht dat meer denkt
zo ben ik tot over mijn oren verloofd met het licht het licht koopt mij op loopt op mijn tred mijn hals mijn haar een mars van mens de echte mens die wenst
Soms weent zij uit: dat zij niet meer kan blijven Onbevlekte in verblijven, waar bedreigen Haar offerpijn en floers, waaronder lijven Den Dienst der wrede liefkozing bedrijven.
'k Geloof haar niet, maar neem haar lijfsgewaden. Nog naakt vernederd, smeekt zij de genade Te mogen gaan. Ik spot: ‘Ga zo, mijn gade!’ En sliep in zekerheid... Zij is gaan waden
Door diepe sneeuw en zich aan kuis ijs wonden. Zij dacht rechtuit te vluchten, liep een ronde: Des morgens aan een muur is zij gevonden,
Teruggedragen binnen mijn verblijven, Waar maagden haar bevrozen leden wrijven, Hervoorbereiden voor het feest der lijven.
De dagen gaan
De dagen gaan langs de aarde, lange horden - Nooit is de zon 't vermeêren moe geworden. Een koning sterft, godslasterend, meinedig - Nooit bleef een onbezette zetel ledig. Volksplantingen geraken in versterf - Reeds bloeien schonere uit hun bederf, Weer ondergaand met zinkende getijen. Nu is de tijd voor oude heerschappijen; Vermolmde staten wanklen - de Commune Zal rustig rijzen uit de roeste ruïne En zal een rijk zijn van de ganse aarde: Herberg voor volkeren, verlost van wallen, Bewoners van de veilge hemelhallen En in de ogen Gods gelijk van waarde.
Herfstwind
Herfstwind verdrijft de witte wolken, Ganzen trekken langs het lege zwerk, Nog geuren chrysanten en bloeien orchideeën, Kon ik mijn vroeger lief nu vergeten, Bijna was ik gelukkig, Met mijn bloemenboot op de Fen-rivier, Wit schuimt de stroom langs de boeg, Fluit en trom houden maat met de riemslag, Onder 't rumoer broeden sombre gedachten, Jeugd jaagt voorbij, dood staat onwrikbaar.
Jan Slauerhoff (15 september 1898 – 5 oktober 1936) Cover biografie
“It’s too tight,” Ifemelu said. “Don’t make it tight.” Because Aisha kept twisting to the end, Ifemelu thought that perhaps she had not understood, and so Ifemelu touched the offending braid and said, “Tight, tight.” Aisha pushed her hand away. “No. No. Leave it. It good.” “It’s tight!” Ifemelu said. “Please loosen it.” Mariama was watching them. A flow of French came from her. Aisha loosened the braid. “Sorry,” Mariama said. “She doesn’t understand very well.” But Ifemelu could see, from Aisha’s face, that she understood very well. Aisha was simply a true market woman, immune to the cosmetic niceties of American customer service. Ifemelu imagined her working in a market in Dakar, like the braiders in Lagos who would blow their noses and wipe their hands on their wrappers, roughly jerk their customers’ heads to position them better, complain about how full or how hard or how short the hair was, shout out to passing women, while all the time conversing too loudly and braiding too tightly. “You know her?” Aisha asked, glancing at the television screen. “What?” Aisha repeated herself, and pointed at the actress on the screen. “No,” Ifemelu said. “But you Nigerian.” “Yes, but I don’t know her.” Aisha gestured to the pile of DVDs on the table. “Before, too much voodoo. Very bad. Now Nigeria film is very good. Big nice house!” Ifemelu thought little of Nollywood ɹlms, with their exaggerated histrionics and their improbable plots, but she nodded in agreement because to hear “Nigeria” and “good” in the same sentence was a luxury, even coming from this strange Senegalese woman, and she chose to see in this an augury of her return home.”
Chimamanda Ngozi Adichi (Enugu, 15 september 1977)
'Unsolved mysteries.' Raymond West repeated the words with a kind of deliberate self-conscious pleasure. 'Unsolved mysteries.' He looked round him with satisfaction. The room was an old one with broad black beams across the ceiling and it was furnished with good old furniture that belonged to it. Hence Raymond West's approving glance. By profession he was a writer and he liked the atmosphere to be flawless. His Aunt Jane's house always pleased him as the right setting for her personality. He looked across the hearth to where she sat erect in the big grandfather chair. 'That's not what I mean. I was not talking philosophy,' Raymond said. 'I was thinking of actual bare prosaic facts, things that have happened and that no one has ever explained.' 'I know just the sort of thing you mean, dear,' said Miss Marple. 'For instance, Mrs. Carruthers had a very strange experience yesterday morning. She bought two gills of pickled shrimps at Elliot's. She called at two other shops and when she got home she found she had not got the shrimps with her. She went back to the two shops she had visited but these shrimps had completely disappeared. Now that seems to me very remarkable.' 'My dear Aunt,' said Raymond West with some amusement, 'I didn't mean that sort of village incident. I was thinking of murders and disappearances - the kind of thing that Sir Henry could tell us about by the hour if he liked.'
Agatha Christie (15 september 1890 – 12 januari 1976) Geraldine McEwan als Miss Marple in de serie “Agatha Christie’s Marple”, 2007 - 2009
“I thought they were wonderful people, particularly the father. He talked about various matters, smoothed his thick moustache in an authoritative manner and swore frequently. Meanwhile Nejip’s sister laid out a dining-cloth across the floor, laid a chopping-board down on it, set down little flannels we would be using as napkins and brought in the bread-box. She did all this as if playing a little game, smiling now and then and revealing a sparkling gold tooth whenever she did so. I wondered who she was smiling for: me or Gazi? After we had eaten our meal, drunk our coffees and chatted about things of no consequence, we retired to the beds Nejip’s sister had made up for us. Our beds had been laid out side by side. All the bedding was spotlessly clean, expertly patched here and there and smelling of soap. We climbed into our beds. ‘Ahhh…’ I sighed. ‘This is great!’ Gazi lifted his head up. ‘What? You mean the girl? I could get engaged to her immediately!’ I got very cross with him. ‘You unscrupulous…’ ‘No, that’s what you are! Now, I know that if I don’t beat you to it…’ ‘What?’ ‘Come on, I saw you. Giving her all those leery looks.’ The next morning we had a marvellous breakfast and wandered down to Galata. The day passed. ‘Once the money from your aunt comes through,’ said Gazi the next day, ‘we can invite Nejip out.’ ‘Yes, that’ll be good. We can take him out for a meal.’ ‘To a decent place. With raki and proper meze.’ ‘We’ll pay back Nevzat, too.’
Orhan Kemal (15 september 1914 – 2 juni 1970) Cover Turkse uitgave
Everyone is a world, peopled by blind beings in dark commotion against the self the king who rules them. In every soul thousands of souls are trapped, in every world thousands of worlds are hidden and these blind, these underworlds are real and living, though incomplete, as true as I am real. And we kings and princes of the thousand possibilities in us are ourselves servants, trapped in some greater creature, whose self and being we grasp as little as our own superior his superior. Our own feelings have taken the color of their love and death. As when a mighty steamship passes far out, under the horizon, lying in the evening glitter- - And we don’t know about it until the swell reaches us on the shore, first one, then another, and then many which strike and boom until everything has become as before. – Yet everything is different. So we shades are troubled by a strange unease When something tells us that others have gone ahead, That some of the possibilities have been released.
De Colombiaanse dichter, schrijver, hoogleraar en journalist Sergio Esteban Vélez Peláezwerd geboren op 15 september 1983 in Medellín. Hij publiceerde zijn eerste gedichtenbundel, "Destellos nocturnos" in 1996, toen hij 12 jaar oud was. Vélez studeerde rechten en politieke wetenschappen aan de Bolivariaanse Pontificale Universiteit en studeerde moderne talen aan Sherbrooke University, Hij is wekelijkse columnist voor de krant El Mundo. Hij was de oprichter van de Academia Antioqueña de Letras, samen met Octavio Arizmendi Posada, voormalig minister van Onderwijs van Colombia. In 2002 werd Vélez aangesteld als cultuurdirecteur van de Colegio Altos Estudios de Quirama. Hij won de Premio Nacional de Periodismo Simón Bolívar 2010 (de nationale journalistiekprijs Simon Bolivar), de Premio Internacional de Periodismo José María Heredia 2010 (Internationale prijs voor journalistiek Jose Maria Heredia 2010).) en de Premio Cipa a La Excelencia Periodística 2012. De dichter Olga Elena Mattei zegt dat Vélez het Andes-aspect van de huidige Colombiaanse poëzie vertegenwoordigt. Vélez werkt aan de Universiteit van Antioquia, Colombia.
Interior Orbit
In the center of the sacred enclosure, the genius, imprisoned in the orbit of himself, was lost in the night of time and insisted on seeking the theory of the liquid abysses immense in the confusing layers of the intimate nature of his ego
Theology Of Man
Image and likeness of God say the Scriptures that we were made. And I wonder if we have, the radiance of the divinity, the universal rhythm of balance, the existential transparency, the perfect metaphysical calligraphy, the rational power, the dimensional knowledge, in the theological measure of God
De Amerikaanse schrijverJames Fenimore Cooper werd geboren in Burlington, New Jersey op 15 september 1789 als zoon van een Congreslid van de Verenigde Staten. Nog voor zijn eerste verjaardag verhuisde het gezin naar Westchester County, New York. Reeds op veertienjarige leeftijd vatte hij zijn studies aan op Yale, maar behaalde daar uiteindelijk geen universitaire graad. Hij werd matroos op de koopvaardij en ging op negentienjarige leeftijd bij de marine. Daar behaalde hij de graad van adelborst nog voor zijn vertrek in 1811. Toen hij 22 was huwde hij met Susan DeLancey. Samen hadden ze 7 kinderen. Zijn eerste boek “Precaution” (1820) publiceerde hij anoniem, daarop verschenen er verschillende andere van zijn hand. In 1823 publiceerde hij “The Pioneers”, de eerste uit de Leatherstocking-reeks met de woudloper Natty Bumppo (deze figuur is gebaseerd op het leven en de avonturen van Daniel Boone) in de hoofdrol, waarin hij deze volgt in zijn vriendschap met de Delaware indianen en opperhoofd Chingachgook. Coopers beroemdste roman zou echter “The Last of the Mohicans” (1826) worden, een van de meest gelezen boeken uit de 19e eeuw. In 1826 verhuisde Cooper met zijn gezin naar Europa, om daar als vertegenwoordiger van de regering van de Verenigde Staten te gaan werken. Tijdens zijn verblijf daar schreef hij het in Parijs gepubliceerde “The Red Rover”, “The Waterwitch—one” en andere zeeverhalen. Hij raakte ook erg betrokken in politieke discussies over de Verenigde Staten en publiceerde daarover onder meer in Le National. In zijn drie volgende romans “The Bravo” (1831), “The Heidenmauer” (1832) en “The Headsman: or the Abbaye of Vigneron” (1833) verwerkte hij ook zijn republikeinse overtuigingen. In 1833 keerde hij terug naar Amerika, waar hij onmiddellijk “A Letter to My Countrymen” publiceerde, waarin hij scherp uithaalde naar de betrokkenheid van de Verenigde Staten in een aantal controversiële zaken waar hij in Europa mee te maken had gekregen.
Uit: The Last of the Mohicans
“It was a feature peculiar to the colonial wars of North America, that the toils and dangers of the wilderness were to be encountered before the adverse hosts could meet. A wide and apparently an impervious boundary of forests severed the possessions of the hostile provinces of France and England. The hardy colonist, and the trained European who fought at his side, frequently expended months in struggling against the rapids of the streams, or in effecting the rugged passes of the mountains, in quest of an opportunity to exhibit their courage in a more martial conflict. But, emulating the patience and self-denial of the practiced native warriors, they learned to overcome every difficulty; and it would seem that, in time, there was no recess of the woods so dark, nor any secret place so lovely, that it might claim exemption from the inroads of those who had pledged their blood to satiate their vengeance, or to uphold the cold and selfish policy of the distant monarchs of Europe. Perhaps no district throughout the wide extent of the intermediate frontiers can furnish a livelier picture of the cruelty and fierceness of the savage warfare of those periods than the country which lies between the head waters of the Hudson and the adjacent lakes. The facilities which nature had there offered to the march of the combatants were too obvious to be neglected. The lengthened sheet of the Champlain stretched from the frontiers of Canada, deep within the borders of the neighboring province of New York, forming a natural passage across half the distance that the French were compelled to master in order to strike their enemies. Near its southern termination, it received the contributions of another lake, whose waters were so limpid as to have been exclusively selected by the Jesuit missionaries to perform the typical purification of baptism, and to obtain for it the title of lake “du Saint Sacrement.” The less zealous English thought they conferred a sufficient honor on its unsullied fountains, when they bestowed the name of their reigning prince, the second of the house of Hanover. The two united to rob the untutored possessors of its wooded scenery of their native right to perpetuate its original appellation of “Horican.” Winding its way among countless islands, and imbedded in mountains, the “holy lake” extended a dozen leagues still further to the south. With the high plain that there interposed itself to the further passage of the water, commenced a portage of as many miles, which conducted the adventurer to the banks of the Hudson, at a point where, with the usual obstructions of the rapids, or rifts, as they were then termed in the language of the country, the river became navigable to the tide.”
James Fenimore Cooper (15 september 1789 - 14 september 1851) Portret door John Wesley Jarvis, 1822