Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
19-05-2016
Constantin Göttfert, Karel van het Reve, Gijs IJlander, Thera Coppens, Jodi Picoult, Yahya Hassan, Ruskin Bond, Fritz Rudolf Fries, Luuk Wojcik
„Die Gletscherwasser aus dem tschechischen Riesengebirge hatten den aufgeschütteten Kies überschwemmt, sie schaukelten die vertäute Fähre. Hochwasser, kein Betrieb stand dort, Povodefi, z”iadnci prevädzka. Ich erreichte Ina, fasste nach ihrer Hand, um ihr über die Absperrung zu helfen. «Pass auf», sagte ich. Sie setzte den zweiten Fuß über die Kette, schlug sich den Schnee vom Mantelsaum, und noch halb in dieser Bewegung beugte sie sich zu mir und küsste mich auf die Wange. Die Tür war nur mit einem Riegel gesichert. Ina löste den Mechanismus. Sie bückte sich vor mir in die Kajüte, fasste nach meiner Hand. Ich missverstand sie. «Die Streichhölzer», sagte sie, «gib mir die Streichhölzer.» Aus einer rußigen Laterne fiel Licht in einen Raum von sieben oder acht Quadratmetern: ein Tisch, ein Stuhl, eine abgelegte Lesebrille, drei Fotos, ein Stapel leerer CD-Hüllen, eine halb ausgetrunkene und eingedrückte Flasche Mineralwasser. Ich rückte die Lampe in die Mitte des Tisches. Dabei schwappte etwas Petroleum über meine Fingerspitzen. Der Verschluss fehlte. Es war warm und klebrig. Ich wischte es ab. Ina griff nach einer Blechkanne, in der noch Reste von Kaffee schwammen, sie füllte zwei Tassen, klopfte Trockenmilchpulver aus einer Dose, als wäre sie hier zuhause. Sie trank nur einen einzigen Schluck, bevor sie sich erschöpft in den Stuhl fallen ließ. «Und jetzt?», fragte ich. Sie sagte: «Ich weiß es nicht.» In einem aufgeschlagenen Buch hatte der Fährmann die Anzahl der Fahrgäste aufgelistet, in Spalten getrennt zwischen Autci, Motocykle und Bicykle, alles in Kurrentschrift, die zu lesen mir Mühe machte. An manchen Wintertagen setzten nur vier oder fünf Personen über die March, aber wegen des Hochwassers war er jetzt schon seit fünf Tagen ohne Fuhre gewesen.“
Uit: ‘Ha, daar ben ik...’ (over Annie M.G. Schmidt)
“Bij herlezing van die Impressies heb ik ook de zin teruggevonden, die destijds, in 1948 of 1949, diepe indruk op me gemaakt heeft. Zeer diepe indruk, mag ik wel zeggen, en ik weet nog steeds niet waarom. Dat stukje heet ‘De psychologie van het damestoilet’. Annie vertelt in dat stuk dat een vrouw die in een café in een moeilijk gesprek gewikkeld is, in het damestoilet een rustpunt vindt, een ‘retirade pour mieux sauter’. ‘Even voor de spiegel staan en zachtjes zeggen: Ha, daar ben ik, dag meid, wees niet te voortvarend!’ Ik weet nog hoe diep ik onder de indruk was van dat ‘ha, daar ben ik, dag meid’. Een stuk van mijn wereldbeschouwing stortte in elkaar. Ik kreeg het gevoel van iemand die op het punt staat zich af te vragen, waar precies zijn leven een verkeerde wending heeft genomen. Veertig jaar nadenken over de vraag waarom dat zinnetje mij zo aangreep, heeft mij geen stap dichter bij een antwoord gebracht. Zelf heb ik nooit ‘ha, daar ben ik’ gedacht als ik in de spiegel keek. Ik dacht en denk altijd: ‘Daar heb je die zak weer.’ Maar daar gaat het niet om. Nu we toch over oude tijden spreken: het is bekend dat je in de straten van Nederland een kanon kon afschieten als De familie Doorsnee werd uitgezonden. Of het waar is van dat kanon weet ik niet, want niemand haalde het in zijn hoofd om bij de luidspreker weg te gaan en op straat te kijken. Van die serie herinner ik me, behalve de eerste regel van het beroemde lied ‘Ik ben Ali Cyaankali’ een scène waarin de familie Doorsnee zich opmaakt om naar de schouwburg te gaan. Vader Doorsnee werd gespeeld door Cees (spreek uit: Sees) Laseur. En toevallig blijkt dat een zekere Cees Laseur meespeelt in het stuk dat de familie wil gaan zien. Vader Doorsnee heeft niet zoveel zin. Hij moppert: ‘Cees. Cees. Wie heet er nou Cees.’ Dat is een heel eenvoudige vondst. Maar ik ben hem in de wereldliteratuur nergens anders tegengekomen.”
Karel van het Reve (19 mei 1921 – 4 maart 1999) Cover
“Hij rilde, het leek wel of hij een kater had, de hele nacht had doorgehaald en eigenlijk was dat ook het geval, zij het onvrijwillig. De whisky’s in de hotelbar waren na de vermoeiende reis per vliegtuig en trein niet goed gevallen, het vette ontbijt en de slappe koffie deden de rest. Medepassagiers beklommen de trap vanaf het autodek, sommigen bleven even naast hem aan de reling staan, nu en dan klonk een korte groet, iemand stak een hand op naar een bekende of leverde commentaar op de onhandige verrichtingen van een bestuurder. Maar al gauw zochten ze een heenkomen in het passagiersverblijf waar koffie werd geschonken en op dit uur zelfs al bier, het stond er blauw van de sigarettenrook. Om vijf voor acht klonk een korte stoot op de scheepshoorn ten teken dat de loopplank en de laadklep zouden worden opgehaald, wie nog van boord wilde moest snel zijn. Aan de overkant van het emplacement dat aan de kade grensde vertrok de trein naar Glasgow, dezelfde die hem gisteravond hier had gebracht. De meeste passagiers kwamen per trein, bezoekers die met de auto kwamen lieten hem vaak aan de kade staan omdat de overtocht kostbaar was en de gebruiksmogelijkheden op de eilanden beperkt. Het waren vooral eilandbewoners zoals hij die met de auto naar het vasteland gingen. Op de terugweg namen zij ladingen goedkope drank en levensmiddelen mee om de kosten van de oversteek te compenseren. Deze keer was hij aan inkopen niet toegekomen. Acht uur. Er kwamen oranje strepen in de lucht, verkleurend naar geel en grijzig blauw; het felle geel, groen, rood en blauw van vissersboten kwam uit de schaduwen naar voren, er was kabaal van meeuwen bij de visafslag. Tussen de schepen trokken zeehonden, op zoek naar afval, V-vormige sporen in het water. De zware trossen van de veerboot werden gelicht en met lieren aan boord gehesen, de watergleuf tussen kade en scheepswand werd langzaam breder, terwijl er een rilling door de stalen romp ging en rook uit de schoorsteen spoot.“
“Crazy. Filled with a righteous fury, Mariah slips an arm around her daughter. “Why would they say that?” Faith hunches her shoulders. “Because they heard me talk to… her.” Mariah closes her eyes and makes a silent appeal— to whom?— to solve this, and fast. She pulls Faith upright and holds her mittened hand, tugging her out of the main office. “You know what? Maybe you can stay home from school, just for tomorrow. We can do things, you and me, all day.” Faith turns her face up to her mother’s. “For real?” Mariah nods. “I used to take special holidays sometimes with Grandma.” Her jaw tightens as she remembers what her mother had called it: a mental health day. They drive through the winding roads of New Canaan, Faith slowly beginning, in bits and pieces, to relay the school day to Mariah. At the turn to their driveway, Mariah rolls down the window and picks up the mail, marking the number of parked cars lining the road. Hikers, or birdwatchers, probably; taking to the field across the road. They get that up here quite often. She continues to drive and then she sees the crowd that surrounds the house. There are vans, and cars, and for God’s sake, a big painted Winnebago. “Wow,” Faith breathes. “What’s going on?” “I don’t know,” Mariah says tightly. She turns off the ignition and steps from the car into a throng of nearly twenty people. Immediately cameras begin flashing, and questions are hurled at her like javelins. Is your daughter in the car? Is God with her? Do you see God too? When Faith’s door cracks open, the questions stop. Mariah watches her daughter get out of the car and stand nervously on the slate path that leads up to the house. Lining it are a dozen men and women in caftans, who bow their heads as Faith looks at them. Standing behind, and slightly apart, is a man smoking a thin cigar. The face seems familiar to Mariah; with a start she realizes that she’s seen him on TV— Ian Fletcher himself is leaning against her crabapple tree. “
IK ZAT TUSSEN DE JASSEN MET EEN OLIEBOL IN MIJN HAND EN LEERDE IN STILTE MIJN VETERS STRIKKEN SINAASAPPELS MET KRUIDNAGELS EN ROOD LINT HINGEN AAN HET PLAFOND ALS DOORBOORDE VOODOOPOPPEN ZO HERINNER IK ME DE KLEUTERSCHOOL DE ANDEREN VERHEUGDEN ZICH OP DE KOMST VAN DE KERSTMAN MAAR IK WAS NET ZO BANG VOOR HEM ALS IK WAS VOOR MIJN VADER
“Typewriters and computers were not designed with steep mountain slopes in mind. On one occasion last autumn I did carry my typewriter into the garden, and I am still trying to extricate a couple of acorns from under the keys, while the roller seems permanently stained from some fine yellow pollen dust from the deodar trees. But armed with pencils and paper, I can lie on the grass and write for hours. Provided there are a couple of cheese-and-tomato sandwiches within easy reach.” (…)
“Our insect musicians are roused to their greatest activity during the monsoons. At dusk the air seems to tinkle and murmur to their music. To the shrilling of the grasshoppers is added the staccato notes of the crickets, while in the grass and on the trees myriads of lesser artistes are producing a variety of sounds. As musicians, the cicadas are in a class of their own. Throughout the monsoons their screaming chorus rings through the forest. A shower, far from dampening their ardour, only rouses them to a deafening crescendo of effort. As with most insect musicians, the males do the performing, the females remain silent. This moved one chauvinistic Greek poet to exclaim: ‘Happy the cicadas, for they have voiceless wives!’ To which I would respond by saying, ‘Pity the female cicadas, for they have singing husbands!’ Probably the most familiar and homely of insect singers are the crickets. I won’t attempt to go into detail on how the cricket produces its music, except to say that its louder notes are produced by a rapid vibration of the wings, the right wing usually working over the left, the edge of one acting on the file of the other to produce a shrill, long-sustained note, like a violinist gone mad. Cicadas, on the other hand, use their abdominal muscles to produce their sound.”
„Er greift nach dem Buch auf dem Nachttisch, richtet den Kegel der Leselampe auf die aufgeschlagene Seite. Die Bremer Stadtmusikanten liest er und versucht, seiner Stimme die alte Festigkeit zu geben. Hat er nicht früher einmal als Kabinendolmetscher gearbeitet, in Caracas, Paris, Moskau? Die Bremer Stadtmusikanten, wiederholt er. Fabius ist ganz Ohr. Mit seinen fünf Jahren ist er ein von Vorurteilen, Schulstoff oder Fernsehen unverdorbener Zuhörer. Etwas Besseres als den Tod findest du überall. Der Alte prüft seine Brillengläser. Doch, der Satz steht da. Esel, Hund, Katze und Hahn gehen auf die Wanderschaft, als keiner mehr ihre Dienste haben will. Fabius beobachtet weiter die sich balgenden Fliegen, die nun von Esel, Hund, Katze und Hahn verfolgt werden. Das Telefon - einer von den im Haus verteilten Apparaten - klingelt ein zweites Mal, bevor die Tiere die Diebe zur Strecke gebracht haben und es sich gut sein lassen am Ende ihrer Tage. Telefon!, ruft Kathleen schon an der Tür, ungehalten, in Eile immer, mit leisem Vorwurf in der Stimme, dass der Alte von Tag zu Tag schlechter hört. Fabius, mein Herr, sagt sie, ab in die Falle! Es hilft kein Murren, sie hat das Sagen. Der Großvater reicht ihm die Hand, männlich ritterlich; einen Kuss geben sie sich nur, wenn keiner zusieht. Gute Nacht, murmelt das Kind mit abgewandtem Blick.“
Fritz Rudolf Fries (19 mei 1935 – 17 december 2014)
Wanneer ik in de trein zit dan denk ik aan een denkbeeldig vierkante huls om de trein heen, één waarbuiten de trein nooit schudden kan, dat stelt mij gerust.
Soms als ik de airco in de taxi voel, dan denk ik aan alle bacteriën, de ruimte in geblazen. Dan denk ik, het kan nooit erger zijn dan wat roken met mijn longen doet.
Ik denk aan doodgaan, aan dat je dan niet meer uitademt maar de aarde voelt, die je longen naar haar toe trekt, dat stelt mij gerust.
Wanneer ik in de bus zit en de aanwezigheid van alle aanwezigen voel, denk ik aan de crash die we zouden kunnen hebben, Hoe onze lichamen tegen de ruiten zouden slaan.
Ik denk aan hoeveel passen ik moet zetten om in welke kamer dan ook, bij de uitgang te zijn, ik tel 33, 9, 21.
het zijn de coördinaten van een huls lucht waar ik heb gestaan, die nu de klap opvangt. Dit stelt mij gerust.
Tags:Constantin Göttfert, Karel van het Reve, Gijs IJlander, Thera Coppens, Jodi Picoult, Yahya Hassan, Ruskin Bond, Fritz Rudolf Fries, Luuk Wojcik, Romenu
De Nederlandse dichter Henricus Wijbrandus Jacobus Maria Keulswerd geboren in Obdam 19 op 19 mei1883. Keuls studeerde rechten en werd advocaat in Amsterdam. Van 1925 tot 1948 was hij directeur van het Bureau voor Muziek en Auteursrechten van de Vereniging van Letterkundigen. Voor het Algemeen Handelsblad schreef hij kritieken over muziek en toneel. Keuls debuteerde met poëzie in 1910 in het tijdschrift De Gids. Hij behoort met zijn poëzie tot de generatie waartoe ook Bloem, Greshoff, Roland Holst en Van Eyck behoren. Hij schreef elegische poëzie met een voorkeur voor traditionele vormen zoals rondelen en kwatrijnen. Zijn gedichten zijn doortrokken van een sterk besef van religieuze levenszin. In 1920 verscheen een eerste bundeling met “In den stroom”, gevolgd door “Om de stilte” (1924) en “De dansende lamp” (1935). Aanvankelijk was er weinig weerklank voor zijn poëzie, maar met het verschijnen van zijn “Verzamelde gedichten” (4 dln, 1947-1949) begon de waardering toe te nemen en groeide zijn bekendheid als dichter. In 1948 kreeg hij de Tollensprijs voor zijn gehele oeuvre en vervolgens werd hem de P.C. Hooftprijs 1961 toegekend. Keuls verzorgde een aantal vertalingen, onder meer van Omar Khayyams “Kwatrijnen” (1944), Dante's “Het nieuwe leven” (1951), Pirandello's “Hendrik IV” (1956) en T.S. Eliots “Een staatsman van verdienste’ (1957) en “De familiereünie” (1957). Voor zijn Dantevertaling kreeg hij in 1957 de Martinus Nijhoffprijs.
Ik heb een wijkplaats….
Ik heb een wijkplaats in uw hart gevonden, Daar weet ik mij beveiligd en bevrijd, En voel ik nog de pijn van oude wonden Dan druppelt troost van uw aanwezigheid.
Het schijnt bepaald dat wegen elkaar kruisen En de aarde elken dag opnieuw begint; Uw stem voert mij naar ’t onweerstaanbaar ruisen Van hoge bomen in een zoele wind.
Gij hebt een macht de wereld te doorstralen En ’t is of ik betreed een jong gebied, Waarin ik hoor de bloemen ademhalen En gij mij nadert als een levend lied.
En toen zij zaten naast elkaar
En toen zij zaten naast elkaar En wisten: ’t was de laatste maal, Vond hunne liefde geen gebaar Meer, en hun teederheid geen taal. En in de stilte tusschen hen Scheen, saam met een verloren woord, ’t Geluk nu weg te zinken en Al wat hun eens had toebehoord. Daar was niet meer van hart tot hart Dan een zacht smachten, treurnis om Vergaan, en een zich half-verstard Verzetten hulpeloos en stom. Zoo is de eenzaamheid van twee, Die samenzijn een laatste maal, En wachten stil, dat zonder vreê Over hun smart de avond daal’; En ’t is, of in hun wachten weent Een eindlooze verlatenheid, Of in hun droef’nis zich vereent Al wat op aard’ zijn lot beschreit. Het donker nam de dingen in, Zij zwijgend zijn uiteengegaan; Als eeuwig leed had elk den zin Des levens in zijn hart verstaan.
H.W.J.M. Keuls (19 mei 1883 – 28 oktober 1968) Portret door Conrad Kickert, z.j.
De Nederlandse schrijfster en columniste Simone van Saarlooswerd geboren in Summit, New Jersey op 19 mei 1990 als dochter van een classica en een natuurkundige. Zij groeide op in Nederland. Ze doorliep enkele middelbare scholen (Haags Montessori Lyceum en Winter's Mill High School in Maryland). Van Saarloos studeerde vervolgens filosofie en literatuurwetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam en de New School in New York. Zij speelde Rugby Sevens in Leiden en in het Nederlands damesrugbyteam. Na haar afstuderen in 2013 werd ze columnist bij nrc.next.Ze schreef literaire kritieken en interviews voor De Volkskrant en publiceerde essays, opiniestukken en fictie in “De Revisor”, “Das Magazin”, “Tirade” en het Amerikaanse tijdschrift “12th Street”. Ook presenteerde ze in het Amsterdams academisch-cultureel centrum SPUI25 samen met auteur Niña Weijers van oktober 2013 tot voorjaar 2014 enkele malen een maandelijkse talkshow, Weijers & Van Saarloos, de seksistische talkshow, met vrouwelijke gasten uit de kunst, cultuur, wetenschap en journalistiek, eerst op de zaal aan het Spui, nadien in de Club Odeon. Van Saarloos was op 9 augustus 2015 de jongste Zomergast ooit.
Uit: Ook het niet-authentieke is echt (Column)
“We gingen liggend eten. Gewoon in Amsterdam, maar het restaurant waar ik was beland had een parenclub meets duizend-en-een-nacht interieur: een groot rond bed diende als tafel en zitplaats ineen, de mezzes – ‘Arabische tapas’ – werden geserveerd op schalen. Een man kreeg een hoofdmassage, een stel lag verstrengeld lurkend aan shisha. Het rook naar verbrand hout en het was bloedheet. Toen we zwetend vroegen of het niet wat koeler kon, verklaarde de ober (in harembroek, met een Limburgs accent) dat de temperatuur en de geur automatisch werden gereguleerd – er was geen echt vuur. Tussen de mezzes lagen ook falafelballen. Ik hapte en proefde speculaaskruiden uit een pakje. Er zat geen enkele kikkererwt in verwerkt, maar ik had wel degelijk iets in mijn mond. Het is soms moeilijk te bevatten dat ook het niet-authentieke echt is. Aan ons voeteneind verscheen een half ontklede vrouw. Ze schudde met de spiegeltjes rond haar middel, golfde haar buik. Even daarvoor was ze een vrouw die voor de deur een sigaretje stond te roken, nu hupte ze met haar billen. Ze was een echte buikdanseres. Ze was althans echt mens. Activiste Rachel Dolezal nepte de wereld door te zeggen dat ze zwart was. De Amerikaanse loog over haar achtergrond, zat veel in de zon of gebruikte bronzeer spray en kroeste haar voormalig blonde haren. Haar ouders ‘outen’ haar als ‘kaukasisch’. In een interview met NBC News verklaart Dolezal dat ze zich altijd zwart heeft gevoeld. Ze herkent zich in het verhaal van transgenders. In het nieuwe seizoen van de populaire gevangenisserie Orange is the New Black beweren enkele vrouwen dat ze joods zijn, zodat ze koosjere maaltijden geserveerd krijgen. Die zijn namelijk smakelijker. Omdat ze vrezen dat de directie hen zal ‘testen’, kijken ze naar een film van Woody Allen. De andere gevangenen vinden dit oneerlijk. Niet omdat iemand de ‘joodse identiteit’ wil beschermen, maar omdat ze een voordeel genieten van hun leugen. Er wordt niet gediscussieerd over wat echt is, maar over het effect van de realiteit die wordt gepresenteerd."
“In September last year, during a two-week holiday on the island of Corsica, I took a blue bus one day down the west coast to Ajaccio to spend a little time looking around the town, of which I knew nothing except that it was the birthplace of the Emperor Napoleon. It was a beautiful, sunlit day, the branches of the palms in the Place Maréchal-Foch moved gently in a breeze coming in off the sea, a snow-white cruise ship lay in the harbor like a great iceberg, and I wandered through the streets feeling carefree and at ease, now and then going into one of the dark, tunnel-like entrances of buildings to read the names of their unknown inhabitants on the metal letter boxes with a certain rapt attention, trying to imagine what it would be like to live in one of these stone citadels, occupied to my life’s end solely with the study of time past and passing. But since we can none of us really live entirely withdrawn into ourselves, and must all have some more or less significant design in view, my wishful thinking about a few last years with no duties of any kind soon gave way to a need to fill the present afternoon somehow, and so I found myself, hardly knowing how I came there, in the entrance hall of the Musée Fesch, with notebook and pencil and a ticket in my hand. Joseph Fesch, as I later read on looking him up in my old Guide Bleu, was the son of the late second marriage of Letizia Bonaparte’s mother to a Swiss military officer in Genoese service, and was thus Napoleon’s step-uncle. At the beginning of his career in the church he held a minor ecclesiastical position in Ajaccio. After his nephew had appointed him archbishop of Lyon and envoy to the Holy See, however, he became one of the most insatiable art collectors of his day, a time when the market was positively flooded with paintings and artifacts taken from churches, monasteries, and palaces during the French Revolution, bought from émigrés, and looted in the plundering of Dutch and Italian cities.”
Uit:An Anonymous Island (Vertaald door Heinz Insu Fenkl)
“Tsk-tsk.” It’s the end of a long evening, and my husband clicks his tongue at the TV as if he were watching something despicable. On the screen there’s a group of men and women hunched in the corner of a police-station waiting room. The camera catches them from various angles, hiding their faces with their hands or with some article of clothing. I think they might have been arrested for gambling, but it seems they were dragged out in broad daylight from some dimly lit secret basement club where they were dancing. The announcer doesn’t say they were dancing—he uses a more suggestive phrase: “They were rubbing their bodies together.” “What the hell is the matter with our generation?” my husband complains. “How did it get so easy to be anonymous?” I’ve heard the same thing from him many times, and I can guess where he’s headed before he has even finished: Get off the bus one stop past your neighborhood in the city and you hardly recognize anyone. It’s so easy to hide these days—there must be huge numbers of people living anonymously. It’s the moral failing of our generation, a major factor in the corruption of women’s sexuality. He pushes on like that and eventually gets around to how much he misses his childhood home, a rural village with only one clan. “We all knew each other,” he’ll say nostalgically. “It was like looking down into the water at your own reflection. . . . Most of the people were blood relations, so it was practically unthinkable for a woman to be unfaithful. Once in a while someone went off to a nearby village for that sort of thing, but sooner or later it was found out. Whenever my husband goes on like this, it makes a repugnant memory resurface in my mind and I feel sorry for him. Maybe I should feel some shame for myself, too, but it’s something that happened ten long years ago.”
« Fargeau, pour n'être pas pris à partie (et au risque de l'être davantage), a déclaré qu'il était médecin. Peut-être même a-t-il marmonné le mot « urgence ». On a haussé les épaules et jeté des coups d'oeil sur le caducée collé au pare-brise. Il s'est redressé, a fait deux pas et rangé la voiture un peu plus loin, sous les regards. Allait-il fuir ? Un toubib ! On ne sait jamais. On soutenait la victime. Une Viet, évidemment... Un commerçant a traversé le parfum chaud de poulets en train de griller à la broche et il a distribué les rôles :— C'est le docteur installé plus loin sur le même trottoir, ma mère le connaît. Elle, la petite vieille, c'est la congaï de la rue Daumier... Maintenant, Fargeau aide « la petite vieille » à monter deux étages d'un escalier de ciment gris. Elle n'a toujours pas ouvert la bouche et c'est par gestes qu'elle l'a guidé jusqu'à sa maison, à deux minutes du lieu de l'accident. Elle a ri, les yeux fermés, quand quelqu'un a parlé d'appeler le Samu, d'un drôle de rire édenté, noirâtre. Sa clé, accrochée par une ficelle autour de son cou, est enfoncée dans une poche invisible. Ouverte, la porte révèle une seule pièce, trois mètres sur quatre, dont un lit mange le tiers, les murs couverts de penderies en plastique, de rayonnages et de rideaux, partout, qui cachent des choses.— Je suis la veuve Alessandri, dit-elle d'une voix de crécelle jaune, et elle tend le doigt. Elle désigne une vingtaine de photographies encadrées sur un rayon : on y voit un beau brun des années cinquante en kaki, torse nu, en képi blanc, en chapeau de brousse, en short, en tenue léopard, cigarette à la bouche, rieur, avantageux, immortel.— Adjudant-chef Alessandri, dit-elle.Elle se tient comme au garde-à-vous, immobile, minuscule, ensachée dans des couches de vêtements indéfinissables. Elle paraît cent ans. La chambre est sombre, d'une propreté parfaite sur laquelle flotte un parfum vaguement salé. Ses yeux s'habituant à la pénombre, Fargeau devine des objets militaires, une croix de guerre, un bout de ruban tricolore, du crêpe noir, une bougie éteinte, une cigale provençale, un râtelier de pipes, et partout de la pacotille multicolore, des chinoiseries. »
François Nourissier (18 mei 1927 – 15 februari 2011) In 1994
“For the time being his body was laid on a flat boulder in the shelter of a shallow cave in the cliffside nearby—later they would bring a sledge to fetch him into the village. For a long time little Snjolfur stood by old Snjolfur and stroked his white hair; he murmured something as he did it, but no one heard what he said. But he did not cry and he showed no dismay. The men with the snow- shovels agreed that he was a strange lad, with not a tear for his father’s death, and they were half-inclined to dislike him for it.— He’s a hard one! they said, but not in admiration.—You can carry things too far. It was perhaps because of this that no one paid any further attention to little Snjolfur. When the rescue-party and the people who had come out of mere curiosity made their way back for a bite of breakfast and a sledge for the body, the boy was left alone on the Point. The snow-slip had shifted the cabin and it was all twisted and smashed; posts missing their laths stuck up out of the snow, tools and household gear were visible here and there—when he laid hold of them, they were as if bonded the snow. Snjolfur wandered down to the shore with the idea of seeing what had become of the boat. When he saw with what cold glee the waves were playing with its shattered fragments amongst the lumpy masses of snow below highwatermark, his frown deepened, but he did not say anything.”
Gunnar Gunnarsson (18 mei 1889 – 21 november 1975) Skriðuklaustur – het voormalige huis van Gunnar Gunnarsson, nu museum
De Perzische dichter Omar Khayyám, of zoals zijn arabische naam luidt, al-Imâm Abu Hafs 'Omar ebn Ebrâhim al-Khayyâmi, werd geboren op 18 mei 1048 te Nishapur. Zie ook alle tags voor Omar Khayyám op dit blog.
Kwatrijnen
O, wilde God zóó onze wegen leiden, Dat wij op één plek rustten met ons beiden, Om ons na honderdduizend jaren weer Opnieuw te scheppen als de lenteweiden.
Behaalt gij roem, gij zult eerzuchtig heeten. Stil werkt ge? als woeler wordt gij uitgekreten. Wie gij ook zijt, en wat gij doet, dit ’s ’t beste: Gij kent geen mensch, en elk heeft u vergeten.
Werd mij dit toegestaan te zijn ontwrongen Aan wereld en dit lot, mij opgedrongen. O, was ik nooit ontstaan, nooit hier geweest, Dan werd ik nimmer tot vertrek gedwongen.
Geen middel baat, niets brengt me U naderbij, Niets rekt den afstand tusschen U en mij. Me ontbreekt de moed ziels nooden uit te staamlen. O wondre smart, o zoet leed, dat ik lij’.
Vertaald door Willem de Mérode
Omar Khayyam (18 mei 1048 - 4 december 1131) Debra Paget (Sharain) en Cornel Wilde (Khayyam) in de film “The Life, Loves and Adventures of Omar Khayyam” uit 1957
De Duitse dichter en schrijver Ernst Wiechert werd geboren op 18 mei 1887 in Kleinort bij Sensburg in Oostpruisen.(Tegenwoordig Polen). Zie ook alle tags voor Ernst Wiechert op dit blog.
Uit: Jahre und Zeiten. Erinnerungen14
“Der Roman hieß Der Buchenhügel, und er hatte ihn begonnen, als er Frenssens "Jörn Uhl" gelesen hatte. Es hatte ihm geschienen, als könnte dieses Buch viel besser geschrieben werden, und eben damit war er beschäftigt. Vierzig Jahre später nun, um die gleiche Zeit und die gleiche Stunde, sitze ich auf der Altane über dem Garten und beginne, an diesen Blättern zu schreiben. Die Sonne geht gerade auf und wirft ein rötliches Licht auf die Zweige der Apfelbäume, die über das Geländer hängen und mit einer verwirrenden Fülle von Blüten überschüttet sind. Der Kuckuck ruft wie damals aus dem nahen Walde, und das Gebirge liegt blau und großartig am Saume der schweigenden Welt. Die heilige Frühe steht über der Erde wie damals, aber es sind keine Fischer da, die Reiher fliegen nicht nach einem großen Wasser, und auch der Unsterblichkeit ist der Schreibende nicht mehr ganz so gewiß. Ja, er denkt mit einem stillen Lächeln an dieses große Wort, und wenn er einen Blick auf das Manuskript jenes ersten Romans wirft, das neben ihm liegt, auf die große, deutliche, kindliche Handschrift eines schlafwandlerisch Beginnenden, und den Blick von dort zurückwendet auf die winzige, kaum leserliche Schrift dieser Blätter, die er nun beginnt, ermißt er schon daran, wie Jahre und Jahrzehnte dahingegangen sind. Die Zeit, die große schweigende Zeit, die über Handschrift und Pläne schweigend hingegangen ist. Das Wandelnde, das Verändernde, das still Begrabende und still wieder Aussäende. Und er streift mit der linken Hand leise über den Apfelblüten-Ast und meint, daß alles Notwendige wohl gut und in der guten Ordnung sei. Wozu schreibt einer sein Leben auf, wenn es nun langsam zur stillen Neige geht? Die Narren schreiben ihre Weisheit auf und die Weisen ihre Irrtümer.“
Ernst Wiechert (18 mei 1887 – 24 augustus 1950) In 1949
Op een namiddag was hij er opeens. Doodstil tussen de seringen en de aalbessenstruiken. Net als bij Dürer: oren langer dan het hoofd van onderen wit. Grote zachte ogen. Waarom zat hij daar zo stil tot beeld bevroren in het namiddaglicht? Had hij meer vertrouwen in ons dan in andere mensen? Wat had hij daar voor reden voor? Geroerd, bijna gevleid sloot ik de deur. Liep terug naar binnen. De volgende dag vond ik hem liggend in een eigenaardige houding, iets tussen slaap en embryo in, buiten voor de schuurdeur. Een paar druppels uit een waterkan zorgden ervoor dat hij een paar aarzelende stappen zette alsof hij niet langer vertrouwen had in de wereld en haar beelden. De volgende dag zag ik in dat hij blind moest zijn. Het was toen dat ik hem vond verdronken en slap als een vod vlak bij de botensteiger. Wat ik beschouwd had als volmaakte rust en vertrouwen was blindheid en niets anders. “De natuur is goed” staat er op bepaalde pakken. Van het merk Bregott. De natuur is goed. Hoe weten jullie dat margarinekooplui?
Vertaald door J. Bernlef
Roach
That was the same strange word that I searched for in a dream and was unable to find.
I awoke from a dream of a fish with red eyes
easy to catch with a piece of chewed bread on a crooked short nail. A roach, cause of death for Yvonne
Princess of Burgundy So much more indolent than the beautiful minnows, those dancers of the warm water near the shoreline.
Yes, this dream was full of beauty and dance. And no one in the whole world knew
Uit: Smilla's Sense of Snow (Vertaald door Tina Nunnally)
“We live in the White Palace. On a piece of donated land the Housing Authority has put up a row of prefabricated white concrete boxes, for which it received an award from the Association for the Beautification of the Capital. The whole thing, including the prize, makes a cheap and flimsy impression, but there's nothing trivial about the rent, which is so high that the only ones who can afford to live here are people like Juliane, whom the state is supporting; the mechanic, who had to take what he could get; and those living on the edge, like myself. So the nickname, the White Palace, is something of an insult to those of us who live here, but still basically appropriate. There are reasons for moving in and reasons for staying here. With time, the water has become important to me. The White Palace is located right on Copenhagen Harbor. This winter I have been able to watch the ice forming. In November the frost set in. I have respect for the Danish winter. The cold--not what is measured on a thermometer, but what you can actually feel--depends more on the strength of the wind and the relative humidity than on the actual temperature. I have been colder in Denmark than I ever was in Thule in Greenland. When the first clammy rain showers of November slap me in the face with a wet towel, I meet them with fur-lined capucines, black alpaca leggings, a long Scottish skirt, a sweater, and a cape of black Gore-Tex. Then the temperature starts to drop. At a certain point the surface of the sea reaches 29°F, and the first ice crystals form, a temporary membrane that the wind and waves break up into frazil ice. This is kneaded together into a soapy mash called grease ice and gradually forms free-floating plates, pancake ice, which, on a cold day at noon, on a Sunday, freezes into one solid sheet.“
“He stood and moved out into the sand and looked up at the sun. It was still high. He didn't know what time it must be. At home it would be one or two if the sun were that high. At home at one or two his mother would be putting away the lunch dishes and getting ready for her exercise class. No, that would have been yesterday. Today she would be going to see him. Today was Thursday and she al ways went to see him on Thursdays. Wednesday was the exercise class and Thursdays she went to see him. Hot little jets of hate worked into his thoughts, pushed once, moved back. If his mother hadn't begun to see him and forced the divorce, Brian wouldn't be here now. He shook his head. Had to stop that kind of thinking. The sun was still high and that meant that he had some time before darkness to find berries. He didn't want to be away from his — he almost thought of it as home — shelter when it came to be dark. He didn't want to be anywhere in the woods when it came to be dark. And he didn't want to get lost — which was a real problem. All he knew in the world was the lake in front of him and the hill at his back and the ridge — if he lost sight of them there was a really good chance that he would get turned around and not find his way back.So he had to look for berry bushes, but keep the lake or the rock ridge in sight at all times. He looked up the lake shore, to the north. For a good distance, perhaps two hundred yards, it was fairly clear. There were tall pines, the kind with no limbs until very close to the top, with a gentle breeze sighing in them, but not too much low brush. Two hundred yards up there seemed to be a belt of thick, lower brush starting — about ten or twelve feet high — and that formed a wall he could not see through. It seemed to go on around the lake, thick and lustily green, but he could not be sure.“
“-Y a pas à dire, on profite de ce repos-là, remarque Paradis. Cette ville qui s’ouvre devant nos pas est largement impressionnante. On prend contact avec la vie, la vie populeuse, la vie de l’arrière, la vie normale. Si souvent nous avons cru que, de là-bas, nous n’arriverions jamais jusqu’ici! On voit des messieurs, des dames, des couples encombrés d’enfants, des officiers anglais, des aviateurs reconnaissables de loin à leur élégance svelte et à leurs décorations, et des soldats qui promènent leurs habits grattés et leur peau frottée, l’unique bijou de leur plaque d’identité gravée scintillant au soleil sur leur capote, et se hasardent, avec soin, dans le beau décor nettoyé de tout cauchemar. Nous poussons des exclamations comme font ceux qui viennent de bien loin. -Tu parles d’une foule! s’émerveille Tirette. -Ah! c’est une riche ville! dit Blaire. Une ouvrière passe et nous regarde. Volpatte me donne un coup de coude, l’avale des yeux, le cou tendu, puis me montre plus loin deux autres femmes qui s’approchent; et, l’oeil luisant, il constate que la ville abonde en élément féminin: -Mon vieux, il y a d’la fesse! »
Henri Barbusse (17 mei 1873 –30 augustus 1936) Cover
“Zondag 4 juli 1915 10 uur ’s morgens. Schier elken dag wordt iets bij deze aanteekeningen gevoegd. Aan niemand is tot dusverre bekendgemaakt dat ze bestaan. Altijd wordt er gezegd: neen, op elke vraag, of ik iets neerschrijf. Neen, de lust ontbreekt en ik weet niets interessants. Nooit herlees ik iets, in allerhaast moet alles ergens weggestopt, zoo mogelijk onvindbaar wezen. Zal ik dit dagboek ooit weder ter hand kunnen nemen en uit al de losse bladen samenstellen en afschrijven kunnen? Zal het niet door den vijand, indien ontdekt, vernietigd worden. Zou ik er met de ballingschap in Duitsland en een natuurlijken dood van afkomen?” (…)
“Vrijdag 30 juli 1915: Toen ik heden aan een bezoeker vertelde, dat de soldaat, die hier was ingekwartierd geweest op zijn doorreis naar Berlijn was komen goeden dag zeggen, onderbrak hij mij met onverholen gisping in den toon: En ge hebt hem niet aan de deur gezet? Neen, antwoordde ik onverschrokken, ik heb hem goed onthaald. Ha! Zoo neem ik de vaderlandsliefde niet op, lomp te handelen, het individu verantwoordelijk te stellen voor de daden dergenen die de volkeren besturen en in het verderf jagen. En nog wat anders: indien ge niemand zijn meening vrij laat uitdrukken, al krenkt ze u, hoe kunt ge wetenschap der toestanden en menschenkennis opdoen? Met geen vijanden spreken willen, is u opzettelijk een blinddoek voor de oogen binden”.
Virginie Loveling (17 mei 1836 – 1 december 1923) Cover
Haven Het was heet, moeder droeg een brede sjaal over haar jas. Over de rafels en vlekken op de panden. ‘Ik ben een draak die kan vliegen,’ kraaide Harm, een oude sok om zijn hand. Moeder zette een hak op de koffer, haar rok trok op, het dik van het been begon te tonen. Ze likte met haar tongpunt haar kin, het kuiltje en haar ogen schoten heen en weer langs het volk dat in de haven de thuiskomst of het vertrek vierde, of het geluk dat er werk was ondanks de hitte.
Mischa Andriessen (Apeldoorn, 1970) Park Apeldoorn
Wenn`s Pfingsten regnet Oben aus dem Fahnenhaus Guckt das schwarze Wettermännchen raus, Spreizt die Beine und grinst uns an; Schäme dich, alter Wettermann! Am Ostersonntag, vor sieben Wochen, Hast du dem Fritze fest versprochen, Dass zu Pfingsten, im Monat Mai, Das allerschönste Wetter sei. Und nun regnets, liebe Not, Alle hellen Blüten tot, Sie liegen da wie nasser Schnee, Auf den Wegen steht See an See; Ja, wenn wir schon drinnen baden könnten, Wie die Spatzen oder die Enten! Wir dürfen aber garnicht raus, Sehn so mucksch wie Maulwürfe aus; Röch nicht der Kuchen so lecker her, Wüßt man gar nicht, dass Feiertag wär. Nicht mal die Pfingstkleider kriegt man an; Schäme dich, schwarzer Wettermann!
Paula Dehmel (31 december 1862 - 9 juli 1918) Nikolaikirche in Berlijn. Paula Dehmel werd geboren in Berlijn
Ik hou van pleintjes onder bladerdaken naamloos en driehoekig uit een straat geknipt je loopt er zo voorbij, alleen ik niet
altijd schemerig en louter bewoond door geesten en hun flessen in een walm van pis en slechte wijn
misschien zijn het wel wormgaten naar de hel en is dat wat me zo aantrekt: als toerist op doorreis
in het duister en dan gauw terug naar huis met toch onveranderlijk een diep verlangen naar deze pleintjes onder bladerdaken
waar nog altijd iets als uit een ander leven in verborgen kamers lijkt te wachten
of alleen de donkergroene schaduw ervan
Spoken van Rembrandt
Glans en daglicht langzaamaan geoxideerd tot avond met een ander, dieper perspectief in de alkoven thuis had men elkander lief en bij de hoeren werd het vlees geëerd
in gezelschap van het vroeg gestorven kind in ons ontwaken wij nog steeds om twaalf uur nu er op uit! het feest is slechts van korte duur! gelukkig kent onze kapitein de route blind
men hoort de lansen op de Kloveniersburgwal men ziet de vlammen op de toortsen trillen en kijk, daar is de Dam, het Damrak al
dan verstrakken wij weer wanneer in de prille zon de vensters hier opeens gaan zinderen en wij alleen nog leven in het oog van kinderen
Meine Klagen sollen lieblich wallen, Den Kristallen gleich im Frühlingsbache, Die mit Ache hüpfen auf am Strande, Wo vom Rande sich zwei Blumen neigen Und mit Schweigen sich im heiterblauen Spiegel schauen, aber, eingeladen Sich zu baden, scheu zurück sich biegen, Und sich schmiegen, alsob sie sich schämen; Doch mit Grämen trüben ihren hellen Blick die Wellen, die vorüber müßen, Schmerzlich grüßen sie im Weitereilen, Möchten weilen, müßen doch entjagen.
Meine Klagen sollen lieblich wanken, Wie die Ranken sich am Boden dehnen, Auf sich sehnen nach der Lebensflamme, Nach dem Stamme, der zum Himmel steiget, Der sich neiget, wenn ihn rühren linde Frühlingswinde, doch die stolzen Glieder Hebt er wieder, ohne sich der armen Zu erbarmen, die umsonst sich mühen Aufzublühen, jede Luft benützen, Falsche Stützen, die sie nur erheben, Um mit Beben fallen sie zu lassen Auf den nassen Grund, wo sie verzagen.
Meine Klagen sollen lieblich stöhnen Gleich den Tönen holder Nachtigallen, Die vor allen, Rose, dich zu lieben Sind getrieben, und die Blumenschaaren Nicht gewahren, die zu den Gesängen Rings sich drängen, doch nur dir zum Preise Tönt die Weise: Ros' im Brautgemache Wach', erwache! Tritt vom Duft der Träume In die Räume, daß die rauhe Erde Lieblich werde, daß des Todes Bleiche Schamroth weiche, wenn mit Brautgesange Dir die Wange röthet unser Schlagen.
Uit:Geharnischte Sonnette
XI. Vom Himmel laut ruft Nemesis Urania: Auf, denn heut soll die Löwenjagt beginnen; Das Frührot blutet! Auf, ihr Jägerinnen, Auf, erste Schützin meines Hains, Germania!
Auf, Russia! auf, Borussia!, auf Hispania! Doch nein, euch ruf ich nicht, ihr steht schon drinnen; Du Austria, schau nicht müßig von den Zinnen! Was säumst du Suecia? was entweichst du Dania?
Auf, Jägerinnen, in vereintem Heere! Der Löw’, der meine Heerden frißt, soll bluten; Mischt euer Feldgeschrei, mischt eure Speere!
Fortgeißeln sollen heut ihn eure Ruten Vom festen Land, und will er fliehn zum Meere, So treff’ ihn Albions Dreizack aus den Fluten!
Friedrich Rückert (16 mei 1788 - 31 januari 1866) Erlangen: Het graf van Rückerts kinderen Ernst en Louise die op jonge leeftijd stierven aan roodvonk
Sonne glüht und Nächte schweigen, Aus den hellen Fenstern steigen Die Gespenster, Unzucht treibend In der Luft. Und die Stadt Verhüllt der Duft Ihrer Schnapsgesichter.
»Laßt uns durch die großen Hallen Der betörten Himmel wallen; Denn der Mond ist doch schon fern. Es verglomm der Grimm der Sterne. Ist es Funkel, ist es dunkel, Ist es Sang, Gebet, Gemunkel, Sind's Paläste oder Plunder? Schweigt, wir sind im Reich der Wunder.«
Hunderttausend Heere ziehen Durch die Wolkenplane. Hunderttausend Freunde fliehen Vor der Wolken Karawane. Ach, dem Denker wird es übel, Der das Heut' bedenken soll. Steckt ihn in den Wasserkübel. Er ist toll.
Die Wolken winden sich wie Leinentuch, Im Himmel spür' ich gräßliche Exzesse. Die Engel fürchten sich vor Gottes Fluch Und haben Zigaretten in der Fresse.
Denn Luzifer ist heute eingeladen Und geht mit einem sicherlich zu Bett. Durch sieben Himmel zieht in dicken Schwaden Dampf von Tabak und Armesünder-Fett.
Jakob van Hoddis (16 mei 1887 – mei/juni ? 1942) Portret in het archief van het Deutsche Historische Museum
"Are you crying, Ignacio? The memory of your mother makes you cry, doesn't it? But you never did anything for her. You always repaid us badly. Somehow your body got filled with evil instead of affection. And now you see? They've wounded it. What happened to your friends? They were all killed. Only they didn't have anybody. They might well have said: 'We have nobody to be concerned about.' But you, Ignacio?" At last, the town. He saw roofs shining in the moonlight. He felt his son's weight crushing him as the back of his knees buckled in a final effort. When he reached the first dwelling, he leaned against the wall by the sidewalk. He slipped the body off, dangling, as if it had been wrenched from him. With difficulty he unpried his son's fingers from around his neck. When he was free, he heard the dogs barking everywhere. "And you didn't hear them, Ignacio?" he said. "You didn't even help me listen."
Juan Rulfo (16 mei 1917 - 8 januari 1986) Borstbeeld in Mexico-Stad
And you'll have strengths enough To see and know again How all that was your love Will start to bring a pain. Your friend - without blame - Will come a werewolf once; You'll be by him defamed, By other ones - repulsed. They will start to seduce, And order, "Abrogate!" - Your heart will be reduced From fear and regret. And you'll have strengths enough To answer them again: "From all that was my life I never will abstain!" And you'll have strengths enough, Having recalled this rake, To all that you have loved To cry again: "Come back!"
Olga Berggolts (16 mei 1910 – 13 november 1975) Monument in in St Petersburg
Uit: Keine Zeit. 18 Versuche über die Beschleunigung
„Macht und Zeit hängen eng miteinander zusammen, nicht nur über die Vermittlung Geld. »Kein Zweifel: Es besteht ein geheimer Zusammenhang zwischen dem Maß der Güter und dem Maß des Lebens, will sagen, zwischen Geld und Zeit. Je nichtiger die Zeit eines Lebens erfüllt ist, desto brüchiger, vielgestaltiger, disparater sind seine Augenblicke, während die große Periode des Daseins den überlegenen Menschen bezeichnet.« Macht haben heißt über die Zeit anderer zu verfügen, bis hin zum geringsten Augenblick; doch wer ist es, der da verfügt? Das sagt der Stadtstreicher nicht, der die Verfügung spürt, und kann es wahrscheinlich auch nicht sagen. Andere können es an seiner Stelle, der Schriftsteller Florian Felix Weyh etwa, der sich eingehend mit den Techniken temporaler Machtausübung beschäftigt hat: »Auf jeden Menschen dieses Planeten wird täglich ein Vielfaches der verfügbaren Stundenzahl aufgehäuft, so dass jedermann zwischen parallelen Zeitvernichtungsfeldern wählen kann. Filme und Computer, Musikvideos und Radiosendungen, Gameboys und Werbung - alles zielt auf sein kurzes Leben.« »Zeitvernichtungsfelder« ist ein treffend gewählter Ausdruck. Interessanterweise vermehren sich diese Felder exponentiell zusammen mit eben den Rhetoriken, die die Zeit zu einem sich verknappenden Gut erklären: »Es gibt zu wenig Zeit in der Welt. Deshalb stellen wir sie selber her«, behauptete eine Bank in ihrer Werbung. Die Schluss folgerung drängt sich auf, dass der Eindruck der Zeitknappheit in dem Maß erzeugt wird, in dem Zahl und Ausmaße der angebotenen Zeitvernichtungsfelder zunehmen. Zeit erscheint dann besonders knapp, wenn man nicht genug davon auf einmal vernichten kann. Jedes neu hinzukommende Fernsehprogramm, jedes neue Magazin, jede neue Website vermehrt die Vernichtungsmöglichkeiten. Dafür aber, werden wir getröstet, nähmen auch die Informationsmöglichkeiten entsprechend zu.“
“Als ik nou doodga vlieg ik regelrecht naar God!” zei Rogier, op z’n rug drijvend. “Ik geloof niet dat het netjes is,” betoogde Angelo vroom, “zo in je blote speelgoedwinkel voor de Opperste te verschijnen. Ik zal je eventueel een bosje riet meegeven.” Doch Rogiers geloof ging veel dieper. “God vindt het enig me zonder kleren te zien,” zei hij. “Hij heeft de hele zaak zelf in elkaar gedraaid, moet je denken!”
Olaf J. de Landell (16 mei 1911 - 26 april 1989) Cover
Kijk, Lidewij ligt op het ijs en daar blijft ze ook daar denkt ze met haar gezicht tegen het ijs gedrukt dat het beter is om de hand van elke voorbijganger af te wijzen want hoe behulpzaam ook ze vindt het moeilijk te voorspellen waar de schaduw valt
ze ligt met haar gezicht op het ijs en kan de zon niet zien
die langsschuift, over Lidewij en de andere dingen
ze ligt midden op het ijs en drukt haar eigen schaduw plat ze denkt nog steeds aan behulpzaam uitgestrekte handen en hoe, als ze zo’n hand vast zou pakken de huidplooien over elkaar heen zouden schuiven als deeg dat ondragelijk zoet en warm over zijn vorm heen rijst
“Agnes zat op de landbouwschool. In het fijne gezicht glom een paar heldere ogen. Het donkere haar droeg ze meestal in een hoge staart. Zij was mooi ondanks de boerse eenvoud. Ik begreep niet hoe zij de dochter kon zijn van een vent als Wyss. Het was beslist de moeder geweest die het uiterlijk vererfd had. Je zou denken dat Wyss een rits boerenjongens zou produceren, maar Agnes had alleen een zusje. Het zusje was het tegendeel van Agnes, een moeilijk, opstandig ding. Wyss’ zware stem klonk gedempt. Agnes schoof de grote deuren open. De boer kwam met een beest aanzetten. Mijn handen werden vuisten in mijn broekzakken. Ik had een afkeer van de vent. Hij was pafferig, dikhuidig. Er groeide haar uit zijn neus en oren. Hij kwam uit een geslacht van veehandelaars‚ maar was zelf bioboer. Hij deed dat niet uit roeping, louter om het geld. In zijn velden zag hij geen schoonheid. Alleen de omzet deed hem iets. Hij pachtte ook; de meeste hectaren kreeg hij van Moser. Akkers die ik de vorige zomer nog had gerooid, werden nu bevolkt door het handjevol Polen en Roemenen dat Wyss in seizoendienst had. Het beest dat hij aan de hand meevoerde, leek in de basislijnen op een paard. Het had een enorme kop. De staart was kort, afgebeten. Rond de neusgaten dampte de adem. Het stond stil en verkrampt tegelijk. Ze hadden het zeker een middeltje gegeven.”