Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
02-02-2016
Willem van Zadelhoff
De Nederlandse dichter en schrijver Willem van Zadelhoff werd geboren in Arnhem op februari 1958. Van Zadelhoff volgde de docentenopleiding van de Arnhemse Toneelschool, waar hij in 1982 afstudeerde. Hij werkte vervolgens onder meer in een galerie, in het theater en als tekstschrijver voor televisie. Hij debuteerde met de roman “Een stoel” in 2003. Met “Holle haven” (2006) haalde hij de longlist van de Libris literatuurprijs 2007. “Ga niet weg is verschenen in de herfst van 2010. Voor zijn dichtbundel “Tijd en landen” werd hem de Herman de Coninckprijs 2009 voor het beste poëziedebuut toegekend. Van Zadelhoff woont afwisselend in Antwerpen en Amsterdam. Voor het Vlaamse dagblad De Standaard was hij recensent Duitse literatuur.
Tussen taal en teken
9 nu is de cirkel rond traag tekent het potlood haar schouder langzaam ontstaat een herinnering op papier een beeld van lang geleden waarvoor geen woorden beschikbaar waren dat soort drogredenen
ook is nu wat was niet langer meer excuus ik lees haar ik volg de lijnen van haar mond met mijn vinger teken ik figuren in de lucht ik kleed haar omgeving in zacht oranje licht
ik trakteer mezelf op verleden ik beuk de waarheid op papier straks ga ik bloemen strooien op haar graf luisteren naar dat oorverdovend zwijgen dat stem gaf aan dat toch nog onverwacht verleden
Brommertje Het begon langzaam. Iedereen keek gespannen hoe de eerste stralen het gras streelden. De dag verhief zich, zonder haast. Een pastoraal brommertje doorkruiste de stilte. Zonder dat brommertje wisten wij niet hoe stil onze stilte was. En het bracht brood en kaas. Niet iedereen reed op het brommertje. Iedere keer genoot ik weer van het geluid van zijn motortje. Daar had ik genoeg aan. Gisteren hadden we geen brood en kaas nodig. We beseften niet hoe stil het was toen we de zon zagen opkomen. Het was geen dag als alle anderen. Het was zondag.
Presentatie in de tempel door Jan van Scorel, ca 1530
Lichtmess
Der Tag weht grau herauf. Der Schnee vor meinem Fenster liegt meterhoch zuhauf.
Und heute wird es wieder schnein, und frieren tut es Stein und Bein — Ich steh gleich gar nicht auf.
Was braut im nahen Tann? Es will ein Licht sich rühren, daß man es spüren kann. Es wächst der Tag, so kindeljung, schon gar um einen Hirschensprung — Ich zieh mich hurtig an.
Will schauen, wie ichs mach. Zu Lichtmeß Schnee und Finster, das ist die rechte Sach. Heraus den Schlitten — Jörg, spann ein, die Wachsstöck leg mir hinterdrein, fein unters Wagendach.
Und der da ist der größt. Und gegen Blitz und Hagel entzündt, das allerbest. Mit dem geh ich ums Immenhaus, und der treibt Sucht und Fieber aus — So bin ich wohlgetröst.
In Gottes Namen denn! Du liebe Sonne, scheine, du gutes Lichtel, brenn! Steig an und geh mit mildem Schein ins Jahr, ins dunkle Herz hinein, daß ich das Heil erkenn.
Josef Weinheber (9 maart 1892 - 8 april 1945) Wenen. Josef Weinheber werd in Wenen geboren.
Das längst Gewohnte, das alltäglich Gleiche, Mein Auge adelt mirs zum Zauberreiche: Es singt der Sturm sein grollend‘ Lied für mich, Für mich erglüht die Rose, rauscht die Eiche. Die Sonne spielt auf goldnem Frauenhaar Für mich – und Mondlicht auf dem stillen Teiche. Die Seele les ich aus dem stummen Blick, Und zu mir spricht die Stirn, die schweigend bleiche. Zum Traume sag ich: »Bleib bei mir, sei wahr!« Und zu der Wirklichkeit: »Sei Traum, entweiche!« Das Wort, das Andern Scheidemünze ist, Mir ists der Bilderquell, der flimmernd reiche. Was ich erkenne, ist mein Eigentum, Und lieblich locket, was ich nicht erreiche. Der Rausch ist süß, den Geistertrank entflammt, Und süß ist die Erschlaffung auch, die weiche. So tiefe Welten tun sich oft mir auf, Daß ich drein glanzgeblendet, zögernd schleiche, Und einen goldnen Reigen schlingt um mich Das längst Gewohnte, das alltäglich Gleiche.
Frage
Merkst du denn nicht, wie meine Lippen beben? Kannst du nicht lesen diese bleichen Züge, Nicht fühlen, daß mein Lächeln Qual und Lüge, Wenn meine Blicke forschend dich umschweben?
Sehnst du dich nicht nach einem Hauch von Leben, Nach einem heißen Arm, dich fortzutragen Aus diesem Sumpf von öden, leeren Tagen, Um den die bleichen, irren Lichter weben?
So las ich falsch in deinem Aug, dem tiefen? Kein heimlich‘ Sehnen sah ich heiß dort funkeln? Es birgt zu deiner Seele keine Pforte
Dein feuchter Blick? Die Wünsche, die dort schliefen, Wie stille Rosen in der Flut, der dunkeln, Sind, wie dein Plaudern: seellos ... Worte, Worte?
»Sunt animae rerum« Thomas von Aquino
Ein gutes Wort mußt du im Herzen tragen, Und seinen Wert enthüllt dir eine Stunde: Stets dringt dein Aug nicht nach des Meeres Grunde, An trüben tiefer als an hellen Tagen.
Zuweilen gibt ein lichter Blick dir Kunde Von Herzen, die in toten Dingen schlagen, Und wenn du nur verstehest recht zu fragen, Erfährst du manches auch aus stummem Munde.
Drum flieh aus deinem Selbst, dem starren, kalten, Des Weltalls Seele dafür einzutauschen, Laß dir des Lebens wogende Gewalten,
Genuß und Qualen, durch die Seele rauschen, Und kannst du eine Melodie erlauschen, So strebe, ihren Nachhall festzuhalten!
Hugo von Hofmannsthal (1 februari 1874 – 15 juli 1929) In 1906
Hier lig ik weer, aan de rand van mezelf, dicht en dringend tegen je aan.
Ik ken je bressen als mijn broekzak, ik weet waar je linies liggen en waar ze lekken, ik weet wanneer je bodem brandt en hoe en waarom, ik ken het knielen, het breken, het scheuren, de scherven, de schoonheid zelfs van het er samen sterven, als oude vijanden, hand in hand.
Ik ken je land, liefste, ik heb het zo vaak ten voeten uit veroverd. En toch,
toch lig ik hier weer heen en weer aan de rand van mezelf, dicht en dringend tegen je aan.
Huwelijksaanzoek 4
Geef me je kruis en nagel me vast in jouw illusie van wat ik ben, nagel me diep in jou te pletter
tot ik voorgoed aan je hang als een verroeste held, stervend, levenslang.
Ik weet, het is niet alles maar dit niets draagt zo zwaar alleen.
Uit: The Old Mermaid (Vertaald door Brendan Riley)
“Coming down along one of these streets, the one that descends from the hill crowned by the exalted temple of Serapis, is a rider mounted on an ass whose height and lustrous coat reflect the quality of his personage: a mature man with a clear complexion, small shrewd eyes, and slender lips. From time to time, he checks the correct position of his black wig. One slave opens the way for his mount and another walks at his side, carrying his lord’s staff and sandals; three porters follow behind with bundles of goods acquired in the market. The rider’s smile indicates pleasant thoughts. Certainly, the words heard in the temple could not have been more promising, dispelling his fears that the new Father of the Mysteries might not grant him the same protection as his recently deceased predecessor. The priestly community thinks in the long term and has not altered its expected plans in defense of the divine interests; nor has it forgotten the services rendered by the rider ever since he was a young scribe in the temple. “Be patient, my son” the Father has said, “time labors for Heaven. The sacrilegious plundering of the lands of Tanuris, perpetrated by the emperor Caracalla forty-two years ago, will be corrected with your help. Serapis will recover that property and you will no longer be solely the majordomo of your impious patron, but the administrator for life of that estate in the name of the temple.” The rider will command in Tanuris. He will eventually build for himself, on the hilltop overlooking the canal, a tomb with a beautiful sarcophagus, one worthy of a scribe born of the priestly caste, where he will live on in the world of Osiris. His mind delights in contemplating the means necessary for hastening the recovery process, and he does not omit the possibilities of his daughter Yazila who, though barely ten years old, already promises to become a maiden of highly desirable charms. If he manages to get the young master to notice her…!“
José LuisSampredo (1 februari 1917 – 8 april 2013)
“Een jaar later, na haar dood, vond ik moeders agenda van het jaar '75. Ik bladerde erin en zocht naar die eerste zondag in mei. Daar stond genoteerd in haar duidelijk handschrift: 'Slechte nacht. Twee tabletten genomen. Veel pijn. Bijna de hele dag in bed. Alleen 's middags op, toen de kinderen er waren. Nog voorgelezen. Heb de r nu onder de knie. 's Avonds eenzaam. Alleen tv. Morgen massage, gelukkig.' Ik legde het in bruin imitatieleer gebonden boekje snel terug, maar met de voorzichtigheid van schaamte en respect.”
“Het had hem een kleine prestatiebeloning opgeleverd. Een half maandsalaris, een bonus van niks, maar het ging hem niet om het bedrag dat anoniem op een van zijn rekeningen was gestort, en dat hij nergens aan uitgaf, het ging erom dat ze hem van waarde achtten. Elk mens, ook hij, wil weten dat zijn bestaan zinnig is. En de komende dagen zou hij dat opnieuw bewijzen. Toen de scheepshoorn van de veerboot een lange stoot gaf stond hij op, stopte het dossier in zijn koffer en sloot hem af met het cijferslot waarvan hij elke week de code wijzigde. Hij deed de koffiebeker in een prullenbak en trok zijn jas aan, een wollen marineblauwe deckjacket die hij openliet. Het was nog warm genoeg. Ging tussen de andere passagiers staan op de verzamelplaats. Hij was groter dan zij , en opvallender vanwege de nette jas en zijn nette pantalon die er gesteven onderuit stak, maar niemand keek hem. aan en niemand vroeg hem wat. Ze observeerden hem alleen, zoals politieagenten hun verdachten observeren, schijnbaar achteloos, en wisten genoeg. Hij voelde hoe de veerboot tegen de meerpalen landde en even schudde als een dier dat heeft gezwommen, een beweging die vertraagd werd overgenomen door hemzelf en door de mensen om hem heen. De vrouw naast hem raakte kort zijn hand. Ze waren allemaal passagiers en het wachten voor de stalen deur die elk moment open zou gaan, hield ze bijeen. Daarna waren ze weer op zichzelf aangewezen. De man leunde kalm op het uitgeschoven handvat van zijn rolkoffer, een Rimowa, gemaakt in Duitsland van soepele kunststof golfplaat. Vijf jaar garantie, daar had hij hem op uitgezocht. De afgelopen vijfjaar had hij met zijn koffer een hoop meegemaakt, maar de Rimowa was net als hijzelf smetteloos gebleven. De stickers die ze erop plakten trok hij er na elke reis voorzichtig af; alleen toeristen laten die stickers zitten. Goedkope nagellakremover, dat werkte het beste, en daarna poetsen met afwasmiddel en een zachte doek.”
„Dezemberhimmel im Wintermärz 1987, dem kältesten seit mehreren Jahren, Jahrzehnten. Nach elf Tagen Frost wieder Schneefall: Aus gleichförmigem Grau wird unablässig Schnee herangeblasen, fast waagrecht wirbeln Flocken durch das Waldgrundstück am Hang, weißen Baum um Baum an der Südwestborke ein. Niemand könnte nun ans Eifelhaus heran fahren, ich werde eingeschneit. Schnee, Wind, Schnee und Wind. Die beiden Militärhubschrauber, die noch am Vortag das Gebiet akustisch weitflächig besetzten, sie werden nicht starten. Die Kampfjets, »Tornados« vor allem, werden nicht in Steinwurfhöhe über das Dach hinwegtosen, in der Tiefflugschneise. Es wird still bleiben, fast totenstill. Aber dann, die Schneeisolierung durchbrechend, ein Anruf aus Köln: Auflösung des Haushalts von Tante M., bitte kommen, die Bilder, das Silberbesteck abholen. Jähe Konfrontation mit Familiengeschichte. Jedoch mit einer Vorgeschichte. Anfang der achtziger Jahre fuhr ich mit meinem Vater nach Rheydt (heute eingemeindet von Mönchengladbach), und wir gingen zum Haus seiner Eltern. Eine früher repräsentative Villa der Gründerzeit, das Fassadendekor halb Klassizismus, halb Jugendstil. Dieses Haus war mittlerweile grüngrau und blind geworden, umgeben von Schutt und Müll. In den Tür und Fensteröffnungen Bretterverschläge, die aufklafften nach langer Einwirkung von Sonne und Regen; so war Einblick möglich ins Treppenhaus.“
Als een auto die lang in de regen gestaan heeft optrekt en wegrijdt, blijft waar hij stond achter een plek die zich van de rest van de straat onderscheidt, even nog, tot hij ook nat is en niet afzonderlijk meer bestaat.
Dat is wat blijft als je weggaat.
Leerling
Iedere ochtend gaat hij trouw naar school, door weer en wind, van kilometers ver - moe heeft z'n brood gesmeerd, hem uitgezwaaid -. Hij zet z'n fiets weg, en haast zich gedwee naar het lokaal. Gaat zitten. Dan 't gebed:
Dat ze vandaag maar weer kracht-van-omhoog ontvangen mogen en hun werk met ijver volbrengen. Amen. Dan begint de les.
Zo gaat dat alle dagen door. Hij leert en leert en leert en doet goed zijn best. En later zal hij veel verdienen en vanuit de hoogte neerzien op het ouderlijke nest.
Een goed huwelijk
Een goed huwelijk is meer dan alleen stil en ongedwongen alles voor elkander doen, zodat je op den duur elkanders beê voorkomt. Nee.
Af en toe moet je ook eens communiceren over de dingen waar het werkelijk op aan komt in dit bestaan: brood voor het hart, van mens tot mens
Spreken. Vraagt bijvoorbeeld de liefste naar de zin van dit haar leven, antwoord dan: 'Dat is een goeie vraag, m'n lief' - en zwijg.
Grootvader Dood, de oude wellusteling, de steeds kakelende kaalkop, vertelde onder de linde, op zondagavonden als de fanfare geweldig toeterend de zomer vierde aan zijn al haast gestorven kameraden, dat hij, verborgen achter luidruchtig bloeiende struiken, 't spel van de meisjes had bespied die op hun handen over de weide liepen, schaterend, bloot, en dan ineens met ingetogen ogen verbaasd rechtop stonden en de rok glad streken langs hun benen.
De moeders vreesden hem op vrijdagavond als zij met handen week van zeep hun kind streelden in 't bad. Het lieve lijfje werd in 't water zo gedwee. Maar als het rillend in de keuken stond droogden zij het met ruwe streken af, dachten bestraffend: Hoer, je giechelde toen je op je handen liep wetend hoe naakt je was en achter de struiken, plotseling maar verwacht, de glinsterende ogen zag van Grootvader Dood.
's Nachts echter droeg vaak een oude, kreupele boerin een slapend meisje naar een huis aan de rand van het dorp, klopte vluchtig, ging naar binnen, zei tot de bewoner die wakker werd in zijn muf bed: 'Grootvader Dood, zegen haar.' Hij, kaal, mager, groot, een man zonder blik of jaren, sloeg een kruis over haar schoot, sprak als de zomer, als een trompet, sprak: 'Zij zal baren.'
Alfred Kossmann(31 januari 1922 - 27 juni 1998) Leiden
“Dit is wat jij. Alide‚ ook weet. Ik was zestien jaar toen ik het blauwe paleis voor ’t eerst zag. Ik maakte met wat vrienden een reis naar deFranse Vogezen Op een avond ging ik alleen de berg af naar het dorp in het dal om een paar brieven te posten. Toen ik terugkeerde nam ik avontuurlijk een andere weg en verdwaalde. Halverwege de berg op kon ik niet verder. doordat de weg afzwenkte van de richting die ik zeker gaan moest. Ik besloot dwars door het struikgewas te gaan in de richting die ik de goede dacht en merkte toen dat ik toch bergafwaarts ging en kwam ten slotte in een dal terecht dat ik nog niet kende. Het was ondertussen donker geworden en ik keek uit naar een verlicht huis om desnoods onderdak te vragen. Toen ontdekte ik het blauwe paleis. Er waren blauwstenen terrassen rondom en Griekse zuilen. Grote booglampen staken uit de gevels en de terrassen lagen in een merkwaardig blauw licht. Er waren vele vensters waarvoor echter zorgvuldig gordijnen dichtgetrokken waren; toch merkte je datalle kamers verlicht moesten zijn Er begon zacht een radio te spelen; het was walsmuziek, week en slepend. Plotseling verschenen op het terras een man en een vrouw. De man was in avondkostuum en de vrouw droeg een wit gewaad. Ze keerden zich naar elkaar toe zodat ik hun profielen zag. Ik vond ze beiden buitengewoon mooi. Ze begonnen een hartstochtelijk gesprek in een vreemde taal. Het was een stroom diepe tedere bekentenissen vanweerszijden- De vrouw hield het hoofd wat achterover en sprak met donkere smekende bezwerende stem. De man keek haar diep aan en onderbrakhaar hees en smeekte en bezwoer op zijn beurt. Het was een korte hartstochtelijke beurtzang en daarachter zong de radio z’n slepende wals.”
Anna Blaman (31 januari 1905 - 13 juli 1960) Portret door Paul Citroen, 1950
"Nonsens! U bent al net zo naïef als de rest. Luister een vriend van me heeft een Jeep Cherokee, zo'n grote, dikke, vette zwarte. Hij is er gek op, heeft zelfs een bordje aan de buitenmuur van z'n huis geschroefd met daarop Jeep Parking Only. En dan kom ik bij hem op bezoek en zie ik naast de tv die documentaire van Al Gore liggen, over de gevaren van het broeikaseffect. Die film ligt daar gewoon omdat het een populaire film is, omdat hij zo mooi ligt op je Ikea-salontafel. Luister, het is vanwege dat soort morele hocus pocus dat we er allemaal aan gaan. Niemand lijkt in de gaten te hebben dat de dag echt gaat komen. De dag dat het allemaal voorbij is. Dan kun je nog zo'n ster zijn in cognitieve dissonantie, maar het einde komt ook voor jou. Nogmaals, is het het niet broeikaseffect, dan is het wel iets anders. We zijn erg grondig wat dat betreft; we schijten niet op slechts één plekje in onze eigen huiskamer. We kakken gelijktijdig op de bank, achter de tv, op het dressoir en lekker diep in de kast. De stank is overal. Bij alles wat we doen zouden we gebukt moeten gaan onder schaamte en schuldgevoel. Maar we hebben geen moraal, geen geweten en zelfbewustzijn. We kopen een stukje zalm met een logootje dat moet duiden op verantwoordelijke vangst, en we flikkeren dat vervolgens in een plastic wegwerptasje om daarna tevreden thuis de thermostaat lekker hoog te zetten voor een een avondje middelmatige televisie. We zijn net als die man in dat boek, hoe heet hij, die ontwaakt als een dikke, vette kakkerlak. En niemand die ons te hulp zal schieten. Het is nu een kwestie van wachten. Wachten op het einde."
zo komt dan het wit onmenselijk tegen het woord aan te staan verglijdend
stilaan zonder moeite zonder onderzoek
het is de verdwijning van het nooit geziene voor de verschijning al
het is de cirkelgang van het niets
Winter
ook dood schrijft niet meer koude zon of licht aan de hemel (laatste krachten) waarmee zij schreven want ook dood wil niets meer kwijt van tijd of waan: mens zandweg stad in de regen blindeman zo het nu rondtast kilte grondwater tochtvlam blindeman om het even
Jozef Eijckmans (31 januari 1907 – 12 november 1996)
hier also sind park & zeit zu ende. sag ich zu zeus, dem verwitterten, dem schein
ich ein museums-, keller-, daseinsvertreter zu sein, jedenfalls der mit dem grundbuch. ich glaube er nimmt mich nicht ernst. meint, hier stehe alles unter antennenlicht still. außerdem sei nichts und
das sei der tod in gestalt des raumes. dieses ahistorische areal, die baumgruppenhaufen mit eternita. alles nur drei-, zwei-, einbildung wie der, von ihm, mir zugewiesene platz
gleich neben der da, der allseits bemoosten ––
südfriedhof
wir werden hier sein noch 2090, beschwerden schreiben über das penetrante rauschen der grablicht-
maschinen (einflugschneise), im getöse gleich neben sankt wendel hängen gießkannen an haken, den meinen
(den toten) scheint der blick auf den sonnenhügel (seniorensilo plus minus wellness; schlafkaserne) an der
mailänder straße angemessen, sie bin ich (ich bin sie): möller und sinkewitz, kretschmar und hoffmann
und im herzen die zukunft (porträts von partei- arbeitern; aus nichtraucherhaushalt, minimal berieben, nur
leichte alters- und lagerspuren, dietzverlag '63) meinen weg- weisungen nach, nah meinen händen warm wie ein pferd
„Gallagher grunted scornfully. "What the hell! With your kind of luck you don't have to figure your money. All you need is an arm to pick it up with." Wilson giggled. "That's right, boy, but it's gonna have to be a mighty powerful arm." He laughed again with an easy, almost childish glee and began to deal. He was a big man about thirty years old with a fine mane of golden-brown hair, and a healthy ruddy face whose large features were formed cleanly. Incongruously, he wore a pair of round silver-rimmed glasses which gave him at first glance a studious or, at least, a methodical appearance. As he dealt his fingers seemed to relish the teasing contact of the cards. He was daydreaming about liquor, feeling rather sad because with all the money he had now, he couldn't even buy a pint. "You know," he laughed easily, "with all the goddam drinkin' Ah've done, Ah still can't remember the taste of it unless Ah got the bottle right with me." He reflected for a moment, holding an undealt card in his hand, and then chuckled. "It's just like lovin'. When a man's got it jus' as nice and steady as he wants it, well, then he never can remember what it's like without it. And when he ain't got it, they ain't nothin' harder than for him to keep in mind what a pussy feels like. They was a gal Ah had once on the end of town, wife of a friend of mine, and she had one of the meanest rolls a man could want. With all the gals Ah've had, Ah'll never forget that little old piece." He shook his head in tribute, wiped the back of his hand against his high sculptured forehead, brought it up over his golden pompadour, and chuckled mirthfully. "Man," he said softly, "it was like dipping it in a barrel of honey." He dealt two cards face down to each man, and then turned over the next round. For once Wilson's hand was poor, and after staying a round because he was the heavy winner, he dropped out. When the campaign was over, he told himself, he was going to drum up some way of making liquor. There was a mess sergeant over in Charley Company who must have made two thousand of them pounds the way he sold a quart for five pounds. All a man needed was sugar and yeast and some of them cans of peaches or apricots. In anticipation he felt a warm mellow glow in his chest. Why, you could even make it with less. Cousin Ed, he remembered, had used molasses and raisins, and his stuff had been passing decent.”
Norman Mailer (31 januari 1923 – 10 november 2007)
»Tut mir Leid, dass ich spät bin.« Ich schüttelte die Hand des Professors, die warm war und fest: »Mein Gepäck ist nicht mitgekommen; ich musste pausenlos Formulare ausfüllen und mir anhören, dass es vermutlich Tage dauert, bis es gebracht wird.« Der Professor starrte auf etwas hinter meinem Rücken. Vielleicht hatte er mich nicht richtig verstanden. Oder er war durch was immer er sah so abgelenkt, dass er mich gar nicht mehr wahrnahm. »Na ja«, sagte ich, »Rasierzeug kann ich zur Not nachkaufen, und an der Universität gibt es bestimmt einen Computer, den ich so lange benutzen darf ...« Der Professor stand noch immer wie versteinert. Ich drehte mich um, sah aber nichts Besonderes. Vielleicht hatte ich einfach zu leise gesprochen. Eine Nacht und einen Tag hatte ich mich nur durch Gesten verständigt; nein, kein Kopfhörer für mich, ja, ich nehme noch einen Kaffee, natürlich können Sie abräumen, ich rühre das Essen auch später nicht an, und eine Decke wäre gut. Ich hatte mich wohl gefühlt in der Welt jenseits der Worte und fand es anstrengend, sie wieder verlassen zu müssen. »Kommen Sie.« Auf einmal drehte er sich um und machte eine Geste, die momentlang ausgesehen hatte, als wollte er mich auffordern, seine Hand zu nehmen. »Kommen Sie, wir sollten längst da sein.« Er vergrub die Hände in den Hosentaschen und ging voraus, die Schultern hochgezogen, den Kopf leicht nach vorn geneigt: Professor Lawrence Ludwig Nunn kam mir vor wie aus Elementen zusammengesetzt, die zu keiner Einheit finden wollten, seine taumelnde Art zu gehen wie eine logische Konsequenz mangelhafter Verschraubung. Er trug eine grob gegerbte braune Lederjacke, und am Ende seiner stelzendünnen, von etwas zu kurzen Anzughosen umschlotterten Beine Halbschuhe, die nicht nur zu kalt für die Jahreszeit waren, sondern mindestens zwei Nummern zu groß, was den holzpuppenartigen Charakter seines Gangs noch verstärkte. Spätestens jetzt, dachte ich, wäre es an der Zeit, ihn auf meinen Auftrag anzusprechen. Bisher wusste ich nur, dass es um die angebliche Zwillingsschwester dieses Verrückten ging, Aaron Singer, ein Schriftsteller, der sich vor wenigen Wochen den Kopf weggeschossen hatte. Doch der Professor stolperte so schnell voran, dass ich kaum Schritt halten konnte. Ich folgte ihm zum Ausgang, dem Schneesturm entgegen, der mir schon während des Fluges die Sicht auf das Appalachenplateau und die Finger Lakes genommen hatte, jene seltsame Formation von Seen in der Mitte des Staates New York, die auf der Karte aussahen wie Kratzspuren einer Pranke, die verzweifelt nach Halt gesucht und sich dabei tief ins Sedimentgestein gegraben hatte, in ein von Trogtälern durchzogenes ehemaliges Gletschergebiet.“
Marie Luise Kaschnitz, Benoîte Groult, Kenzaburo Oe, Kurt Marti, John 'O Hara, Zane Gray, Anthony Winkler Prins, Maria Elisa Belpaire, Jean de Crèvecoeur
Was von der Sonne zu sagen gewesen wäre Und vom Blitz nicht das einzige Richtige Geschweige denn von der Liebe. Versuche. Gesuche. Mißlungen Ungenaue Beschreibung
Weggelassen das Morgenrot Nicht gesprochen vom Sämann Und nur am Rande vermerkt Den Hahnenfuß und das Veilchen.
Euch nicht den Rücken gestärkt Mit ewiger Seligkeit Den Verfall nicht geleugnet Und nicht die Verzweiflung
Den Teufel nicht an die Wand Weil ich nicht an ihn glaube Gott nicht gelobt Aber wer bin ich daß
Bräutigam Froschkönig
Wie häßlich ist Dein Bräutigam Jungfrau Leben
Eine Rüsselmaske sein Antlitz Eine Patronentasche sein Gürtel Ein Flammenwerfer Seine Hand
Dein Bräutigam Froschkönig Fährt mit Dir (Ein Rad fleigt hierhin, eins dorthin) Über die Häuser der Toten
Zwischen zwei Weltuntergängen Preßt er sich In Deinen Schoß
Im Dunkeln nur Ertastest Du Sein feuchtes Haar
Im Morgengrauen Nur im Morgengrauen Nur im
Erblickst Du seine Traurigen Schönen Augen.
Marie Luise Kaschnitz (31 januari 1901 – 10 oktober 1974)
“J’étais convaincue en commençant cette décennie là qu’elle serait la plus définitive et la plus riche de mon existence. En la finissant, je m’aperçu avec émerveillement que je pouvais encore repartir de zéro et avec stupeur que sur mes « dix plus belles années », j’en avais passé cinq à être malheureuse. C’était beaucoup trop et je m’en suis longtemps voulu d’avoir ainsi stagné dans la déréliction. Mais il faut bien faire l’expérience du malheur un jour ou l’autre et sans doute est-ce à 25 ans qu’on peut l’affronter sans dégâts irréparables. Je suis, hélas, une personne à la fois dénuée d’amour-propre et douée d’une grande tolérance au malheur : j’ai donc mis des années avant de trouver mon état conjugal insupportable et, ce qui est plus grave, nocif… Le jour où je me rendis compte que je n’avais pas regardé d’autre homme en cinq ans que celui précisément qui me faisait souffrir, état d’esprit dont l’extrême banalité ne semble pas décourager les victimes, féminines en particulier, la délivrance fut fulgurante et la convalescence délectable… Le jour ou mon malheur emprunta la forme précise d’une metteuse en scène qui l’accompagnait depuis des années dans ses déplacements professionnels, la lumière se fit et mon soulagement fut si vif que cette épouse humble et crédule que j’avais été me devint en peu de jours une étrangère… Nous avons divorcé sans trop de casse, aux torts réciproques, « l’enfant étant confié à sa mère en raison de son jeune age », formule lénifiante qui ménage l’amour propre des pères, dont la plupart à cette époque auraient considéré comme une catastrophe de se retrouver « libres » avec un enfant sur les bras.”
"Hey! Have you heard?" he shouted, slamming me on the shoulder. "Have you?" "Heard?" I said vaguely. "That plane yesterday crashed in the hills last night. And they're looking for the enemy soldiers that were in it, the adults have all gone hunting in the hills with their guns!" "Will they shoot the enemy soldiers?" my brother asked shrilly. "They won't shoot, they don't have much ammunition," Harelip explained obligingly, "They aim to catch them!" "What do you think happened to the plane?" I said. "It got stuck in the fir trees and came apart," Harelip said quickly, his eyes flashing. "The mailman saw it, you know those trees." I did, fir blossoms like grass tassles would be in bloom in those woods now. And at the end of summer, fir cones shaped like wild bird eggs would replace the tassles, and we would collect them to use as weapons. At dusk then and at dawn, with a sudden rude clatter, the dark brown bullets would be fired into the walls of the storehouse. . . . "Do you know the woods I mean?" "Sure I do. Want to go?"
Jezus 1 met een schaar vrienden (vriendinnen ook) door de dorpen en steden van galilea trekkend genas hij zieken en vertelde hij verhalen over de hartstocht van de god der eeuwen voor de wereld
2 voorrechten van de betere standen betekekenden niets voor hem dagelijks ging hij om met dagloners en tollenaars als ergens gebrek aan voedsel of drank was deelde hij vissen uit en brood en wijn aan velen
3 geweld van machthebbers verachtte hij geweldlozen heeft hij de aarde beloofd zijn thema: gods toekomst op aarde het einde van de macht van mensen over mensen
4 in een patriarchale wereld bleef hij de zoon en een verdediger van onmondige vrouwen en kinderen wilden galileeërs hem zelf tot koning verheffen? hij echter ging op naar jeruzalem: recht in de val van zijn tegenstanders
“The “coal and iron” police in the anthracite region have been so unimportant since the unionization of the mines that they seldom are mentioned. A candidate for governor of Pennsylvania cannot be elected without the support of the U.M.W.A., and the Pennsylvania State Police never are called “black Cossacks” in the anthracite region. A candidate for any political office in the anthracite counties would not think of having anything printed without getting the typesetters’ union label on his cards and billboards. The union is responsible for the Pennsylvania mining laws, which are the best in the world (although not yet the best there could be), and labor conditions, so far as labor strife was concerned, were all right in 1930, and had been all right since the disastrous strike of 1925. At that time the union called a strike which lasted 110 days, the longest strike in anthracite history. There was no violence beyond the small squabble, and there was no starvation among the miners. But anthracite markets disappeared. Domestic sales were hurt permanently; the oil burner was installed in thousands of homes. Anthracite is practically smokeless, and was satisfactory to its home owners, but they could not get anthracite during the strike, and when the oil burner was installed there was no point going back to coal. And so, as a result of the 1925 strike, the anthracite industry went back to work without nearly the demand for the product that there had been when the strike was called 110 days before. There had been another long strike in 1922, and the two strikes taught consumers that the industry was not dependable. The feeling was that any time the union felt like it, it would call a strike, shutting off the supply of anthracite.”
John 'O Hara (31 januari 1905 - 11 april 1970) Cover
De Amerikaanse schrijver Zane Grey werd geboren op 31 januari 1872 in Zanesville, Ohio. Zie ook alle tags voor Zane Grey op dit blog.
Uit: The Call of the Canyon
“What subtle strange message had come to her out of the West? Carley Burch laid the letter in her lap and gazed dreamily through the window. It was a day typical of early April in New York, rather cold and gray, with steely sunlight. Spring breathed in the air, but the women passing along Fifty-seventh Street wore furs and wraps. She heard the distant clatter of an L train and then the hum of a motor car. A hurdy-gurdy jarred into the interval of quiet. "Glenn has been gone over a year," she mused, "three months over a year-- and of all his strange letters this seems the strangest yet." She lived again, for the thousandth time, the last moments she had spent with him. It had been on New-Year's Eve, 1918. They had called upon friends who were staying at the McAlpin, in a suite on the twenty-first floor overlooking Broadway. And when the last quarter hour of that eventful and tragic year began slowly to pass with the low swell of whistles and bells, Carley's friends had discreetly left her alone with her lover, at the open window, to watch and hear the old year out, the new year in. Glenn Kilbourne had returned from France early that fall, shell-shocked and gassed, and otherwise incapacitated for service in the army--a wreck of his former sterling self and in many unaccountable ways a stranger to her. Cold, silent, haunted by something, he had made her miserable with his aloofness. But as the bells began to ring out the year that had been his ruin Glenn had drawn her close, tenderly, passionately, and yet strangely, too. "Carley, look and listen!" he had whispered. Under them stretched the great long white flare of Broadway, with its snow-covered length glittering under a myriad of electric lights. Sixth Avenue swerved away to the right, a less brilliant lane of blanched snow. The L trains crept along like huge fire-eyed serpents. The hum of the ceaseless moving line of motor cars drifted upward faintly, almost drowned in the rising clamor of the street. Broadway's gay and thoughtless crowds surged to and fro, from that height merely a thick stream of black figures, like contending columns of ants on the march. And everywhere the monstrous electric signs flared up vivid in white and red and green; and dimmed and paled, only to flash up again.”
De lucht is zwart, en sluit een enge kring Van wolken om het aardrijk heen, En pakt zich zwijgend meer en meer op één. Geen enkel koeltje geeft verademing; De noordewind, die afwaait van de zee, Voert in zijn vlucht zelfs hitte en stiklucht mee.
Natuur is stil; - het lied der voglen zwijgt, Slechts ’t rundvee loeit, versmachtend en verhit, En ’t vurig ros, ontslagen van ’t gebit*, Ligt nu op ’t gras aêmechtig* neer en hijgt. De zee ruist dof, als zag de woeste vloed Met schrik het eind der spanning te gemoet.
De nacht is daar, doch zie! een dubble nacht Ontrolt zijn sluier plechtig over de aard: Geheimvol dreigt het somber wolkgevaart, Met bliksemschicht en donderbui bevracht. De ganse lucht, de zee, het aardrijk, is Een groot toneel van sombre duisternis.
Daar schiet op eens de felle bliksemschicht De donkre wand der wolkenwoning door, En land en zee vertoont zich in die gloor Aan ’t oog, dat zich verheft bij ’t flikkrend licht: Daar rolt op eens de doffe donder rond, En de echo galmt in ’t dreunen van de grond.
Anthony Winkler Prins (31 januari 1817 – 4 januari 1908)
I. Ik zat te bidden in de kerk - Daar schoot een straal door de oude ramen En lag, een tintlend kleurenwerk, Op 't koude marmer; en te zamen Smolt purper, hemelsblauw en rood: De matte vloer juweelen bood. ‘Ach!’ dacht in 't binnenste mijn ziel, ‘Gij zijt dit marmer dof en koud Waarop de rijke weerglans viel Van levend purper, schittrend goud. Gij zijt die nederige steen; Maar 's Heeren licht speelt om u heen. O liefdeglans! O gratiegloed! Herschep mijn leven koud en duister; Werp op het marmer van 't gemoed Uw duizendkleurig licht en luister. Daal neder, zonne, van omhoog; Verblijd met kleurenglans het oog!
Maria Elisa Belpaire (31 januari 1853 – 9 juni 1948) Portret door Kamiel Van de Velde, z.j.
“Our minister took the letter from my wife, and read it to himself; he made us observe the two last phrases, and we weighed the contents to the best of our abilities. The conclusion we all drew, made me resolve at last to write. You say you want nothing of me but what lies within the reach of my experience and knowl-edge; this I understand very well; the difficulty is, how to collect, digest, and arrange what I know? Next you assert, that writing letters is nothing more than talking on paper; which, I must confess, appeared to me quite a new thought. — ^Well then, observed our minister, neighbour James, as you can talk well, I am sure you must write tolerably well also; imagine, then, that Mr. F. B. is still here, and simply write down what you would say to him. Suppose the questions he will put to you in his future letters to be asked by him viva voce, as we used to call it at the college; then let your answers be conceived and expressed exactly in the same language as if he was present. This is all that he requires from you, and I am sure the task is not difficult. He is your friend : who would be ashamed to write to such a person? Although he is a man of learning and taste, yet I am sure he will read your letters with pleasure : if they be not elegant, they will smell of the woods, and be a little wild ; I know your turn, they will contain some matters which he never knew before. Some people are so fond of novelty, that they will overlook many errors of language for the sake of information. We are all apt to love and admire exotics, tho* they may be often inferior to what we possess; and that is the reason I imagine why so many persons are continually going to visit Italy. — That country is the daily resort of modem travellers.”
Jean de Crèvecœur( 31 januari 1735 – 2 november 1813) Caen, de kerken Saint-Étienne-le-Vieux en op de achtergrond Notre-Dame-de-la-Gloriette.
Tags:Marie Luise Kaschnitz, Benoîte Groult, Kenzaburo Oe, Kurt Marti, John 'O Hara, Zane Gray, Anthony Winkler Prins, Maria Elisa Belpaire, Jean de Crèvecoeur, Romenu
De Estse dichter Hasso Krullwerd geboren op 31 januari 1964 in Tallinn. Na de middelbare school studeerde hij Estse taal en literatuur aan de Pedagogische Universiteit in Rallinn. In 1998 verdedigde hij zijn proefschrift over het vertalen van Jacques Lacan's psychoanalytische theorie.Vanaf 1990 doceerde hij met kleine onderbrekingen literaire theorie aan het Estse Instituut voor Geesteswetenschappen. Krull schreef talloze boeken, waaronder Meeter ja Demeeter (Meter en Demeter, 2004); Talv (Winter, 2006) en Neli korda neli (Vier keer vier, 2009). Hij publiceerde ook essays in kranten en tijdschriften, waarvan er een aantal werd gebundeld in Millimallikas (Medusa, 2000) en Paljusus ja ainulisus (Pluraliteit en singulariteit, 2009). Bovendien vertaalde Krull werk van Jacques Derrida, Paul Valéry, Allen Ginsburg en andere bekende schrijvers en filosofen. Hij ontving onder meer de Literatuurprijs van de Baltische Assemblee, twee essayprijzen en twee poëzieprijzen van het Cultuurinstituut van Estland, een Juhan Liiv Poëzieprijs, een Ivar Ivask Werkbeurs en een docentenprijs van de Universiteit van Tallinn. Zijn werk is vertaald in talloze talen, waaronder in het Fins, Zweeds, Engels, Duits, Spaans en Russisch.
Kijk hem
Kijk hem. Waarom is die man verdrietig? Is er iets gebeurd? Ik weet het niet. Misschien wel. Misschien inderdaad. Misschien is er inderdaad iets gebeurd. Maar misschien ook niet. Misschien is hij helemaal niet verdrietig.
Misschien was het gisteren. Maar misschien niet. Misschien wel. Misschien een paar dagen eerder. Misschien nooit. Misschien toch een keer. Er werd stevig gedronken. Misschien meer dan goed was.
Misschien minder. Er had misschien meer gedronken moeten worden. Er was toch een meer? Waarom heb je het meer niet leeggedronken? Maar misschien was er geen meer. Maar meer een rivier. Misschien zelfs de zee. Misschien was er helemaal geen water.
Misschien was er een meisje. Misschien een ander meisje. Is er iets gebeurd? Ik weet het niet. Misschien wel. Maar misschien niet. Er werd vreselijk gedronken. Maar misschien ook niet. Misschien was er helemaal geen water.
De nacht zit vol gaten
De nacht zit vol gaten. Ze glinsteren, fonkelen, twinkelen, ramen in de nacht en ramen aan de hemel, ramen van het bestaan en ramen zonder bestaansreden.
We staan op een trap en roken. Sigaretteneindjes zijn bewegende ramen, bewegende gaten, vuur zonder vlammen en wij moeten hier zijn op een trap.
Lampen in het trappenhuis. Ruiten in de nacht. Beelden, waarin je naakt op het strand ligt als een glimmende hagedis in oplichtend zand: elke zandkorrel is een schitterend raam.
Elk raam is een gat. Elk gat is een raam, dat geboren wil worden, laat het er maar uitkruipen, uit het menselijk raam, uit het raam van het bestaan onder de ramen van maan en zon.
“Het werd de ochtend van een dag. Buiten sloegen de geluiden aan het zweven in ons late hoofd. lets in de kamer hield onze adem in en kwam toen ademend de kamer in, de ochtend van zijn leven. Het keek naar alles wat het nog niet zag. Het schreeuwde om alles wat het nog niet wist maar wel al miste. Het lag in onze handen en het was hij. Hij is van vlees en bloed, dat is soms schrìkwekkend. Hij doet al dingen die wij nog niet kunnen, Door ons heen zien, geregeld wenen, zijn been in drieën vouwen. Hij is een wonder en dat wij hetn hebben gemaakt verwondert ons nog het meest Wij wilden geen wonder maken, wij weten wel beter. Een kind volstond. Nu staren we naar elkaar en zie, ons wonder zìt ons aan te kijken alsof, in zijn kamergrote bestaan, wij het wonder zijn. Hij zit nog niet. Nog niet helemaal. Nog even zit hij liever in zichzelf, dat is eenvoudiger dan op die Stoel. Maar op die stoel kan hij dingen die niet kunnen uit hemzelf. Daarom zìt hij in zichzelf op de stoel. Met zijn armpjes, die hij gisteren aan zichzelf gevonden heeft, komt hij twintig centimeter verder in zijn uitdijend kanelheelal. En als zijn rubberen rugje wat meezit raakt hij twee keer verder. Wat daarbuiten ligt, het melkwegstelsel van de zuigfles, huilt hij naar zich toe.Of kijkt hij zijn geheugen in, voor later. Hij kijkt hoe alles komt kijken. Hij begint verdwijningen te zien. En te onthouden, zodat hij onze terugkomst vanachter een deur uitbundig viert. Dan doet hij aan choreografie, ook al kan hij nog niet staan. Zijn handjes gaan dan dansen, schijnbaar in het wilde weg, maar in feite met een voor ons, reusachtigen, onnavolgbaar geïmproviseerde elegantie. Soms beseft hij pas na de opvoering dat het zijn eigen vingers waren die zo raar deden.”
“Darwins benadering was uitzonderlijk in een eeuw waarin er nog altijd meer hoogleraarsposten bestonden om de Heilige Geest te doorgronden dan voor de natuurwetenschappen. Zelf kijken, inductief komen tot een hypothese en die, met huis-tuin-en-keukenmiddelen, zo goed mogelijk proberen te toetsen: dat deed Darwin keer op keer. Adrian Desmond en James Moore vertellen in hun rijke Darwinbiografie dat hij stukje bij beetje vorderend, zonder dat er een specifiek eurekamoment valt aan te wijzen, zijn evolutiegedachte ontwikkelde. Soorten waren niet voor eeuwig en onveranderlijk geschapen door de Almachtige, maar evolueerden uit moedersoorten en stierven net zo terloops weer uit als ze waren ontstaan. De fossielen van reuzenluiaards, reuzengordeldieren en knaagdieren met de afmetingen van een nijlpaard die hij tijdens de tocht met de Beagle in Zuid-Amerika opgroef getuigden daarvan. Descent with modification noemde hij het proces waarvoor wij nu het woord evolutie gebruiken, ook valt in dat verband de term transmutation regelmatig. Na jaren van reizen, observeren, piekeren en experimenteren, na het voeren van diepgaande gesprekken met kwekers en uitgebreide correspondenties met naturalists over de hele wereld was hij overtuigd geraakt van het alles bepalende belang van evolutie door natuurlijke selectie. Het ging om een blind proces, de transmutatie van soorten was doelloos. Genesis bleef een indrukwekkende mythe, maar moest voortaan vooral niet meer letterlijk worden genomen. Voor een Almachtige Schepper was bij het ontstaan van nieuwe biologische soorten geen enkele rol meer weggelegd.”
“Hoe heet de man die de gevangeniskat opat? Dat is de vraag en het maakt niet uitwie van de drie vrienden de vraag stelt ofhoe ze op het onderwerp komen. Het draait om de achternaam en niets anders doet ertoe op deze Ienteochtend in toko Hardy. ‘Hij heet Brouwer,’ zegt George. ‘Sure as hell. Samen met zijn makkers vrat hij de kat op, uit noodzaak. Gedreven door honger en wanhoop.’ Onderuitgezakt op de bank kijkt hij zijn twee vrienden aan met zijn typische George-blik. Met zijn eenentachtigjaar en slechte ogen maakt George nog steeds net zo’n zelfverzekerde indruk alsruim een halve eeuw geleden toen ze met de Honolulu Kings vollezalen trokken. Vijflndischejongens met snaarinstrumenten op het podium. al leek George meer op een Afrikaan dan op een indo. In het bijzonder op Nelson Mandela. ‘Volgens mij heette die man niet zo,’ zegt Cok hoestend boven een bak met kipfilet. Hij zit aan tafel en rijgt de blokjes aan satéstokjes. ‘Ik zie hem zo voor me. Een schriel ventje met onwaarschijnlijk grote voeten… Verbeek! Verbeek uit Batavia at de gevangeniskat op! Dat was zijn redding. Dejappen wilden datde gevangenen hun drol inleverden vanwege mijnworm. Maar er viel niets te kakken. omdat ze niets te vreten kregen. Zonder eten geen kak.‘ Tevreden neemt Cok een trekje van zijn kruidensigaret en krult zijn lippen naar buiten waardoor sigarettenrook tussen de spleetjes in zijn kunstgebit ontsnapt. "l’oen heeft Verbeek zijn drol, de resten van die gevangeniskat, onder zijn slapies verdeeld. Want als je niks inleverde. kreegje klappen van de jap."’
“If the man had stood up and walked from the picture, the strong torso would have been seen to dwindle into the stockiness of shortish legs. The son's greater height, not immoderate, came through his mother; his dark eyes also. All this time, Leith's body had been gathering speed. Putting the book aside, he interested himself in the world at the window: wet town giving way to fields, fields soggily surrendering to landscape. The whole truncated from time to time by an abrupt tunnel or the lash of an incoming train. Body went on ahead; thought hung back. The body could give a good account of itself -- so many cities, villages, countries; so many encounters, such privation and exertion should, in anyone's eyes, constitute achievement. Leith's father had himself flourished the trick of mobility, fretting himself into receptivity and fresh impression. The son was inclined to recall the platform farewells. He had the shabby little compartment to himself. It was locked, and he had been given a key. It was clean, and the window had been washed. Other sections of the train were crammed with famished, thread bare Japanese. But the victors travelled at their ease, inviolable in their alien uniforms. Ahead and behind, the vanquished overflowed hard benches and soiled corridors: men, women, infants, in the miasma of endurance. In the steam of humanity and the stench from an appalling latrine. Deploring, Aldred Leith was nevertheless grateful for solitude, and spread his belongings on the opposite seat. Having looked awhile at Asia from his window, he brought out a different, heavier book from his canvas bag.”
„Wir hatten den Rosenhain erreicht. Die schöne Fanny, wie es schien, die Herrin des Tages, wollte aus Eigensinn einen blühenden Zweig selbst brechen, sie verletzte sich an einem Dorn, und wie von den dunkeln Rosen, floß Purpur auf ihre zarte Hand. Dieses Ereignis brachte die ganze Gesellschaft in Bewegung. Es wurde Englisch Pflaster gesucht. Ein stiller, dünner, hagrer, länglichter, ältlicher Mann, der neben mitging, und den ich noch nicht bemerkt hatte, steckte sogleich die Hand in die knapp anliegende Schoßtasche seines altfränkischen, grautaffentnen Rockes, brachte eine kleine Brieftasche daraus hervor, öffnete sie, und reichte der Dame mit devoter Verbeugung das Verlangte. Sie empfing es ohne Aufmerksamkeit für den Geber und ohne Dank, die Wunde ward verbunden, und man ging weiter den Hügel hinan, von dessen Rücken man die weite Aussicht über das grüne Labyrinth des Parkes nach dem unermeßlichen Ozean genießen wollte. Der Anblick war wirklich groß und herrlich. Ein lichter Punkt erschien am Horizont zwischen der dunklen Flut und der Bläue des Himmels. »Ein Fernrohr her!« rief John, und noch bevor das auf den Ruf erscheinende Dienervolk in Bewegung kam, hatte der graue Mann, bescheiden sich verneigend, die Hand schon in die Rocktasche gesteckt, daraus einen schönen Dollond hervorgezogen, und es dem Herrn John eingehändigt. Dieser, es sogleich an das Aug bringend, benachrichtigte die Gesellschaft, es sei das Schiff, das gestern ausgelaufen, und das widrige Winde im Angesicht des Hafens zurücke hielten. Das Fernrohr ging von Hand zu Hand, und nicht wieder in die des Eigentümers; ich aber sah verwundert den Mann an, und wußte nicht, wie die große Maschine aus der winzigen Tasche herausgekommen war; es schien aber niemandem aufgefallen zu sein, und man bekümmerte sich nicht mehr um den grauen Mann, als um mich selber. Erfrischungen wurden gereicht, das seltenste Obst aller Zonen in den kostbarsten Gefäßen. Herr John machte die Honneurs mit leichtem Anstand und richtete da zum zweiten Mal ein Wort an mich: »Essen Sie nur; das haben Sie auf der See nicht gehabt.« Ich verbeugte mich, aber er sah es nicht, er sprach schon mit jemand anderem.“
Adelbert von Chamisso (30 januari 1781 - 21 augustus 1838) Cover Audio-CD
Love walked in unannounced - just came to call - Left her coat and left her hat out in the hall, She poured a glass of wine and found a chair As if she'd never spent a day or night elsewhere; Out of sight and out of mind for quite a while; Then she walks out from the missing persons file.
And she whispered in my ear, so sweet and low, In a language I can never hope to know; She kissed me, and she took me by the hand To a world that I will never understand Where she showed with her improper sense of style What this person had been missing for a while.
Just like so long ago, she's back again; My hormones doing handstands in my brain, I dream of all I thought I didn't need; To all that I have learned I pay no heed. There's reality back there; I'm in denial Since Love came back from the missing persons file
Love walked in unannounced from who knows where, Turned my life back upside down, then left me there. I've a feeling that we've been this way before And like last time, I won't do this any more. Independence; that's the best way by a mile; Love? I'll lose her in the missing persons file.
“One of its most difficult features for an outsider to grasp was the practice of almost always speaking, and thinking, in a collective plural voice. The word for people, "dene," was used as a kind of "we"--the subject for virtually every predicate requiring a personal pronoun--and therefore any act became, at least in conception, a group experience. It was my second autumn in Tyonek. I had spent the morning interviewing an elderly woman, Mrs. Nickefor Alexan, the respected expert on subjects ranging from traditional herbal medicine to the do's and don'ts of appropriate courting behavior. In the course of our conversations, I consumed too much tea and my mouth was dry with the acidic taste. I returned to my house in the afternoon and was uninterrupted as I organized my notes; most adults in the community were busy in their smokehouses, preserving and canning August's catch of fish, and the children, my frequent summer visitors, had returned to school. In a world of "we," I was an "I," with no essential responsibilities or links outside myself. Periodically, I glanced from my window at the darkening sky. The twenty-four-hour circuit of day and night, upon which most of Western time is based, expands to a full twelve months in the far north. There is light enough to fish any time in the summer, and so the arbitrary schedules of passing salmon runs rather than a wristwatch dictate when dories should put to sea. The darkness is absolute in winter, underlined by forbidding temperatures that sometimes dip fifty degrees below zero. The short fall season, therefore, is a blend of both fatigue and melancholy, of final consolidation of the summer's gains and of preparation for the severity of approaching weather. It is a bridge of contemplation, of taking stock, and there is no occasion more appropriate for that practice than when the turning of the tide corresponds to the setting or rising of the low sun.”
Michael Dorris (30 januari 1945 – 10 april 1997) Hier met Louise Erdrich
“It could have been any island in any green sea in the world. A white villa stood at the top of a sheer cliff, overlooking aquamarine depths and crashing waves. An eighty-foot yacht rode at anchor, its crew in smart uniforms keeping the boat ready for the whim of the man and woman up on the cliff. There was an exotic swimming pool behind the white villa; a woman swam in it, reveling in the pure air and silence of her retreat. A feast had been set out under a gently flapping canopy: bowls of iced caviar, chilled lobster and crab, fruit frosted in sugar, cheeses imported from all over the globe, four kinds of wine standing in coolers. No one waited in attendance. The two lovers wanted to be alone. She got out of the marble pool, climbing up the curved white steps and going between two Corinthian pillars to where chaise lounges covered in plush velour towels waited in the sun. She moved languidly. She felt hot and sweet and ready for sex. She didn’t remove her bathing suit. He would do that for her. Instead she stretched out in the heat and settled her eyes upon the television set that stood in the shade of the striped canopy. It was on. It was always on. She was waiting for something. A moment later he emerged from the house, the shimmering water of the pool reflected in the lenses of his Ray-Bans. His long white bathrobe was open; he was naked underneath. She gazed at him as he walked slowly toward her. He was tall and lithe, with sinewy muscles and strong thighs; he walked with the stride of an Olympic gold medalist. He came alongside her chaise lounge. She reached up with a lazy hand. The waves of heat rising mirage-like from the white walls of the villa seemed to melt her bones. She stirred on the thick towel, relishing the sensation of its creamy plush pile against her bare skin.”
Baudelaire was driving a Model A across Galilee. He picked up a hitch-hiker named Jesus who had been standing among a school of fish, feeding them pieces of bread. 'Where are you going?' asked Jesus, getting into the front seat. 'Anywhere, anywhere out of this world!' shouted Baudelaire. 'I'll go with you as far as Golgotha,' said Jesus. 'I have a concession at the carnival there, and I must not be late.
The American Hotel Part 2
Baudelaire was sitting in a doorway with a wino on San Fransisco's skid row. The wino was a million years old and could remember dinosaurs. Baudelaire and the wino were drinking Petri Muscatel. 'One must always be drunk,' said Baudelaire. 'I live in the American Hotel,' said the wino. 'And I can remember dinosaurs.' 'Be you drunken ceaselessly,' said Baudelaire.
Richard Brautigan (30 januari 1935 – september 1984) Portret door Kenn Davis, 1958
„Der Oberbürgermeister erkundigte sich, was mein Mann zu der Wahl, die die Jury getroffen hätte, gesagt habe und ob er damit einverstanden sei. Ja sehr, antwortete ich, und er finde es großartig, wie alles gemacht sei. Es ging sie nichts an, dass Max sich überhaupt nicht mehr darum gekümmert hatte. Ich glaube, er wusste nicht einmal den Namen. Max hatte andere Dinge im Kopf; wer den Preis kriegte, war ihm nicht wichtig. Nur der Preis selber, und dass er auf seine Anregung gestiftet worden war, darauf legte er großen Wert. Es war eine Reklame für ihn. Oder für die Fabrik. (…)
"Welch eine Freude, mein verehrter Herr Möncken, dass ich Ihnen noch persönlich die Hand schütteln darf. Ich konnte leider heute Nachmittag bei dem Festakt nicht dabei sein, ich hätte viel darum gegeben. Aber unsereiner ist nicht Herr seiner Zeit. Umso dankbarer bin ich meiner Frau, dass sie Sie hierhergebeten hat. Wirklich, ein großartiger Gedanke von ihr." "Ich, und das geht den meisten von uns so, wir können es uns einfach nicht leisten, uns ablenken zu lassen. Die Helldegen-Werke zum Beispiel beschäftigen schon heute dreitausend Leute. Mit den Angehörigen wären es also rund zehntausend Menschen, deren Wohl und Wehe davon abhängt, dass bei uns alles klappt. (…)
"Meine Eltern zum Beispiel, sie lebten so, wie es sein muss. Etwas andres kam gar nicht für sie in Frage. Meine Mutter hat nie auch nur versucht, meinen Vater zu verlassen; es ist komisch, sich so etwas überhaupt nur vorzustellen; sie wird nicht einmal die Sehnsucht gehabt haben. Aber nicht weil sie so glücklich war; glücklich waren meine Eltern nicht. Sie waren auch nicht unglücklich, ich weiß nicht, was sie waren; es war alles so tot und gleichmäßig, heute wie gestern und morgen wieder so und immer so weiter."
Hans Erich Nossack (30 januari 1901 – 2 november 1977)
Uit: The Misadventures of the New Satan (Vertaald door Christopher Moseley)
“Concerning that house which we built on my crossroads with your loan. You see, Jürka, this house is, so to say, part of the Pit, in as much as it was built with that land-improvement money, and during the time you were the owner of the Pit. And now it’s I who am the owner of the Pit, while you have become the tenant as before. But when you were merely the tenant you wouldn’t have received the loan, and you only got it when you became a property owner. I don’t know what you think about it, but the way I see it is like this: if you’re only a tenant and not the owner could the house which is part of the Pit belong to you? To make my meaning clear, here’s an example: suppose you have an axe and you sell it, would you say that the handle belongs to you after the deal has been made and the money for the axe has been paid you?’ ‘I guess not.’ ‘The handle, therefore, belongs to the chap who bought the axe, doesn’t it?’ ‘I guess so.’ ‘We’ve got it all clear then. The Pit is the axe, and the house on the crossroads is the handle, and since I’ve bought the Pit—the axe, in other words, the handle that came with it, meaning the house at the crossroads, also belongs to me.’ ‘I see. The Pit was there before the house, of course.’ ‘That’s what I say too,’ Ants said in agreement. ‘There was the Pit and then the house appeared—no Pit, no house, because what good is a handle if there’s no axe? . . ."
Anton Hansen Tammsaare (30 januari 1878 – 1 maart 1940) Borstbeeld in Albu
Here, ever since you went abroad, If there be change no change I see: I only walk our wonted road, The road is only walk'd by me.
Yes; I forgot; a change there is-- Was it of that you bade me tell? I catch at times, at times I miss The sight, the tone, I know so well.
Only two months since you stood here? Two shortest months? Then tell me why Voices are harsher than they were, And tears are longer ere they dry.
You smiled, you spoke, and I believed
You smiled, you spoke, and I believed, By every word and smile deceived. Another man would hope no more; Nor hope I what I hoped before: But let not this last wish be vain; Deceive, deceive me once again!
To sleep
Come, Sleep! but mind ye! if you come without The little girl that struck me at the rout, By Jove! I would not give you half-a-crown For all your poppy-heads and all your down.
Walter Savage Landor (30 januari 1775 – 17 september 1864) St. Peter’s Church, Ipsley Court
Uit:Aus den Schweizerbergen (Der Bezirksschreiber)
„Solche schmerzliche Seufzer regten sich heute in mancher Brust und füllten die Augen mit wehmuthvollen Thränen. Von dem Kirchthurme der kleinen Gemeinde klangen zweitönig die Glocken über die auf dem Gottesacker versammelten Dorfbewohner. Es war Allerheiligen Der Schluß der Nachmittagsvesper entließ heute die Andächtigen nicht wie gewöhnlich nach Haufe. Kaum war das feierlich-jubelnde »Magnifikat« zu Ende gesungen, so bereitete man sich zu einer weiteren Feier vor. Im Chor der Kirche wurde ein Katafalk aufgestellt, während inzwischen der Priester und die Ministrauten in der Sakristei ihre hellfarbigen Gewänder mit der Farbe der Trauer vertauschten. Jetzt brannten die Lichter zu beiden Seiten des Katafalksz schwarzgekleidete Frauen kamen still und sittsam dahergetrippelt und zündeten an denselben ihre gelben und weißen Wachsstöcke an. Im veränderten Ornat, die schwarze Stol und die schwarzen Krägen mit Silberborden umrahmt, erscheinen Priester und Ministrauten wieder im Chor der Kirche. Auf die Lobgesange zu Ehren aller Heiligen folgt nun die Todtenvesper in klagenden, bittenden Melodien. An das gemeinsame Fest aller Heiligen schließt sich die gemeinsame Feier aller Seelen, zuletzt mit einer Prozession auf den Friedhof. Da knieten uun die Mitglieder der Gemeinde um die zahlreichen Gräber. Die Glocken, als fühlten sie die allgemeine Trauer mit, klangen heute offenbar wehmüthiger als gewöhnlich aus dem hölzernen, rothaugestrichenen Thurme. Und mancher Bursche und manches Mädchen, die sinnend hinaufsahen nach den allbekannten, so traurig tönenden Glocken, bemerkten auch, wie der schlanke Helm des Kirchthurms zitterte und Kreuz und Hahn hinüber und herüberwinkten wie das alternde Haupt eines von Kummer gebeugten Kirchenfürsten.“
Franz von Sonnenfeld (30 januari 1821 – 5 maart 1888) Cover
Slaap zacht mijn sidderende vogel in de verte, ontspan de lokroep van je ogen. Slaap lekker, kleine koele introverte, ontspan de borsten die ons kind gaan zogen. Slaap zacht harpiste van mijn hartstocht, je schone kiekendief komt spoedig teruggevlogen. Dag vrouwtje jezus in je kribbe, mijn eeuwenoude achtste ribbe, schone slaapster.
Mijn lief ging
Geen toekomst en mijn hemel zwart. Bevroren schaduw likt mijn hart: een spook uit het verleden. Geen zon, geen wind, mijn vleugels slap, geen wortels meer en ook geen sap. Geen doel of reden. Gevoelens geen. Mijn lief ging heen
“Alex heeft Babs uitgenodigd op de vippremière van Look, een prent over een vrouwelijke spion met een snelle wagen en een vage missie in een China waar Mao opnieuw regeert en waar de kindjes Engels spreken. Dankzij deze film staat Babs op een receptie rond te draaien. Ze heeft nog overwogen om Eveline mee te brengen, maar Laura heeft aangeboden om voor de hond te zorgen. Vroeger bleef zij ook al liever bij Prins dan mee te gaan naar het schooltoneel. Babs neemt een rivierkreeftje. Eentje dat in haar decolleté valt. De massa gonst, alsof een bende ontpoppende rupsen zich schuilhoudt onder de rokken, de kostuums, de schoenen. ‘Vrouwen houden van verrassingen,’ zegt iemand. ‘Waar kom jij opeens vandaan?’ vraagt Thomas, een collega-advocaat van Alex. Hij richt het woord tot zijn vriendin Charlotte, de vrouw die van verrassingen houdt. ‘Zeker met iemand gedineerd?’ ‘Ik zie niet in waarom niet,’ zegt Charlotte bijzonder luchtig. ‘Iedereen moet naar de champagnebar gaan,’ zegt de secretaresse van Alex in het voorbijkomen. ‘Neem Charlotte mee, Thomas… Hééé Babs, hoe gaat het ermee?’ De ogen richten zich op haar, Babs wordt Thomas’ blik gewaar die dadelijk nadrukkelijk afglijdt naar haar decolleté, ze durft het hoofd niet te zakken om richting eigen boezem te kijken en aldus de aandacht nog eens te vestigen op de rampzone. Is het mogelijk? Hangt de rivierkreeft half overboord? Ze zal de voelsprieten van het dier weldra aan haar gezicht voelen kriebelen. Ze weet wel dat er een moment zal komen dat ze niet meer tussen de baljurken staat met een lauwe vis tussen haar borsten, en dat dat toekomstige moment er een zal zijn van buitengewone opluchting -- maar nu bevindt ze zich nog in een eerder, veel minder prettig moment waar een atoombom de oplossing lijkt. Wat ik zeker waardeer aan De Coster is haar liefde voor het pure vertellen. De zoektocht naar het cassante detail, de mussen die van het dak vallen, de frivoliteit die vrij baan krijgt.”
“Wat heb ik eigenlijk te klagen? Hoeveel mensen kunnen het zich permitteren om vroeg in de morgen thuis te komen na de hele nacht jong en goddelijk in het café te hebben gezeten - en dat op een leeftijd dat je al recht hebt op seniorenkorting bij het openbaar vervoer en dergelijke. De volgende dag kun je weliswaar van de agenda afvoeren wegens medisch-technische gebreken, je bent volwassen genoeg omdat te weten. Kortom, klagen mag niet. Mijn reusachtige huiskat Meneer zal het ook een zorg zijn. Meestal zit hij achter de voordeur op me te wachten, kleine welkomstgeluidjes makend. Is het dan niet zielig voor hem, al die tijd alleen zitten terwijl ik mijn vertier zoek in Haarlems nachtleven? Meneer zorgt thuis voor z'n eigen plezier. In de regel merk ik daar niets van, maar verleden week zag ik bij thuiskomst ineens iets alarmerends: in de vensterbank lag een plant omver. Waakzaam keek ik rond. Er was toch niet ingebroken of zo? 'Wat heb je nou gedaan, gekke Neerie?' Meneer, op de bank liggend, gaapte enorm en rekte zich in zijn volle lengte uit. Om het baasje vervolgens ondersteboven aan te kijken, met grote groene ogen. Dag baasje. Baasje thuis. Baasje lief! 'Ja, dat ken ik! Baasje naar de keuken, baasje naar de ijskast, dat bedoel je!' Terwijl ik zijn maaltijd stond op te scheppen, zag ik in de achtertuin ineens de oorzaak zitten van die omgevallen plant. Een mooi rood katertje, heel deftig en brutaal. Staartje om de voetjes. Om zijn hals een bandje met een kokertje, waarin ongetwijfeld naam & adres. Geen zwerver dus, goed doorvoed. Maar in tegenstelling tot mijn Meneer duidelijk een buitenkat. Hij keek me zeer zelfbewust aan. Ik knikte hem vriendelijk toe. In de regel lopen passerende vreemde katten meteen weg zodra je beweegt, maar hij bleef zitten. Meneer sloeg intussen zijn handje - met alle nagels uit - liefderijk in mijn been. 'Môôawr!' 'Jajaja, Meneer. Neemt u het Uw personeel a.u.b. niet kwalijk. Alstublieft!'
Lennaert Nijgh (29 januari 1945 - 28 november 2002)
„Medwjedenko: Warum gehen Sie immer in Schwarz? Mascha: Ich trauere um mein verlorenes Dasein. Ich bin unglücklich. Medwjedenko: Warum? Nachdenklich. Ich verstehe das nicht … Sie sind gesund, Ihr Vater ist zwar kein reicher Mann, aber doch nicht unbemittelt. Ich hab's weit schwerer als Sie. Ich bekomme monatlich ganze dreiundzwanzig Rubel Gehalt, wovon noch die Pensionsabzüge abgehen, und dennoch trage ich keine Trauer. Mascha: Es kommt nicht aufs Geld an. Auch ein Bettler kann glücklich sein. Medwjedenko: In der Theorie vielleicht, in der Praxis liegt die Sache aber so, daß fünf Personen von den dreiundzwanzig Rubeln leben sollen: ich, meine Mutter, zwei Schwestern und ein Bruder. Man will essen und trinken, man braucht Tee und Zucker, man braucht Tabak – da heißt es sich drehen und winden! Mascha blickt nach der Bühne: Die Vorstellung wird gleich beginnen. Medwjedenko: Ja. Die Sarjetschnaja spielt, und das Stück ist von Konstantin Gawrilowitsch. Sie sind ineinander verliebt, und heut werden ihre Seelen sich in dem Streben vereinigen, dasselbe künstlerische Gebilde zu gestalten. Und unsere Seelen haben keine gemeinsamen Berührungspunkte. Ich liebe Sie, ich kann es vor Sehnsucht zu Hause nicht aushalten, laufe Tag für Tag sechs Werst hin und sechs Werst zurück, um Sie zu sehen – und begegne bei Ihnen stets derselben Gleichgültigkeit. Das ist wohl zu verstehen – ich bin mittellos, hab' eine große Familie … einen Menschen, der selbst nichts zu beißen hat, heiratet man doch nicht … Mascha: Unsinn. Sie nimmt eine Prise. Ihre Liebe rührt mich, aber ich kann sie nicht erwidern, das ist's. Reicht ihm die Schnupftabakdose. Bitte! Medwjedenko lehnt ab: Ich danke.“
Anton Tsjechov (29 januari 1860 – 15 juli 1904) Scene uit een opvoering in Stuttgart, 2009
“Well they shouldn’t have been. It just happens that people disappear for a little while, you know? There was no need for anybody to panic. We can just still say that I wasn’t feeling well, and that then I got better.” “What, goddammit, is wrong with you? What is going on? How can you explain it all?” “There’s nothing that requires an explanation. I’m telling you the truth, you’re just not listening.” She’s screaming, but here she lowers her voice. “Just, what do you think, you tell me, what do you think happened?” But he doesn’t answer her now. This conversation has already repeated itself multiple times. It seems both of them have lost the strength for it. Sometimes she leans back against the wall and glares at him and taunts him: “A bus full of pimps drove by and took me off to a brothel. They kept the baby on the balcony, on bread and water. I had sixty clients over the course of those three days.” When she does that he slams his fist into the table to not hit her.“
O Lente, buig uw hooft, bekranst met schone bloemen, Als gij de Schilderkunst ziet pralen of hoort noemen: Uw kleuren, met de dauw des dageraads belaên, Bezwijken voor de gloed der zomerzonneraên, Daar in het tegendeel de glans der schilderverven Onsterflijk is van aard, en alles hoedt voor sterven. Hoe geestig wordt de zin betoverd en verlet Als ons Apel onthaalt op heilig oogbanket! Natuur verwondert zich, en toont beschaamde kaken Omdat het kunstpenseel in allerhande zaken Haar volgt of overwint. O wonderbare Kunst, Blijf groeien, en verdien der Vorsten milde gunst.
Hubert K. Poot (29 januari 1689 - 31 december 1733) Boek ter herinnering aan de dichter, H.K. Pootplein, Schipluiden